Bart Lodewijks

<< BACK TO BART LODEWIJKS

 

 

 

Gent, augustus en september 2008

Beste Philippe,

Om te beginnen aan deze brief wilde ik wachten tot het einde van
het project. Welke reden ik voor dat wachten heb? Geen. Hooguit
wachtte ik totdat mijn ideeën, voornemens, handelingen en
resultaten een zekere plek zouden gaan innemen. Zoals rollende
stenen pas een definitieve plek krijgen nadat een lawine tot stilstand
komt. Maar stilstand, wat zo’n werkbaar moment lijkt voor het
schrijven van een brief, bleef uit.
Als ik naar een antwoord zoek op jouw vraag wat het betekent om
vier maanden te tekenen op muren in een woonwijk die Moscou
heet, vind ik geen antwoord, maar kom wel tot een belangrijke
nuance die betrekking heeft op tijd. Na vier maanden werd het
project verlengd met nogmaals vier maanden. Toen er acht
maanden voorbij waren, werd besloten dat het goed was als het
project één jaar zou bestrijken. Hierdoor bestaat het geheel uit drie
episodes. En wie weet zijn drie episodes een inleiding tot een
levenslang verblijf in Gent.
Door de trilogie verschoof mijn aanwezigheid als gastkunstenaar van
het S.M.A.K. naar die als bewoner van de stad Gent. Vanwege deze
verschuiving kreeg het project een geheel andere tonatie dan
wanneer het bij een verblijf van korte duur gebleven was. Je sprak in
een eerdere brief over het belang van duurzame relaties. In dit geval
is er sprake van een relatie tussen een kunstenaar en een stad die
langzaam de zijne wordt. Mijn brief gaat erover dat alle stenen in
deze stad duurzaam aan het rollen zijn zoals in een lawine. Over het
uitzetten van paden, en over zekerheden en heenkomens in een
voortdurend veranderende orde in een buurt als Moscou.
Aan de muur van jouw appartement hangt een brief van het Britse
koningshuis. Het is een antwoord op jouw vraag aan de Britse
koningin of je koning mag worden. Ze schrijft terug dat er momenteel
geen vacatures vacant zijn. De brief is ingelijst, er zit een kader
omheen als een soort kroontje.
Je vertelde hoe je als kind je eerste museumbezoek ervoer. Aan de
muur hing een schilderij. Een groot werk, maar in verhouding tot de
architectuur van het museum was het schilderij piepklein. Het
museum was een overweldigende lijst waardoor niemand het belang
van het schilderij meer kon onderschatten. Zó belangrijk zijn dat men
iets om je heen bouwt, een kasteel bijvoorbeeld, dat fascineert.
Vandaar je interesse voor het Britse koningschap. Het is logisch dat
belangrijke schilderijen in grote lijsten hangen in musea en dat het
koninklijke respons een kader krijgt in je appartement.
Aan mij heb je een opdracht gegeven om werk te maken waar geen
kader omheen kan. De opdracht gaat zelfs volledig voorbij aan het
gegeven dat er iets bewaard kan blijven. De tekeningen in Moscou
zijn immers efemeer: ze zijn met schoolbordkrijt aangebracht op
muren en huizen. Sommige tekeningen lopen via de buitenkant van
huizen en verdwijnen vervolgens in huiskamers en keukens van
families, duiken dan weer op en bestrijken delen van een straat. Het
krijt wordt door de regen weggespoeld of door de bewoners
weggewassen. Wat overblijft zijn foto’s van de krijttekeningen die
documentair van aard zijn en bedoeld om te publiceren.
Ik heb er vrede mee dat het echte werk, ofwel de muurtekeningen,
na verloop van tijd worden weggevaagd. De tekeningen zouden
nooit bestaan hebben als ze niet konden verdwijnen. Simpelweg
omdat ik van veel locaties geweerd was als de ingrepen permanent
waren. Bewoners stemmen toe in het aanbrengen van tekeningen
op hun huis omdat krijtlijnen op den duur ‘vanzelf’ weer verdwijnen.
Krijt is een bros en onschuldig materiaal. Maar mijn tekeningen
hebben niet dezelfde onschuld als die waarmee kinderen (de
gangbare gebruikers van krijtstaven en krijtpijpjes) hun fantasie op
stoepen en straten projecteren. Wel breiden de tekeningen zich op
een soortgelijke manier uit. Aan de buren van een huis dat ‘af’ is,
vraag ik of de tekening voortgezet mag worden op hun gevel. Soms
benadert een bewoner vanzelf zijn buren. De omvang van de
tekeningen en de bereidheid van de buurt om mee te werken, neemt
naarmate het project langer duurt, almaar toe.
Aan het einde van de tweede episode kwam jij op werkbezoek. Door
jouw ogen zag ik de restanten van weggevaagde, voltooide en deels
voltooide tekeningen op de gevels van huizen staan. We bezochten
een huis waar een tekening op de buitengevel zich voortzet op het
behang in de huiskamer. Voor enkele huizen waarvan de gevels nog
niet betekend waren stonden we eveneens stil. Zichtbaar werd hoe
ik me al maanden rondwentelde in een wereld van huizen, bewoners
en krijt, een mengsel dat jij stedelijk weefsel noemt. Tijdens het
werkbezoek gaf het aanschouwen van de krijttekeningen op de
gevels van de huizen mij het kriebelige gevoel van verstoven zand
dat overal tussen gekropen is. Het geheel aan tekeningen laat zich
steeds minder makkelijk traceren. En dan opeens, te midden van alle
plekken die met krijt zijn aangeraakt, zeg jij een van de tekeningen te
willen onderbrengen in de collectie van het S.M.A.K. Hoe kan het
vergankelijke met het permanente in rijm worden gebracht? Kan een
verwaaide krijtlijn wel bewaard worden?
Mijn eerste reactie is praktisch: ‘Dat gaat niet, dat is te duur. Je zou
zo’n betekende gevel alleen kunnen onderbrengen in de collectie
inclusief het huis zelf.’ Ik vraag mij af: zou mijn werk niet in galeries
hangen omdat je er een huis bij zou moeten kopen? Dan bedenk ik
mij: het kan ook anders. Ik denk aan jouw brief aan de koningin, of
eigenlijk aan haar antwoord. Dat wanneer er een lijst om een brief zit
de boodschap daarvan belangrijk moet zijn, zoals het piepkleine
schilderij in het museum. Maar wat heb ik aan lijsten in Moscou? De
bewoners zouden het aanzien voor brandhout en er hun huizen mee
verwarmen.
Mijn eerste krijttekening was bestemd voor de Koningin van Oranje.
Terwijl ik student was aan de kunstacademie in Breda werd het
nieuwe gebouw geopend door de koningin. Daags voor haar komst
tekende ik voor de entree van de academie een meters lange loper
van oranje stoepkrijt. Toen de koningin over het krijt schreed om met
een schaar het lint door te knippen, riep ik haar toe: ‘Majesteit, u
staat bij ons in het krijt!’ Gedurende de dag verdween de loper
geleidelijk onder de schoenzolen van de bezoekers en werd het krijt
uitgelopen door het hele gebouw. De volgende dag verscheen er op
de voorpagina van de krant een foto van de koningin, waarop ze
geschrokken naar haar schoeisel kijkt. Dit krantenartikel hangt aan
de muur van mijn kamer.
Zoals de oranje loper voor de koningin gaat al mijn werk over het
verkennen van een omgeving, het inbreken in of toe-eigenen van een
klein stukje wereld. Over de vraag om gast te mogen zijn of om
gasten te mogen ontvangen. Als ik vanuit het Moscou-viaduct op de
wijk neerzie bestaat het zicht uit het kriskras door elkaar lopen van
publiek, gemeenschappelijk en particulier domein, en grenzen die
daartussen zijn opgetrokken. Door gebruikers, die plekken door
middel van schuttingen afschermen, of door omhoog geschoten
heggen, die verwaarloosde grond aan het oog onttrekken. Op de
muren staan hier en daar krijtlijnen of resten daarvan, die zich niets
lijken aan te trekken van hoe en door wie een plek gebruikt wordt.
Na het werkbezoek noemde je mij de burgemeester van Moscou.
Het zou een uitdaging zijn om een sollicitatiebrief te schrijven voor
deze vacature en het antwoord in Moscou openbaar te maken. Ik
zou een kader laten opmeten waarbinnen het antwoord past. Wat ik
zou doen als burgemeester? Evenals de krijtlijnman zou ik in een
bestuurlijk ambt niet als regisseur optreden, maar als gebruiker van
de ruimtelijke orde. Als een gebruiker die de grenzen tussen privé,
gemeenschappelijk en publiek weliswaar overschrijdt zoals de
krijtlijnen doen, maar zonder doel om, net zoals de meeste
bewoners, ook maar iets blijvend te veranderen.
De krijttekeningen hadden overal gemaakt kunnen zijn, al passen ze
in Moscou precies. De tekeningen zijn een soort zachtmoedig
anarchisme jegens eigenaars, vergunningen en autoriteiten. Als
burgemeester zou ik alles in het werk stellen om niets te veranderen
in Moscou. Dit schrijf ik terwijl zojuist bekend gemaakt is dat de stad
Gent 25 miljoen euro gaat investeren in Ledeberg, het stadsdeel
waarin Moscou ligt.
In het boek Il Gattopardo van Giuseppe Tomasi di Lampedusa
spreekt een prins uit dat er veel moet veranderen, wil alles bij
hetzelfde blijven. Ofwel in het geval van de krijtlijnen: er moet veel
gebeuren wil iets dat vanzelf verdwijnt behouden blijven. En in dit
citaat ligt de moeilijkheid verscholen van het antwoord op jouw vraag
hoe een krijttekening die wordt blootgesteld aan weer en wind, in
jullie collectie te bewaren is.
Toen de koningin over het oranje krijt schreed, toornde het nieuwe
academiegebouw boven de kunstenaars in spe uit als een
bijpassende omlijsting. Als een vesting, inclusief een omzoomde
gracht en hekwerk. Tussen de bezoekers die over de loper naar
binnen liepen bleef ik buiten staan, in wat momenteel de rokerszone
heet. Ergens moet toen tot me doorgedrongen zijn dat ik de loper
voor mezelf andersom uitgetekend had. Mijn route leidde van binnen
naar buiten. Net als in 2005, toen ik in het S.M.A.K. bij de opbouw
van de tentoonstelling één dag overhield en de tekening die in het
museum begon, afmaakte op een muur in de Stoofstraat. Jij hebt
toen wellicht gedacht: die wil helemaal niet in het museum blijven,
die wil veel liever naar buiten. Vandaar dat je me twee jaar later voor
Moscou benaderde en nu, om de tijdslijn gespannen te houden,
rooksignalen stuurt en het museum weer onder de aandacht brengt.
Oscar Wilde schreef: ‘Van al wat floreert, tiert wat woekert het
weligst.’ We staan in de Eugeen Zetternamstraat, omarmd door het
rangeerterrein van de NMBS. Huisnummer 11 is een voormalig
spoorwachtershuis en rijst op als de enige zelfstandige woning. De
rest van de straat zijn rijwoningen, zoals in heel Moscou. Vanaf mijn
eerste bezoek aan Moscou beschouw ik het spoorhuis als de as
waaromheen het project draait. Beeld je eens in dat zoals eeuwen
geleden katholieke kerken gebouwd werden in streken die nog
godsvruchtig moesten worden, rondom dit spoorhuis Moscou
gebouwd is, een parochie die steeds meer zielen ging tellen. Terwijl
Moscou nog moest groeien, nam een spoorarbeider zijn intrek in het
huis. Deze huurder, die inmiddels gepensioneerd is en zo goed als
doof, wroet met een spade in de grond, verbrandt bladeren, zet de
hele wijk in de rook en leeft koppig verder zonder acht te slaan op de
treinen die twee meter langs zijn huis voorbij denderen. Met de jaren
nam het lawaai toe, maar voor hem werd het almaar stiller.
Het werd winter, lente, zomer en ik stond telkens voor het spoorhuis
als iemand uit vroegere tijden die daar op een trein wachtte. Door
mijn wachten en dralen kreeg het huis iets onaantastbaars. Ik
staarde me blind op het pand, dat ik vanwege zijn authenticiteit zo
graag wilde betekenen. Welke ingreep zou het huis goed doen?
Het tekenen leed in zijn geheel onder de aarzeling die hier opwelde.
Ook op andere tekenlocaties vielen parallellen van aarzeling te
trekken, als een virus dat zich uitzaaide en knaagde aan het
fundament. Er waren dagen dat ik thuisbleef en heil zocht in
administratief werk. Of dagen dat ik dankbaar was dat het regende
en er niet opuit kon trekken. Er groeiden inmiddels braambessen
rondom het huis toen ik mijn aarzeling overwon.
De gepensioneerde verstond mij amper. Hij knipperde met zijn ogen
tegen de zon. In plaats van gedempt sprak ik luid, zoniet
schreeuwend in zijn oor, om de toedracht van mijn bezoek kenbaar
te maken. Hij knikte. Ik mocht op zijn gevel tekenen wat ik wilde,
zolang het maar niet met verf was.
De schop en de spade bleven in de tijd die volgde tegen het huisje
staan. Terwijl ik voorttekende op de gevel bleek de oude man ziek en
werd hij opgenomen. De lijnen die ik diagonaal over de voor- en
zijgevel tekende, maakten het huis visueel onderdeel van de
elektriciteitskabels van het aangrenzende spoorwegstelsel. Het huis
leek zich door de krijtlijnen in beweging te zetten, kreeg vaart zoals
de wagons die dagelijks passeren en door locomotieven worden
aangeduwd.
Een aantal weken verkeerde ik te midden van familieleden die
vreesden dat, mocht de oude overlijden, het huisje niet zou blijven
staan. Hij keerde terug van het hospitaal om de aardappels te rooien
en het onkruid te wieden. Wiebelend op zijn spade gaf hij me
toestemming om de tekening waarmee ik buiten was begonnen in
zijn woonkamer te voltooien.
Opnieuw verschijnt er een koningin. Een portret van koningin Astrid,
opgetekend uit houtskool, hangt in een lijstje boven de eettafel in de
keuken van de oude man. Hij stelt haar zonder te blikken of te
blozen voor als zijn vrouw. Als een vrouw van het volk, dus ook van
hem. Thuis lees ik de geschiedenis erop na. Als koningin Astrid een
hartverscheurende verzoekbrief kreeg, besloot ze persoonlijk de
zaak te volgen en ging ongedwongen op onderzoek uit. Net zo
ongedwongen als ik op onderzoek uitgestuurd werd door het
museum, maar dan zonder dat een verscheurende verzoekbrief
daartoe aanleiding gaf.
Jij richtte je bij aanvang van het project in een brief niet tot één
persoon, maar tot alle bewoners van Moscou. De brief introduceerde
het kunstproject aan de wijk. Ik denk dat de meeste bewoners de
brief niet hebben gelezen of opgemerkt. Zoals het merendeel van de
bewoners onberoerd bleef bij de eerste krijttekeningen die
aangebracht waren op muurtjes die iedereen en niemand
toebehoren. Pas toen ik een bewoner persoonlijk aansprak, ging de
voordeur verder open dan een kier.
Het is weer augustus geworden, de maand van het oogsten, een
jaar sinds het eerste aankloppen bij het spoorhuis. Het heeft zowel
op de buitengevel als binnen op het behang krijtlijnen staan. De oude
man kapt houtjes in de tuin en de spoorarbeiders leiden wagons
heen en weer. De krijtlijnen op het behang in de woonkamer
eindigen daar waar ze het interieur raken, zoals de leuning van de
fauteuil, het kader van het portret van koningin Astrid en een
ingelijste puzzel van een Zwitsers landschap. De oude man sloft door
het huis en zegt: ‘Gij zeit vrij.’
Er zit om het huis een soort tijdskader dat met zijn leven
samenhangt. Tijdens het tekenen probeer ik mij voor te stellen dat de
krijtlijnen het spoorhuis beschermen tegen de toekomstige afbraak,
als een soort kabels die het casco verankeren. Een beschermde
status geven aan een bijzonder huis zou binnen de macht van de
burgemeester van Moscou moeten liggen. Het huis is een decreet
opgetekend uit krijt.
Wat gebeurt er wanneer de krijttekening getaxeerd wordt als
onlosmakelijk deel van het huis? De spoorwegen en het S.M.A.K.
zouden een mogelijke constructie samen aan een tafel kunnen
bespreken.
Bart Lodewijks

TOP