|
Brief aan Bart Lodewijks
Oorspronkelijk dacht ik dat het
goed zou zijn een antwoord op je brief te schrijven. En toch ben ik van die
gedachte afgestapt. Het leek me belangrijker dat ik ergens probeer aan te
duiden, of te omlijnen, waar mijn ongekende interesse en respect voor je werk
vandaan komt. Hoe komt het dat die parallelle houtskoollijnen die muren bijna
tot ruimtes maken me blijven fascineren? Waarom blijft het beeld van een
krijtlijn op een brugje of rotspartij in Schotland telkens nazinderen? Of wat
kan het voor kinderen betekenen als plots op hun speelplaats een in krijt
getekend tapijt verblijft? Voor mij is het in elk geval allemaal begonnen met
een boekje dat een paar jaar terug bij Roma Publications is verschenen. ‘Looking
for a beautiful place’ is de titel, of dat is toch de titel die ik me meen te
herinneren. Het is pas vandaag dat ik begrijp hoe belangrijk die titel wel voor
je moet geweest zijn. Ik ken je als iemand voor wie een plaats slechts betekenis
krijgt als het geen oord van stilstand is, maar als het een plek van afstand en
verdwijnen wordt. En dan het woord schoonheid! Welke schoonheid? De schoonheid
van een plek? Genius loci? Of de schoonheid hoe je met wit krijt een plek kan
hervertalen en herbeleven? Terug naar het boek : ik herinner me foto’s van
summier serene krijttekeningen in dramatische landschappelijke omgevingen
(Schotland), haal me tekeningen voor de geest van witte geometrische vormen die
in perspectief op een ruw bakstenen muur lijken te verdwijnen. Maar ik denk
vooral terug aan de laatste pagina’s van deze publicatie : een sequentie foto’s
van een (Nederlands) landschap waardoorheen een foto van hetzelfde landschap
zich lijkt voort te bewegen. Ik heb dit laatste beeld heel lang in mijn
gedachten vastgehouden. Zelf had ik me nooit afgevraagd hoe een foto van een
landschap zich in een landschap zou gedragen, hoe de realiteit van een
afbeelding verglijdt in de realiteit van zijn beeld. En het lijkt met dat je met
je tekeningen niets anders lijkt te doen. Door het tekenen op de muren hou je
letterlijk in de ruimte een tekening vast over de ruimte. Je geeft de ruimte een
lectuur en een duiding, je ontgint met de eenvoud van de lijnen in houtskool de
vlakheid van een volume. Als geometrische graffiti heb ik het een tijdlang
omschreven. En misschien is je werk inderdaad meer met graffiti verwant, dan met
de objectiverende formele ‘Wall drawings’ van iemand als Sol LeWitt. Graffiti
kan niet alleen worden beschouwd als een artistieke praxis die illegaal is, maar
heeft vooral te maken met het claimen of ontwikkelen van een visueel formele
identiteit van de auteur. Zo onstaat er bij graffiti een verhouding tussen
kunstenaar en (sociale) ruimte, die wordt verhandeld door de identiteit van de
kunstenaar. Gelukkig heb ik – dankzij onze samenwerkingen – al een paar keer de
gelegenheid gehad een aantal van je tekeningen echt te kunnen ervaren. En hoe
vreemd het ook kan klinken, ik verlies me heel vaak in het detail. Ik voel in
het detail van de lijn de presentie van Bart Lodewijks. De lijnen verhullen in
al hun eigenschappen je noodzakelijke aanwezigheid en beslissingskracht. Van op
een afstand lijken je tekeningen een rationeel stringent denk- en belevingskader
te zijn. Het zijn rigide vangnetten die bezoekers versluieren in een ruimtelijke
illusie. Van dicht bij voel je echter de aarzeling van elke beweging, vertaalt
elke houtskooltrek het ritme van je ademhaling, weergalmt de imperfectie van de
tekening de hapering van de ruimte. De tekeningen zijn vaak heroïsch en
tegelijkertijd intiem te noemen. Ergens heb je zelf de confrontatie met een
ruimte omschreven als de ervaring met de afgrond, ik zou dit eerder hervertalen
naar het bijbelse verhaal van David en Goliath. En dan is Goliath de ruimte die
je keer voor keer verkent, en met een soort intuïtieve intelligentie verslaat.
Ik zou nog kunnen verder gaan over je materiaalgebruik, houtskool en krijt, dat
ik vooral in de kunst associeer met voorontwerpen, ondertekeningen en modellen,
en bij jou vertaal naar voorlopigheid en tijdelijkheid. Maar ik wil het over
iets anders hebben, over een begrip dat men in de praktijk van de hedendaagse
kunst vandaag liever terzijde schuift : plezier of genoegen. Elke ervaring die
ik tot nog toe met je werk gemaakt heb, roept bij mij dit gevoel op. Heeft dit
te maken met onze persoonlijke band en mijn waardering voor je werk? Of is er
werkelijk iets in je werk aanwezig dat dit oproept? De manier hou je met ruimtes
omgaat in een museum of in het openbaar, is heel vaak gekenmerkt door een vorm
van generositeit. Je manier van kijken en benaderen is niet formeel
gearticuleerd, maar omvat een menselijke subjectiviteit die de ruimte benadert
als een zich ontwikkelend en veranderlijk psychologiserend wezen. De ruimte
nodigt uit tot een gesprek, een dialoog komt er pas vanuit een open ervaring die
zich manifesteert als genoegen. Niet de bravoure van de technische geometrie,
maar de virtuositeit van de kleine aarzelende geste en uitgesponnen handeling
bepalen je permanente conflict tussen ruimte, tijd en identiteit. Ik dank je,
Bart.
Philippe Van Cauteren, Gent,
november 2007 |