Dennis Tyfus & Vaast Colson

<< BACK TO DENNIS TYFUS << BACK TO VAAST COLSON    << BACK TO LIST OF ESSAYS

 

 

 

Hans Theys

Als kleurrijk en gonzend afval
Over Vaast Colson en Dennis Tyfus


Inleiding

Onlangs werd ik door Metropolis M uitgenodigd een stuk te schrijven over twee Belgische kunstenaars: Vaast Colson en Dennis Tyfus. Een stuk over twee kunstenaars! Ik vraag mij af of ik zoiets wel kan schrijven, vooral omdat het hier gaat over twee mannen met heel verschillend werk. Ik weet waarover ik spreek. Al vijf jaar lang film ik hun bezigheden, nodig ik hen uit voor tentoonstellingen en schrijf ik teksten over hun werk. Toch deins ik terug voor de opdracht. Vooral het werk van Tyfus boezemt mij schroom in. Ik ben bang het te ontmannen, te versmachten in een steriele kartontaal of te herleiden tot dingen die al bestaan. Gelukkig herinner ik mij de woorden van de kunstenaar Panamarenko, twintig jaar geleden, waarmee hij mijn onmacht verzachtte en mijn ambtelijke benadering vergoelijkte: ‘Mijn werk is al lollig genoeg,’ zei hij, ‘je moet er niet bovenop liggen lollen.’


Kennismaking met Vaast Colson

Vaast Colson werd geboren in 1977. Hij studeerde schilderkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en deed een post-graduaat aan Post St. Joost in Breda, een studie die hij afrondde met een performance in Artis Den Bosch in 2001. Hij genoot voor het eerst grote publieke belangstelling door een zes dagen durende performance tijdens de Brussels Art Fair in 2003. In de stand van zijn galerie Maes & Matthys was maar één voorwerp te zien: ‘The Pink Sting’. Dit voorwerp, een rugzak, werd eigenlijk gedragen door Vaast Colson, die aan de buitenkant van de stand zes dagen lang tegen dezelfde wand stond. Deze performance is nog steeds kenmerkend voor het werk van Colson, dat je kan omschrijven als een nadenken over de plaats van de kunstenaar, een opzoeken van weerstand, een trachten naar ontmoetingen door bemiddeling van personages, een oefening in volharding en het proberen te vatten van een situatie in een beeld.

Een ander voorbeeld is een actie die hij vorig jaar deed als onderdeel van een televisieprogramma dat enkele weken lang de avonturen illustreerde van kunstenaars en amateurs die deelnamen aan een kunstwedstrijd. Aanvankelijk had het mij verbaasd dat Colson deelnam aan dit holle, tot mislukken gedoemde spektakel, maar zelf vond hij dat hij zoiets niet kon weigeren, omdat het deel uitmaakt van zijn plichten een plaats te bepalen ten opzichte van elk voorstel dat uitgaat van de gemeenschap. Uiteindelijk kneep hij een tube olieverf leeg op een tafel, ging ervoor zitten en vertelde de cameraploeg dat hij ging blijven zitten tot de verf droog was. Na enkele uren schoof de opnameleider hem een eerbiedig opgesteld briefje toe waarin hij vroeg hoe lang het nog ging duren. Dit briefje stelde Colson voor als bijdrage aan de wedstrijd.

In het algemeen is het werk van Vaast Colson buitengewoon precies en economisch opgevat. Na lang tobben, plannen, tekenen en schrijven, geeft hij snel en op een besliste manier vorm aan een sculptuur, een installatie of een actie, daarbij vaak bijgestaan door andere kunstenaars als Lieven Segers, Pol Matthé, Ben Meewis, Geert Saman, Dennis Tyfus of Stijn Colson, met wie hij de kraut-rock muziekgroep The Heavy Indians vormt.

Sinds 2000 heeft Colson onafgebroken gewerkt, vaak op uitnodiging van culturele instellingen die van hem een bijzondere actie of reactie op een bepaalde situatie verwachten. De aanleiding voor deze tekst is een dergelijke uitnodiging vanwege het festival zxzw dat van 13 tot 20 september 2009 muziek, film, hedendaagse dans en plastische kunsten naar Tilburg brengt en samen met Whatspace Vaast Colson heeft uitgenodigd vorm te geven aan een openingsact.

Op de site van zxzw staat te lezen dat de organisatoren hopen dat Vaast Colson op zijn beurt Dennis Tyfus zal uitnodigen. Wie is Dennis Tyfus?


Kennismaking met Dennis Tyfus

In Antwerpen klinkt zijn naam als een klok. Om de drie à vier dagen stuit je wel op een poster, flyer of sticker waarin een optreden wordt aangekondigd dat in de Scheld’apen of de Bar Mondial wordt georganiseerd door Tyfus’ uitgeverij en platenlabel Ultra Eczema. In Nederland kunt u in november kennismaken met zijn werk in Artis Den Bosch, waar hij als antwoord op November Music vier dagen lang muziek programmeert en vermoedelijk een editie-markt opzet. Verder toont de man schilderij-grote tekeningen in de galerie van Stella Lohaus (Antwerpen), maakt hij zelf muziek, ontwerpt hij platenhoezen en T-shirts en verzorgt hij elke zaterdagmiddag een fantastisch radioprogramma voor de Antwerpse lokale zender Radio Centraal.

Tyfus (1979) begon te tekenen op zijn vijfde en werd hierin gesteund door zijn ouders. Als tiener maakte hij een punkblad, later begon hij platenhoezen te tekenen voor groepen als Bul Bul, Monguito, Porn Robot, Monno, Doom, Pengo, The Japanese Karaoke Afterlife Experiment, TBTTBC, Almanak, Autistik Youth, Augsburger Tafel Confect, XBXRX, Total Shutdown, Cassini Division en Bohr Bug. In 2003 tekende hij 300 verschillende platenhoezen voor een single van de groep Trumans Water uit Portland. De hoezen werden tentoongesteld in Lokaal01 Antwerpen, rustend op drie rijen balken tegen de muur. Een jaar eerder had hij in een ruimte buiten het Antwerpse kunstcircuit een reeks tekeningen getoond die werden opgemerkt door Stella Lohaus, die momenteel een van de beste galerieën van Antwerpen drijft. ‘In 2002 zag ik een uitnodigingskaart voor zijn solotentoonstelling in de Luchtbal,’ vertelde ze mij, ‘en ik was meteen gefascineerd. We leefden in een cultureel klimaat dat bepaald was door bepaalde gruwelkelders en ineens ontdekte ik iemand die kinderen afbeeldde die niet onschuldig waren. Ik was wel al vertrouwd met het werk van mensen als Yoshitomo Nara, maar ik vond de benadering van Dennis heel verfrissend. Ik heb hem dan opgezocht en het klikte meteen.’ Sindsdien heeft Tyfus ook een galerie-praktijk, zonder dat dit zijn eigenlijke bezigheden ook maar in het minst heeft veranderd.

Tyfus houdt zich immers niet bezig met kunst en nog minder met de kunstwereld, hij is gewoon onafgebroken bezig met honderden mooie en goed gemaakte zaken die hij van levensbelang vindt: muziek, tekenen, tijdschriften, posters, vinylplaten, radioprogramma’s, optredens, performances. Niet als een narcistisch neuroot die elke zelfgebakken scheet van wereldbelang acht en niet als louter toeschouwer of louter verzamelaar: gewoon als iemand die met die dingen bezig is, als medewerker, medespeler, organisator, muzikant en tekenaar, als bewonderaar van het Kempisch Dagblad van Jef Geys, als kompaan van de zachte Guy Rombouts, als medestander van Ludo Mich, als vriend van John Olson of als iemand die indien nodig een beroep doet op de economisch gedachte en artistiek-technische vaardigheid van een medekunstenaar als Vaast Colson.

Daarom heeft Dennis Tyfus, net als bijvoorbeeld Panamarenko, geen ‘artistieke bedrijvigheid’, in die zin dat hij zich niet voortdurend afvraagt hoe hij iets zou kunnen maken dat op kunst lijkt of dat als dusdanig beschouwd zou kunnen worden door een denkbeeldige toeschouwer, een koper, een galeriehouder of, God beware ons, een theoreticus. Het resultaat van deze indrukwekkende, onvermoeibare bedrijvigheid is een stroom van prachtig gemaakte beelden, die zich als een afvalspoor door de wereld slingert en verspreidt.

Eén onderdeel van dit afvalspoor zijn de grote tekeningen die gemaakt worden voor de galerie. Tyfus maakt met zwarte Posca-verfstiften tekeningen op een gekleurde ondergrond. Vroeger bestond die ondergrond uit verschillende gekleurde, gespoten vlekken, nu bestaat hij uit een geschilderde laag gele en roze fluoverf. In 2004 heb ik al beschreven hoe in Tyfus’ tekeningen poriën, tranen, zweetdruppels, acne, baardstoppels, pukkels, bolletjes, aders en haren gaan optreden als pixels van een trillend raster. In de laatste tekeningen is een strakke vormverschuiving gebeurd, die erin bestaat dat de werken voornamelijk zijn opgebouwd uit dunne, altijd anders gevormde streepjes. De tekeningen zijn doorgaans vlak, zonder schaduwpartijen, maar in één recente tekening dook een realistische berenkop op met gearceerde schaduwpartijen rond de oogkassen en onder de muil, waardoor het leek alsof een gruwelijke nachtmerrie doorheen de dunne wand van een cartoonachtige wereld brak.


Vaast Colson en Dennis Tyfus, samengevat

Beide kunstenaars wonen in Antwerpen. Het is altijd moeilijk de situatie van de kunstwereld in je eigen land te beschrijven, omdat je verzuipt in de details, maar in Antwerpen lijkt naar verhouding erg veel sterke kunst gemaakt te worden. Historisch kan dit verklaard worden door de aanwezigheid van de haven en Nederland (Cobra in de jaren vijftig en het Amsterdam van de jaren zestig), de revolutionaire en visionaire tentoonstellingen van de uitzonderlijke galerie Wide White Space tijdens de jaren zestig en zeventig én, recenter, de aanwezigheid van de wereldberoemde modeacademie, die zorgt voor een constante aanvoer van jonge kunstenaars van diverse pluimage. Het aantal jonge kunstenaars, die allemaal zeer uiteenlopend en vaak verbluffend werk maken, is niet meer op één hand te tellen: Kati Heck, Tamara Van San, Nadia Naveau, Ilke De Vries, Lieven Segers, Pol Matthé, Philip Janssens, Leon Vranken, Tim Segers, Hans Wuyts, Anton Cotteleer, Benjamin Verdonck, Erki De Vries, Nick Andrews, Tom Liekens, Ulysse Ost en vele, vele anderen.

Beide kunstenaars wonen dus in Antwerpen. Ze maken allebei prachtig plastisch werk en ze zijn allebei onafgebroken bezig met muziek. Colson is afkomstig uit een milieu van universitair geschoolde kaderleden (hij werd genoemd naar een econoom), de ouders van Tyfus zijn arbeiders (hij werd genoemd naar een stripfiguur). Colson heeft gestudeerd aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten en aan Post St. Joost in Breda, Tyfus heeft vermoedelijk nooit zijn lagere school afgemaakt, is misschien anderhalve dag in de leer geweest bij een diamantslijper of leersnijder en heeft ooit één vakantiebaantje gehad in een hondenvoerfabriek in ’s Hertogenbos.

Het werk van Colson bestaat in een vorm geworden, beheerste reflectie over de betekenis, de mogelijkheden en de grenzen van de hedendaagse kunst. Het is een werk waarin wordt nagedacht over de noodzaak en de hopeloosheid van het beeld. Het wordt bijna uitsluitend gemaakt op kunstplekken (galerieën, culturele centra, theaters, kunstbeurzen en musea). Het werk van Tyfus, daarentegen, zou ik geen werk noemen, maar een manier van zijn. Niks geen zichtbare reflectie, God zij geloofd, wel een onophoudelijke stroom van beelden, spullen, dingen, handelingen en andere zaken die niks met de kunstwereld te maken hebben, maar ook niks anders kunnen zijn dan kunstwerken.


Dennis Tyfus

Terwijl ik dit schrijf, luister ik naar het radioprogramma van Dennis Tyfus op Radio Centraal. Op verzoek van de kunstenaar Benjamin Verdonck, die de voorbije week een voetbalmatch, concerten en gratis voedselbedeling heeft georganiseerd in een papieren huis dat hij op een plein voor een Antwerps theater heeft opgetrokken voor mensen zonder papieren, maakt Tyfus zich sterk. Zich voordoend als een onvoorstelbaar onbehouwen racist telefoneert hij naar een vijftal stadsdiensten om een eind te maken aan het artistieke zootje voor de Bourlaschouwburg. Bij ‘Monumentenzorg’ dringt hij erop aan dat ze voor hun monumenten zouden zorgen, bij de ‘Stadsreiniging’ eist hij een grondige schoonmaakoperatie en bij ‘Beeld in de stad’ beklemtoont hij dat het echt geen gezicht is, ‘al dat vreemd, in alle kleuren van de regenboog: zandnegers, pindanoten en wat weet ik nog. En hoe is dat crapuul hier geraakt? Dat zou ik wel eens willen weten! Niet per auto, want ze hebben geen rijbewijs. Ook niet per vliegtuig, want ze hebben geen paspoort. Wel, hoe zijn ze dan hier geraakt? Dat zou ik willen weten, hoe ze hier geraakt zijn. In een boot vol bananen, hoe anders? Je zou eens moeten komen luisteren, hier, naar hun lawaai. Zelfs hun lawaai is niet van hier!’

Het bijzondere aan Dennis Tyfus’ werken met ‘lawaai’ of muziek van anderen is dat hij geen beperkte voorkeur heeft voor bepaalde stijlvormen. Met bijzonder bedoel ik niet dat dit buitengewoon of uitzonderlijk is – want het lijkt mij normaal – maar wel dat we zo’n brede kijk zelden aantreffen in deze tijden, waarin alles op een negentiende-eeuwse, zogezegd rationele manier wordt ondergebracht in compartimenten, wetenschappelijke disciplines en vakgebieden, die op een onzichtbare manier veranderen in steriele, commercieel uitgebate tijdsbestedingen voor doelgroepen. Dennis Tyfus is geboeid door de visuele poëzie en de klankpoëzie van Paul De Vree, de Tafelronde en hun internationale contacten met ondermeer François Dufrêne en Henri Chopin uit Frankrijk (die twee weken voor zijn dood nog te gast was in Tyfus’ radioprogramma) en Sarenco uit Italië. Hij maakt platen met de happening-kunstenaars Ludo Mich en Wout Vercammen uit de jaren zestig, hij houdt van de situationisten en hun radicaliteit, maar ook van de jaren 70 en 80 punk scene met Zyklome A, The Dirty Scums, het internationale netwerk van Club Moral, het metalen gekletter van Lakoste, de noise van Ob Minimax, en van Vortex Campaign. Daarnaast houdt hij van de jaren 90 hardcore, grindcore en noise scene van onder meer Agathocles, Rubbish Heap, Mangenerated en Intestinal Disease. De ruggengraat van deze klankwereld wordt gevormd door Radio Centraal, waarop al deze mensen de voorbije decennia aan bod zijn gekomen.

Hoe kan je de klanken omschrijven die we aantreffen op de platen die door Tyfus’ label worden uitgegeven? Ik heb hem gevraagd om het te omschrijven: Op de laatste lp vinden we casio psychedelica van Orphan Fairytale, akelig zoals een pop of een clown er akelig kunnen uitzien, doorweven met oosterse invloeden, gevonden geluidsmaterie en veel echo en delay. Op de Idea Fire Company lp horen we een soort van kraut ambient, met piano's en analoge synthesizers, zeer repetitief en monotoon, zoals al zijn werk. Op de Menstruation Sisters lp horen we Australische orthodoxe joden die ze hebben vrijgelaten uit een mentaal hospitaal om een lp te maken die met niets of niemand valt te vergelijken, etc.


Vaast Colson

Vaast Colson ziet zich als geworpen in de kunstwereld en probeert binnen die wereld op een oprechte manier stelling te nemen. In zijn eigen woorden heet dit dat hij ‘weerstand zoekt’. Of je nu tentoonstelt, lesgeeft, deelneemt aan een televisieprogramma of een openingsact voor zxzw samenstelt, altijd zijn er gebaande wegen, die je moet trachten te overstijgen door het creëren van een beeld dat geënt wordt op de specifieke situatie en dat een prangende ontmoeting met de toeschouwers mogelijk maakt. Vaak gaan zijn acties gepaard met een vorm van uithouding, met een volgehouden attitude. Hoe moet u zich dat voorstellen? Ik vroeg hem wat hij gaat maken voor zxzw in Tilburg.

Vaast Colson: ‘Eigenlijk gaat het om een samenwerking tussen zxzw en Whatspace. Zxzw organiseert een festival dat gebaseerd is op een festival in Texas, waar de White Circle Crime Club heeft gespeeld. De kwaliteit van de groepen is constant. Je ziet er zowel black metal groepen uit Noorwegen als lichte, elektronische muziek uit Duitsland. Het festival is bijna een viering van de muziek. Nu willen ze ook beeldende kunst brengen, maar omdat ze daar minder van weten, hebben ze er Whatspace bijgehaald. Samen hebben ze mij uitgenodigd om een openingsmoment te maken. Als centrale figuur voor de beeldende kunst hebben ze Herman Nitsch uitgenodigd. Ik zou hen willen vragen niet meteen werk van hem tentoon te stellen dat iedereen al kent, maar de man uit te dagen. Ik vind niet dat je zo’n man al mag uitschrijven. Zo heb ik in een DVD over Dieter Roth gezien dat Nitsch muziek maakt en dirigeert. Hij ging ergens in IJsland lesgeven en hij begon die studenten tekens te geven en allerlei geluiden te laten produceren. Ze zouden hem kunnen vragen zoiets te doen.’

Onlangs deed Colson met Ben Meewis een actie in Stuttgart, die ik nog nergens heb beschreven: ‘During Nightly Excursions and Other Sitdowns – A Rambling Pitch by Vaast Colson and Ben Meewis’. Het was de bedoeling een gietvorm te maken van een lichtkoepel door een 7 cm kleinere houten vorm te maken, die met spieën in de koepel te klemmen en de tussenruimte te vullen met polyurethaanschuim. Ten eerste hadden ze echter niet genoeg schuim en ten tweede wilde het schuim niet drogen, omdat ze geen ventilatie hadden voorzien. Ten slotte werd de houten vorm gewoon onder de lichtkoepel op de vloer van de tentoonstellingsruimte geplaatst. Ze verstopten zich in de sculptuur en tijdens de opening maakten ze van binnenuit (door met schuurpapier, manueel, een cirkel uit te schuren) een mangat waardoor ze naar buiten konden kruipen.

Onlangs was er in het Brusselse Wiels een ander prachtig werk te zien van Colson: het hoofdje van een poppenkastfiguurtje dat leek op de kunstenaar (met wollen muts). Het hoofdje rustte bovenop een stapel rollen tape en keek zo naar de tentoonstelling. Het werkje heette ‘Op Post’. Ik vroeg Colson hoe dit werk tot stand is gekomen:

Vaast Colson: ‘Eigenlijk is dat popje een afvalproduct van een editie die ik aan het maken ben ter financiering van het barter-moment dat ik vorig jaar op de kunstbeurs heb georganiseerd waarbij ik, in navolging van kinderen die zo’n ruilmoment aanvatten met een appel of een ei, een eigen werk (een gerubde plattegrond van de beurs) wilde ruilen tegen een ander werk en dat werk tegen een volgend werk en zoverder. De bedoeling van de editie was het ondersteunen van de galerie bij het huren van hun stand, waar geen verkoopbaar werk van mij werd aangeboden. Het werk bestaat uit een houten doosje waar een Vaastje met een appeltje uit opwipt als je op een knopje drukt. De zijwandjes zitten vast met haakjes en ogen. Als je de haakjes losmaakt, valt het doosje open als een tulp… Het heeft niet veel gescheeld of er had niets gestaan in Wiels. Het was daar nogal hectisch, en alle ruimte bleek al toegewezen te zijn. Daarom ben ik ergens gaan zitten tekenen met het popje aan mijn voeten. Na een tijd heb ik het popje weer in mijn rugzak gestoken, omdat niemand erop reageerde. Maar ’s avonds kwamen Ivo en Simona mij een plekje voorstellen voor dat zotte popje dat ze hadden gezien.

Dit jaar heb ik voor de kunstbeurs een editie gemaakt op basis van de tentoonstelling ‘100 cork pops to celebrate the crisis’, waarvoor ik 100 in oranje verf gedoopte champagnekurken heb afgevuurd op de muren van de galerie. Voor de editie schiet ik de champagnekurken af op Steinbach-vellen en verkoop ik certificaten waarvan de prijs varieert naargelang van het aantal vellen dat de koper wil verwerven. Juist omdat ik vaak werk weggeef of voor heel weinig geld verkoop, doe ik nu aan product design. Ik maak heel commerciële dingen die mijn andere bezigheden of mijn galerie moeten financieren.’


Dennis Tyfus en Vaast Colson

In september 2006 stelden Dennis Tyfus en Vaast Colson samen tentoon in hun galerieën (Stella Lohaus en Maes & Matthys). Die galerieën bevinden zich in verschillende straten, maar Colson had ontdekt dat ze aan elkaar grensden. In de gemeenschappelijke muur werd een grote opening gemaakt zodat de bezoekers van de ene galerie in de andere konden wandelen. Colson bouwde een houten kiosk in Tyfus' galerie en Tyfus toonde grote tekeningen bij Stella en een animatiefilm in Colsons galerie. In Colsons kiosk werden door Dennis Tyfus performances en optredens georganiseerd, die zichtbaar waren vanop een door Colson gebouwde mezzanino. Deze werkwijze typeert beide kunstenaars. Tyfus maakte van de gelegenheid gebruik dingen te programmeren die hij zelf wil zien en Colson probeerde de grenzen van een tentoonstellingsplek te verleggen en zijn relatie met de galeriehouders opnieuw te definiëren. Tyfus is bezig met de dingen, Colson is bezig met het beeld. Allebei maken ze prachtige werken, die als kleurrijk en gonzend afval uit hun bezigheden tuimelen.


Montagne de Miel, 24 mei 2009

TOP