|
Erik de Smedt
Over vorm. Flower Power, deel twee
Participerend observeren
Met zijn bundel teksten Flower Power. Kunst in België na 2015 (Tornado Editions, 2008) bewees Hans Theys dat je over kunst kunt schrijven zonder in zweverig jargon te vervallen of kunstwerken tot illustraties van theorieën te reduceren. Er kwam, vooral uit academische hoek, ook kritiek op: als je zo subjectief durft te schrijven, creëer je dan niet zelf de feiten? En als je kunstenaars uitvoerig aan het woord laat, verlaag je je dan niet tot hun spreekbuis?
Theys pareert de kritiek op het ‘gebrek aan afstand’ in dit vervolgdeel Over vorm door te verwijzen naar wat in de etnografie ‘participerend observeren’ heet. “Als er al sprake is van een methode, dan bestaat die erin dat ik het ogenblik van het zogenaamde begrip elke keer zolang mogelijk uitstel, schijnbaar eindeloos rondwaar in verwondering, en dan iets maak […] – en aan de kunstenaar vraag wat hij of zij ervan denkt, zodat er een cirkel of een spiraal ontstaat, een zichzelf voedend rondtasten, waarbij niet zozeer een algemeen toepasbare methode van belang is, maar de attitude, die niets anders kan zijn dan een volgehouden poging een open geest te bewaren.”
Hij komt ervoor uit geen visie te hebben op dé kunst, evenmin op wat kunstwerken met elkaar gemeen hebben, maar zich te interesseren voor wat eigen is aan een werk. Kunstwerken ziet hij als vormen, nieuwe beelden die geen uitdrukking zijn van vooraf bestaande ideeën of rebussen waarvan de beschouwer de ‘betekenis’ moet achterhalen. Het ergste vindt hij dat zulke kunstbenadering de beelden en vormen ontdoet van “hun lichamelijkheid, zintuiglijkheid, ritme, materie, kleur en incongruë diversiteit of onvoorspelbaarheid”.
Theys wil dicht bij het werk blijven, ook letterlijk. Wanneer hij met kunstenaars praat – Over vorm bestaat voor drie vierde uit gesprekken – doet hij dat het liefst in het atelier of de tentoonstelling. Dat waarborgt een concreet spreken: over de onderschildering van het doek (Kati Heck), karpersprongen van de tube (Raoul De Keyser), de holte in sculpturen (Berlinde De Bruyckere), de waterige partijen in recente schilderijen van Marlene Dumas, het kadereffect bij Jan Van Imschoot, hoe de mensen in het werk van Ronald Ophuis voorwerpen lijken te worden en hoe Koen Deprez boeken in ruimtes vertaalt.
Over vorm gaat niet alleen over factuur, compositie en ritme, maar evengoed over biografische elementen (bv. migraine, spoken zien) en verbanden met wat er in de geschiedenis van de kunst, film en literatuur is voortgebracht. Hetis een bijzonder gastvrij boek. Bij de veertig kunstenaars vind je naast grote namen (in wording) illustere onbekenden, die het in hun dwarsheid misschien nog wel een tijd zullen blijven. Weinig auteurs kunnen zo zuurstofrijk over hedendaagse kunst schrijven, de waarneming scherpen en het associatievermogen prikkelen. En met recht Tarkovski citeren: “Het is een onuitputtelijk genot te ervaren dat het beeld ondoorgrondelijk is en zijn ware betekenis niet loslaat.”
|