|
|
Bart Lodewijks
TOUR DE TRIOMPHE
Toulouse 29-04 2007 Met een voorsprong van tien weken voordat de Tour de
France begint, ga ik van start. De route is globaal vrijgegeven; plaatsnamen van
start- en finish, een aantal dorpspleinen dat doorkruist gaat worden, een serie
cols. Meer niet. Op mijn bagagedrager drukt een gewicht van 35 kilo aan
kampeeruitrusting en proviand voor een week. In tegenstelling tot de sportmens,
laat ik me niet verzorgen in hotels. ’s Nachts blijf ik in het landschap waar ik
overdag doorheen fiets.
De trein van Toulouse naar de startplaats van de etappe die ik behoor af te
leggen, neem ik niet. Het weer is mooi, te mooi om enkele uren in een coupé te
zitten. Ik ben gretig; wil de zoemtoon van de fietsbanden op het wegdek horen.
120 kilometer verplaatsing neem ik daarom voor lief. Desnoods bereik ik vannacht
met verlichting het einddoel: de startplaats. Wielrennen is anders dan reizen.
Er is geen ploegleider aanwezig, zeker niet bij solo-reizen. Je wordt nooit
gelost, je wint nooit; er is niemand die wacht, je zwerft, er is geen finish. Je
verdwijnt landinwaarts, richting horizon.
Ik was vergeten hoe zwaar het fietsen eigenlijk is. Jaren geleden beleefde ik
deze inspanningen alsof ze bij me hoorden. Nu ervaar ik de hardheid van de weg;
de gemene steentjes, het staal en het aluminium van de fiets, het om het stuur
gezwachtelde lint waarop je de gehele dag met je handen rust. De onderdelen die
je vasthoudt, die er mooi uitzien; de remgrepen waarmee je vaart mindert. Het
zadel, het zeem dat na verloop van tijd als huid aanvoelt.
De eerste klim is kort, trap ik onder me weg zonder zwaar werk te verrichten. De
cadans blijft gelijk. Ik kan nog steeds fietsen, de kracht is in de loop der
jaren niet afgenomen. Deze overtuiging blijft tot een klim die meer is dan een
heuvel. De eerste kilometer blijft alles in balans en dan moet ik lichter
schakelen en kort daarna nog lichter. Dat is nieuw. De fiets verandert in een
apparaat dat ik meesleur de berg over. Nú al trekkend en duwend; te vroeg in
deze geschiedenis. Het gevecht is in volle gang, al kan ik echte pijn nog net
bewaren.
De bepakking is topzwaar omdat ik nooit op lichtgewicht ben overgestapt. De tent
is vijftien jaar oud, de tassen nog ouder. Alles is oud. Het is een verzameling
geschiedenissen die ik meezeul.
Alle wegen staan goed aangegeven met nummers. Dat was vijftien jaar geleden niet
zo. Toen verdwaalde je in Frankrijk; ik wist nooit waar ik was. Onderwijl rijd
ik een route die nog niet bestaat. Drie etappes van de komende Tour zal ik
verkennen. Omdat de route pas over een paar dagen wordt vrijgegeven, fiets ik
rechtstreeks naar Plateau de Beille: de finish van mijn laatste etappe. Eerst de
finish die vast ligt, daarna het ongewisse richting de startplaats Mazamet. Ik
speel niet vals, maar slim.
Cabanes 30-04 2007 Aan de voet van het Plateau barst een noodweer los. Ik
start stroomopwaarts, peddelend en tel de haarspeldbochten. Het zijn er veel, ze
lijken op elkaar; ik vergeet de aantallen, het is één geheel, een zee aan
haarspelden. Vanwege de bepakking lijkt het of iemand me tegenhoudt; zich uit
alle macht schrapzet om te voorkomen dat ik vorder. Om de bocht ga ik staan,
zoals de bomen langs de weg. Mijn wereld krimpt ineen tot paarse vlekken die ik
in de lucht waarneem. Tussen zitten en staan hijs ik me naar boven. Het idee van
afstappen neemt volledig bezit van me. Het wordt kouder en ondanks de hitte die
ik zelf produceer ril ik. Het zweet prikt in m’n ogen waardoor de paarse vlekken
kringen krijgen; aura’s die me begeleiden naar boven. Er is geen verkeer; voor
iedereen die ’s avonds terug moet keren naar huis is het te laat om naar boven
te gaan. Helemaal alleen zeg ik hardop losse woorden; een onsamenhangend gebed.
Het meest zeg ik ‘mama’. Ik weet zeker dat als ik een echte renner was dit woord
ook zou herhalen, wellicht prevelen. Het is een mooi woord, eigenlijk een naam.
Verder sterven mijn gedachten af. Bij kilometer 12 ben ik er nog niet. Het
blijken er 18 te zijn. Dan ben ik boven.
Een koude vlakte met een volledig verlaten gebouw, opgetrokken uit beton. Ik ga
op zoek naar water; onderzoek het gebouw, dat vergrendeld is. Drie
sneeuwschuivers staan dreigend naar mij gericht. Ik keer om, daal af naar een
kleine vlakte niet ver van de top uit het zicht van de sneeuwschuivers. Omringd
door hogere bergen en grijze rotsdelen, ijs en daarboven een dreigende lucht van
wolken en leegte.
Het koelt af, de nacht valt. Uit een stroompje tap ik water. In de tent kookt de
rijst over in een kommetje. Ondanks de paarse kringen heb ik onderweg naar boven
een drietal plekken gezien waar ik morgen naar terug wil om te tekenen.
Plateau de Beille 01-05 2007 Onafgebroken getik van regen op het
tentzeil. De koude lucht van buiten mengt zich bij vlagen in de tent met de
warmte die uit de slaapzak ontsnapt. Dit vast pogen te houden van de warmte; het
hoofd weggedraaid en toegedekt onder het dons, heeft niets met wielrennen te
maken. In de tent lig je dichter bij de neandertaler dan bij de atletische
renner. Het gaat erom dat de warmte niet verloren gaat. Verzorging ontbreekt;
het is een andere vorm van herstel; de nylon koersbroek en zeem voelt aan als
een dood dier. Het T-shirt dat gisteren nat van het zweet raakte, stinkt naar
ammoniak en is nog steeds nat. Alles wat syntetisch is verergert de stank.
Het is opgehouden met regenen; een intense stilte ligt om me heen. De wind is
gaan liggen. Weldra zal de dag aanbreken.
Gisteravond op de top zocht ik naar warme kledij. Deze vond ik onder de tent;
onhandig weggepakt zonder vooruitziende blik bij het vertrek, toen ik nog geen
notie had hoe koud het kon worden. Pakken is een kunst die je moet verstaan. Je
hebt pakkers met een vooruitziende blik; de verstandigen onder ons die meestal
thuis blijven. Je hebt sjorrers en zoekers. Ik behoor tot die laatste categorie.
Het verwoed zoeken in een veranderlijke ordening.
Het zou mooi zijn als het ophield met regenen zodat ik een tekening op het
wegdek kan achterlaten. Een voorbode aan de renners. Op een steil stuk, waar het
wegdek verticaal is als een muur. Triomphe de Plateau de Beille: een
aanmoediging, onderweg naar de Arc de Triomphe. De wielrenners rijden onder de
boog door waar de laatste eindstreep getroken is. Er is er één die daar
zegeviert, die de armen boven zich uitstrekt. De victorie, de winaar; degene die
boven de andere uitsteekt. De rest bereikt het eindpunt met de handen leunend op
het stuur; op wilskracht. Hun overwinning is de Triumf des Willens.
In de regen het kampement opgebroken en de daling ingezet. Regen uit de lucht en
opspattend water; nat tot op mijn middel. Vanonder de capuchon neem ik het
landschap waar, ineengedrukt door de wind. Ondanks de natte daling weet ik me op
mijn gemak te voelen. Van binnen ben ik warm, behaaglijk warm. Alles wat ik aan
kleding bij me heb, heb ik aangetrokken. Mijn voeten soppen alweer in de
schoenen, maar ik hoef amper kracht bij te zetten. Dalen gaat vanzelf. Het
lichaam is onder controle in deze groene zone. Er is niemand, het is half zeven
in de ochtend. De enkele boerderijen die ik passeer zijn dicht.
In een uitgestorven rock-café bestel ik een warme chocolademelk. Het blijft
regenen. Ik ontvang een SMS-bericht waarop de wegennummers doorgegeven worden
van de tijdrit bij Albi. Daar zit mijn vrouw achter, die denkt dat ik de Tour in
de juiste volgorde afleg. Dat ik morgen in Albi aankom. Hoe het me vergaat
tussen Montpellier en Castres. Ik baal dat de kans verkeken is op een
krijttekening bij Plateau de Beille. Krijt hecht niet bij nat weer. De Beille
wil mij niet.
In het café worden op een groot tv-scherm video-clips uitgezonden. Beelden van
bergen, groots en meeslepend; parachute-springende mensen die veilig landen in
een groene weide onder begeleiding van muziek. De beelden zijn volledig
tegengesteld aan de staat waarin ik verkeer. Buiten staat mijn fiets; een natte
band die geplakt moet worden. Eerst de bagage van het rek; wiel uit het frame.
Dan de buitenband van de velg halen en aftasten op zoek naar iets scherps.
Daarna de binnenband oppompen op zoek naar het lek. Plakken, oppompen,
binnenband terugleggen, buitenband om de velg drukken...
02-05 2007 Ax-les-Thermes De route naar de Beille is vandaag officieel
vrijgegeven, krijg ik op het GSM-scherm door. Naamplaatsen, wegennummers,
tussensprints. Er zijn geen geheimen meer onderweg. Op de laatste
doorkomstplaats, aan de voet van van de Beille, neem ik zonder af te stappen de
rotonde; draai recht omhoog het denkbeeldige peloton tegenmoet. Over elf weken
dalen de renners over deze flank af.
De helling is minder steil, maar leidt naar hoger gelegen delen, tot 2100 meter.
Ik zweet in de malliot en regenjas. Mijn voeten soppen in de smalle
race-schoenen; het miezert. Het gaat redelijk makkelijk; als ik het zo volhoud
hoef ik nergens tegenop te zien. En dan opeens, nog in het begin van de klim,
breekt er een spaak. Binnenkant achterwiel. Ik stop direct en neem de bepakking
van de fiets. Klem de pionafnemer tegen de achtervork en zet kracht op de
pedalen. Het kleine kransje komt niet los, de pionafnemer breekt in tweeën. Ik
zoek in het gras de kettingdeeltjes bijeen. Een kettingpalletje is losgeschoten.
Met enig technisch inzicht duw ik een ander palletje los en vervang deze met het
losgeschoten deeltje.
Dan pas zie ik dat de schade veel ernstiger is. Er zit een knak in de
achtervork. Zelfs de lak heeft losgelaten; ik kijk recht op het staal. Niet
alleen de spullen die ik bij me heb zijn oud; het is vooral de fiets die
versleten is. De fiets waarmee ik de halve aardbol rondreed; de fiets die zo
geruisloos rijdt, staakt nu de strijd. Aan het begin van een Pyreneeën-col,
vooruitlopend op de Tour die nota bene de col andersom neemt.
Ax-les-Thermes heeft geen fietsenmaker; ze repareren er skilatten en snowboards.
Het dorp is van de winter; het verkeert in zomerslaap. Wonderlijk genoeg staat
er een trein gereed die Foix als bestemming aangeeft. Ik stap in en
Ax-les-Thermes glijdt uit het zicht.
Het is laat als ik arriveer. Alle winkels zijn gesloten. Na de verwarmde
zitplaats in de trein krijg ik het op straat weer koud. In een zijstraat vind ik
een hotel: een zeer kleine kamer die ik met de scheerlijnen van de tent bespan
en daaraan al wat nat is te drogen hang. Het plan is om morgenvroeg in de
fietszaak te vragen het frame te lassen. Als het maar stevig is; het hoeft niet
mooi. Het wiel moet rechtgezet worden en ik moet niet vergeten een nieuwe
pionafnemer te kopen.
03-05 2007 Foix Le magasin de bicyclette ligt een aardig eind buiten het
stadje. Ik vervoer de fiets aan de hand en omzijl waterplassen. De knik in de
vork is niet te repareren, zegt de monteur. De knik zit te dicht bij de
oorspronkelijke lasnaden en die laten los bij verhitting van de buis. Wel biedt
hij aan om het wiel opnieuw te richten. In de richtnokken doet hij een
verschrikkelijke ontdekking. De velg is langszij gescheurd... Nu neem ook ik een
scheur van tien centimeter waar. Ondanks zijn staat van dienst mag het geen wiel
meer heten. Als ik dadelijk de winkel verlaat, stort de fiets in elkaar. De
monteur biedt god zij dank een nieuw wiel aan. Een aluminium legering, verhoogde
velgen, platgefreesde spaken. De oude buitenband past niet in de velg, dus komt
er een nieuwe band. Groen in plaats van zwart. De remschijven zijn door, dus ook
de remrubbers worden vervangen door groen in plaats van zwart. Behalve het frame
wordt alles wat stuk is vernieuwd. De monteur rekent alleen de materiaalkosten;
zijn arbeid krijg ik cadeau.
04-05 2007 Montpellier-Castres De zon breekt door; eerst waterig, daarna
overtuigder. Het wegdek onder mij droogt geleidelijk. Het is bemoedigend.
Tijdens de beklimming van de Col de Buis ervaar ik iets van een overwinning. Er
rijden teveel auto’s om een Triomphe de Buis op het wegdek te tekenen. Pas op
Montée de la Jeante vier ik mijn eerste triomf.
05-05 2007 Albi - Albi
Triomphe de Villefranche- d’Albigeois (I)
Triomphe de Villefranche- d’Albigeois (II)
Triomphe de Pont de Villefranche- d’Albigeois
06-05 2007 Albi - Albi
Triomphe de Côte de la Bauzié
Bart Lodewijks, 2007 |