|
|
Gent, 24 maart 2009
Geachte spoorwegdirecteur,
Geachte heer Haek,
Sinds enige tijd loop ik rond met het idee om u een brief te schrijven.
Onze werkzaamheden liggen ver uiteen: terwijl u met uw werk het
hele Belgische landschap doorkruist, breng ik als kunstenaar in
buitenwijken van steden een aaneenschakeling van tekeningen aan.
Het zijn rechte lijnen, die met schoolbordkrijt en een meetlat
getrokken worden op straten, muurtjes en gevels van huizen, met
toestemming van de bewoners. Niet te verwarren met
graffiti, want de tekeningen zijn niet illegaal en protesteren niet. Het
zijn evenmin tekens zoals de pijlen en getallen die spoorarbeiders
achterlaten op bielzen en treinmaterieel. Mijn (krijt)sporen vormen een
veel minder gepland traject dan het spoornet, al leiden ze evenzeer
naar allerlei bestemmingen.
De locaties waarop ik anderhalf jaar geleden in opdracht van het
S.M.A.K. (Stedelijk Museum voor Actuele Kunst) begon met tekenen
liggen allemaal in de Gentse wijk Moscou. Die wijk is u wellicht
bekend als locatie waar de treinwerkplaats Ledeberg ligt, of van de
film Aanrijding in Moscou. In Moscou zijn de tekeningen zich gaan
vermengen met het terrein waarover u de baas bent. Nu mijn werk er
bijna geklaard is, wordt het tijd om te u te vertellen waarover de
tekeningen gaan en uit de doeken te doen waar ze precies
gedomicilieerd zijn. Mijn bedoeling met deze brief gaat echter verder
dan dat.
Uw aandacht vraag ik voor een van uw eigendommen: een met
sloop bedreigd spoorwachtershuis, dat wordt bewoond door een
gepensioneerde medewerker van uw bedrijf. Op de gevel van dit
huis bracht ik een tekening aan, die doorloopt op het behang
binnenskamers. Het S.M.A.K. wil de tekening op het spoorhuis als
kunstwerk behouden door het op te nemen in haar collectie. Om
deze reden klop ik nu aan bij u, met de vraag om het spoorhuis voor
afbraak te behoeden. Het traject dat naar dit spoorhuis en tot dit
verzoek leidde, staat in deze brief beschreven.
———————— ——————
Mijn naam is Bart Lodewijks en het S.M.A.K. bezorgde mij een hoop
werk toen ze vroegen of ik een kunstproject wilde opzetten in de
openbare ruimte van de wijk Moscou. Ik trof daar een buurt aan die
omarmd wordt door rails en spoorwissels. Het spoor fungeert als
een kader, zoals een lijst om een schilderij. Moscou is een
geïsoleerde wijk die bereikbaar is gemaakt met een viaduct en een
voetgangerstunnel, of anderszins via een wirwar aan door woon-
werkverkeer ingesleten straten. Het is een arbeiderswijk zoals er in
België honderden bestaan. Een weinig verheffende dagelijkse
realiteit, waargenomen door duizenden treinreizigers per dag, die de
buurt doorsnijden.
Waarom kreeg juist ik deze opdracht?
Welnu, het museum zag in mij een soort omgekeerde inbreker. Niet
als een dief die in de nacht eropuit gestuurd wordt om iets te stelen,
maar als een indringer die op klaarlichte dag toeslaat en in plaats van
iets mee te nemen zijn sporen zo onberispelijk mogelijk achterlaat.
Daarbij doel ik op de krijtsporen, ofwel mijn tekeningen op muren en
huizen, die makkelijk uit te wissen zijn waardoor niet te verwachten is
dat bewoners er moeite mee hebben dat hun huis of straat
ondergekalkt wordt. Zouden de bewoners slechts medewerking
verlenen omdat alles makkelijk weggewassen kan worden? Met het
vertrouwen dat mijn wijze van binnendringen in privédomeinen
ontstaat in overeenstemming met bewoners, werd ik door het
museum losgelaten tussen de treinrails, de voetgangerstunnels en
straten onder het Moscou-viaduct. De buurt die ik in mijn handen
gedrukt kreeg, gedroeg zich echter als een olifant die geen stap uit
zichzelf zou verzetten.
Mijn hoop om toegang te verkrijgen tot een buurt die waarschijnlijk
liever geen verandering wil, was gevestigd op het gebruik van krijt als
werkmateriaal. Van krijt gaat geen dreiging uit, het is onschuldig
materiaal. Krijttekeningen kunnen geen blijvende veranderingen
brengen aan het uiterlijk van een wijk. Krijt verwaait, het verregent,
het verbindt zich nauwelijks. Als een krijttekening hecht dan is dat in
het hoofd, als een herinnering.
Mijn verwachting dat de bewoners enige toenadering tot mij zouden
zoeken werd niet beantwoord, noch het verlangen naar de koffie
waarop een stratenmaker zich kan verheugen. Met witte krijtstaafjes
bracht ik tekeningen aan op lage muurtjes die aan iedereen en
niemand toebehoren. Weinig opvallend en met de rug naar de straat
gekeerd (omdat je slechts in die fysieke staat muren kan betekenen)
werkte ik voort zolang niemand vragen stelde. Bijvoorbeeld aan de
tekening op de muur van betonnen platen die de werkplaats van uw
bedrijf uit het zicht houdt van de Jules de Saint-Genoisstraat. Het zijn
dezelfde klassieke Vlaamse muurtjes die in de schilderijen van Raveel
opduiken. Pas toen een voorjaarsbui het krijt van de betonnen platen
vaagde, ijverden kinderen uit het eerste leerjaar van de buurtschool
naar de betreffende muur en brachten de lijnen in kleurkrijt terug in
het straatbeeld. Dit inkleuren van de deels vergane krijtlijnen vond
plaats buiten mijn medeweten om. De dialectiek tussen mij en de
buurt kwam op gang zonder dat ik er erg in had. De olifant waarvoor
ik de wijk had aangezien, bleek veel minder een dikhuid te zijn en
begon wis en waarachtig uit zichzelf te lopen.
Leerlingen van de buurtschool hadden hun klaslokalen versierd met
kleefwerken die bomen voorstelden, samengesteld uit geknipte
vierkantjes, cirkels en driehoeken. In mijn ogen geometrische
constructies, verwant aan de tekeningen die ik aan het uitzetten was
in de wijk. Een van de kleefwerken tekende ik na op de gevel van
een huis tot de omvang van een echte boom. De boom op de gevel
werd een verbindende schakel tussen mij en de buurt toen de
kinderen onderaan de stam kerstbomen met pieken en ballen
begonnen te tekenden. Ouders kwamen de resultaten van hun
kroost bekijken. De foto’s die de schoolleiding van de tekeningen
maakte, werden verstuurd als kerstkaart.
Traag, alles begon langzaam en kreeg dan vaart om vervolgens weer
uit te doven. De koplampen van de rangerende locomotieven boren
zich ’s ochtends door een laag van mist in Moscou heen. Bij de
bewoners deed ik er geen navraag naar, maar ik veronderstel dat zij
op den duur de witte krijtlijnen zagen als stofdeeltjes die net zo
vanzelfsprekend op hun gevels neerdwarrelden als het roet van de
locomotieven.
De constellaties krijtlijnen, waarvan onduidelijk is wat ze voorstellen
of waarnaar ze refereren, riepen bij de bewoners in plaats van
uitsluiting een mate van generositeit op. Soms verdacht ik ze ervan
dat ze mij lieten begaan uit nonchalance, alsof het ze niets kon
schelen hoe hun gevels eruitzagen. De tekeningen zijn het meest
vergelijkbaar met migranten die zich aanpassen en tegelijkertijd
zichzelf blijven. Ze horen niet bij de buurt maar maken er wel deel
van uit. De tekeningen plooien zich, vinden gastvrijheid in de wijk via
het gesteente van de huizen, de architectuur en de sociale toegang
die door bewoners gegeven wordt.
De eerste weerstand waarop ik stuitte kwam na driekwart jaar. Een
bewoner kwam naar buiten en vroeg wat het te betekenen had op
zijn gevel. Hij was kwaad. Alsof ik op zijn gezicht getekend had terwijl
hij sliep. ‘Uw vrouw vond het goed, toen ik gisterenmiddag
aanbelde’, zei ik. ‘Mijn vrouw vindt alles goed, ze is niet goed wijs’,
foeterde hij. Toen hij zag dat de krijtlijnen afwasbaar waren, nodigde
hij me uit voor een lunch in zijn huis en probeerde mij te bewegen
parfum te verkopen – zijn bijverdienste. Of dat niet ook iets voor mij
was, parfum verkopen? ‘Jij komt zoveel mensen tegen tijdens je
werk, dat je rijk zou kunnen worden’, zei hij. Ik nam de doos parfum
mee omdat geur net zo vluchtig is als het krijt waarmee ik zijn huis
betekend had. De gevel van zijn huis was te klein voor de tekening,
dus belde ik aan bij de buren met de vraag of zij het goed vonden
dat hun gevel ook betekend werd.
Op deze wijze breidde de tekening zich uit van buur naar buur, van
huis naar huis. Als iemand niet wilde meewerken sloeg ik het
betreffende huis over. Sommige tekeningen liepen langs de
buitenkant van huizen, verdwenen in huiskamers en keukens van
families, doken dan weer op en bestreken delen van een straat. De
tekening groeide naar gelang de gastvrijheid van de bewoners
toenam.
Toen ik aan deze brief begon, had ik net zo’n moeite om me tot u te
richten als in het begin tot de nog onbekende bewoners van
Moscou. Het indrukken van een voordeurbel ging bij mij gepaard
met een combinatie van overtuiging en gêne, bevreesd als ik was om
door de bewoner niet begrepen te worden. Bevreesd dat als de
voordeur voor mijn neus werd dichtgetrokken, ik op straat zou staan
als een kind met als enige houvast de krijtstaven in zijn knuistjes.
Op zolderkamers en bovenverdiepingen in Moscou kom ik vaak
spoorminiaturen tegen, compleet met woonhuizen en voormalige
spoorhuizen. Ze zijn nagebouwd door oudgedienden van uw bedrijf,
die er nog altijd goederen door complexe infrastructuren loodsen.
Vaak is in de miniaturen meer ruimte tussen de huizen en het spoor
dan in de werkelijkheid. Buiten op het echte spoor glijden wagons,
aangestuurd door een onzichtbare hand, rakelings langs sommige
huizen. Ik zou graag uw blik willen laten inzoomen op de
Zetternamstraat, het meest ingesloten deel van Moscou. De
uiteindes van de straat worden doorkruist door rails, waardoor het
lijkt alsof de treinen via de achtertuinen dwars door de huizen de
straat oversteken. Het is geen miniatuurlandschap of afgietsel van
een vroegere, kleinere werkelijkheid, al doet het voormalige
spoorwachtershuis op nummer 11 wel daaraan denken. Dit is het
enige vrijstaande huis van de straat, pal langs het spoor, bewoond
door de gepensioneerde, vrijwel dove spoorarbeider Louis de Bock.
Het wachthuis werd ooit door uw bedrijf opgetrokken uit degelijk
materiaal, en toen het veertig jaar geleden zijn dienst bewezen had,
verhuurd aan De Bock. Soms kun je hem onkruid wiedend
aantreffen in de moestuin waarmee zijn huis omzoomd is.
Met de kerstkaarten van de school in mijn hand bracht ik het eerste
bezoek aan de mij toen nog onbekende Louis. De lakens die boven
de slabedjes hingen te wapperen, hadden mij het signaal gegeven
dat er iemand thuis was. Dat bleken twee mensen te zijn, want de 82
jaar oude man werd verzorgd door zijn dochter Marina. Zij vertelde
dat haar vader in zijn werkzame leven met spoorbielzen had
gesjouwd, waarvan in de moestuin tegenwoordig nog enkele
restanten dienst doen als paal voor de waslijn.
Toen ik hem een kerstkaart overhandigde, bekeek hij die als een
conducteur die een gaatje in een treinkaart zou aanbrengen. De
wenskaart van de kinderen maakte hem gelukkig, liet hij blijken. Hij
toonde foto’s van zijn kleinkinderen, terwijl zijn dochter kopjes
Senseo en biscuitjes voorschotelde. Het gebeurde die middag dat
Louis zijn huis beschikbaar stelde om te worden betekend met krijt.
Vanaf die dag raakte ik gestationeerd in het spoorhuis.
Slecht ter been als Louis was, zag hij niet wat ik aan de achterzijde
van het huis op de gevel tekende. Totdat hij op een goede dag een
ommetje maakte en ontdekte dat de tekening het gehele oppervlak
van de gevel besloeg. Ik moest alles stopzetten en kreeg te horen
dat hij grote problemen voorzag met de spoorwegen. Er zouden
vragen komen. Per slot van rekening huurde hij het huis. ‘Het huis
staat niet meer op de kavel’, vertrouwde hij me toe. ‘Door uw lijnen
valt het des te meer op dat het er nog is. Als ik naar een kliniek ga of
naar een zorghuis gestuurd wordt, gaat het huis eraan. Ik heb niet
het eeuwige leven. Als mensen gaan kleppen over uw lijnen krijgen
ze er bij het spoor lucht van.’ Zijn dochter gebaarde dat ik niet mocht
wanhopen. Haar vader had niet begrepen dat mijn werkmateriaal
vergankelijk was.
Daags daarna kon ik mijn tekening weer hervatten. Louis had een
nacht gepiekerd en een weerwoord verzonnen op moeilijke vragen
over krijtlijnen. Als de spoorwegen hem ter verantwoording riepen,
zou het voorwendsel luiden dat het krijt deel uitmaakte van een
isolatietechniek, een laksoort waarmee het huis voorbereid werd op
de aankomende winter. De huissleutel werd mij in bewaring
gegeven, mocht hij noodgedwongen naar de kliniek vertrekken en
het huis onbemand achterlaten.
De vrijheid die Louis mij liet was immens. De tekening bestreek niet
alleen de buitengevel maar mocht op het behang in de woonkamer
en op de eerste verdieping tot in het slaapvertrek doorgetrokken
worden.
In de zomer zat Louis op een omgekeerd emmertje voor zijn huis en
gaf toe dat hij de tekening op de buitengevel niet schoon vond. Dat
lag volgens hem niet aan mij, maar aan de tussenvoegsels van het
huis. Als iemand van de spoorwegen zou komen om zijn mening te
vragen dan zou hij mij verdedigen door te zeggen dat de voegen van
het huis te grof gemetseld waren. ‘Daar kan de kunstenaar niets aan
doen’, zou hij benadrukken. Het speet hem dat het slechte voegwerk
ten nadele van de tekening was. Maar de nieuwe status die het huis
door toedoen van de tekening in de buurt gekregen had, beviel hem.
Moscou is een wijk die ik al tekenend binnentrok. Aanvankelijk met
mijn rug naar de bewoners toe gekeerd. Anderhalf jaar later lukt het
moeizaam om me van de wijk, die in het begin onaantrekkelijk
overkwam, af te wenden. Veel tekeningen regenden na verloop van
tijd van de huizen af, maar het weer heeft weinig invloed op de
tekening die op het spoorhuis zit. De gevel ligt uit de wind, waardoor
de regen elders neervalt. De tekening heeft tijd gehad om in
het slechte metselwerk van de gevel te trekken. ‘Het geluk zit hem in
de relatie tussen de ligging van het huis, het voegwerk en de
tekening. Maar vooral in onze ontmoeting,’ vertel ik Louis.
———————— ——————
Het museum heeft het hele proces in Moscou op de voet gevolgd en
directeur Philippe van Cauteren toont belangstelling om de
krijttekening op het spoorwachtershuis onder te brengen in de
collectie van het S.M.A.K. Maar hoe kan dat als het krijt vastzit op
een gevel en nota bene binnenskamers op het behang doorloopt?
Het S.M.A.K. is gespecialiseerd in zaken die moeilijk kunnen
bestaan, en in wat een kort leven beschoren is toch voor de
eeuwigheid te behouden. Een groot deel van de museumcollectie
valt lastig te conserveren omdat het ‘Arte Povera’ is: gemaakt door
kunstenaars die hun wereldbeeld uitdrukken in vergankelijke
materialen. Kunst die ook nog eens vaak in de openbare ruimte
functioneert. Het krijt op het spoorhuis sluit aan bij het gedachtegoed
en de missie van het museum.
Toen de bewoners van het spoorhuis mij mededeelden dat hun huis
formeel niet meer op de kavel stond, schrok ik. Eerder in deze brief
schreef ik over treinminiaturen en stelde ik me in stilte voor hoe
gemakkelijk het is een huisje van een kavel op te tillen om plaats te
maken voor iets nieuws. U bedient echter geen minitransformatoren
en u voert reparaties niet uit met secondelijm; u speelt net zo min
met treintjes als ik met krijtjes.
Nu deze brief bijna af is, lees ik in de krant dat de komende tien jaar
de helft van de personeelsleden van NMBS met pensioen gaat. U
stelt dat verjonging een grote opportuniteit is om een aantal
belangrijke wijzigingen in de bedrijfscultuur door te voeren. ‘We
moeten ons als bedrijf ook openstellen naar wat er buiten onze
muren leeft. We moeten leren luisteren naar de buitenwereld. Naast
beroepen die rechtstreeks aansluiten bij de spoorwegactiviteit zoekt
de onderneming nog een veelheid aan talenten.’ De ruimte die u met
deze laatste zin opent heeft mij deze ochtend terug aan de
schrijftafel gebracht in de overtuiging het spoor dat naar u leidt
eindelijk gevonden te hebben.
Het zou binnen uw macht kunnen liggen om het spoorhuis een
bijzondere status te geven zodat het behouden blijft. Het verbond
tussen de tijdelijkheid en het permanente zou hierdoor verzegeld
kunnen worden. Mij alleen zou zoiets niet lukken. Ook het museum
niet. De spoorwegen, het museum en ik zouden in conclaaf kunnen
treden en bij genoeg daadkracht de blikken van de treinreizigers het
landschap in kunnen leiden. De reizigers blijven dan het vereeuwigde
krijthuis aantreffen, waar Louis de wereld aanschouwde vanaf zijn
omgekeerde emmer.
In afwachting van uw reactie,
met vriendelijke groeten,
Bart Lodewijks
|