|
|
Frank Maes
Het kunstenaarsboek
Beknopte geschiedenis en voorgeschiedenis van een hybride
kunstvorm
Un beau livre est sur toute chose une parfaite machine à lire.
Paul Valéry
Het zogenaamde kunstenaarsboek is een vrij jong fenomeen. De oudste exemplaren
dateren hoop en al van eind de jaren vijftig van de vorige eeuw. In relatie tot
die vaststelling lijkt het weinig relevant om te vermelden dat het ontstaan van
het schrift en het geschreven boek, en meteen van de geschiedenis, zowat
vijfduizend jaar geleden gesitueerd wordt, zowel in het Verre Oosten (in China
schrijft men op boomschors) als in het Midden-Oosten (in Mesopotamië op
kleitabletten, in Egypte op papyrus). Het doet er ogenschijnlijk weinig toe zich
er rekenschap van te geven dat Johannes Gutenberg omstreeks 1445 het drukken met
losse letters succesvol begint toe te passen. En dat die uitvinding van de
boekdrukkunst een nauwelijks te overschatten impact zal hebben op de
verspreiding en zelfs het ontstaan van kennis, en op de maatschappelijke,
wetenschappelijke en artistieke toekomst van de op dat moment bekende en nog te
ontdekken werelden.
Toch is het ongetwijfeld relevant het jonge bestaan van het kunstenaarsboek als
een onafhankelijk artistiek genre in een breder historisch perspectief te
plaatsen. Want waarom ontwikkelt het boek – of althans een heel beperkt en
specifiek segment van de boekenproductie - zich in de jaren 1960 en ‘70 plots
tot een autonome kunst? De vraag kan ook anders gesteld worden. Waarom duurt het
zo lang vooraleer het boek een dergelijke emancipatie tot zelfstandige kunstvorm
doormaakt? Een analoog proces viel heel wat schilderijen en beeldhouwwerken
immers eind 18de, begin 19de eeuw te beurt toen ze, verlost van hun
representatieve, verhalende of decoratieve functies, uit kerken en paleizen
verwijderd werden, en in musea terecht kwamen. Dat zijn intrigerende vragen, die
het ontstaan van het kunstenaarsboek in het licht van de geschiedenis plots een
beduidend groter gewicht verlenen.
Wanneer is er sprake van een kunstenaarsboek? Het blijkt niet zo eenvoudig om
dat in een pasklare definitie te gieten. Guy Schraenen, notoir verzamelaar,
archivaris en presentator van kunstenaarsboeken, verwoordt het als volgt: “Le
livre d’artiste n’est pas un livre d’art, ou un livre sur l’art, c’est une
oeuvre d’art. Le livre d’artiste est un livre dans le sens le plus strict du
mot. Le livre d’artiste est le livre.”
De plastische kunstenaar is al sinds mensenheugenis – denk bijvoorbeeld aan de
middeleeuwse boekverluchtingen – betrokken geweest bij de realisatie van boeken.
Tot aan het begin van de twintigste eeuw vervult hij of zij daarbij
hoofdzakelijk de rol van illustrator. In de strikte zin spreekt men slechts van
‘geïllustreerde’ boeken wanneer de illustraties uit ‘originelen’ bestaan, die
volgens traditionele grafische methodes gedrukt zijn. Daarbij wordt veel
aandacht besteed aan aspecten als binding, kaft, titelpagina, typografie en een
zorgvuldige wijze van drukken op ongewone en kwaliteitsvolle papiersoorten. De
grafische tekeningen dienen om de tekst te illustreren, te verklaren of uit te
drukken. In de art nouveau, aan het einde van de 19de eeuw, worden pogingen
ondernomen om alle details van de boekuitvoering in een allesomvattende vorm te
doen opgaan, en om die vorm af te stemmen op de inhoud van het boek. Op zo’n
manier wordt bijvoorbeeld werk van Dante, Heine en Goethe uitgegeven.
Impressionistische illustrators geven vooral landschappen of interieurs weer die
in de tekst opgeroepen worden, terwijl expressionisten in de jaren 1910 en ’20
in elementaire vormen hun eigen geagiteerde visie op de inhoud van de tekst aan
het boek toevoegen.
Vanaf de eeuwwisseling ontstaan samenwerkingsverbanden tussen kunstenaar, auteur
en uitgever, die resulteren in publicaties waarin afbeeldingen, tekst en
typografisch ontwerp gelijkwaardig zijn. In veel gevallen zijn tekst en beeld op
tegenoverliggende pagina’s gepositioneerd, interpreteren daarbij elkaar of
vullen elkaar aan. Bekende voorbeelden van dergelijke twintigste-eeuwse
‘schildersboeken’ zijn Les Murs van Jean Dubuffet en Maximaliana van Max Ernst.
De gedichten of essays worden gewoonlijk geschreven door belangrijke auteurs of
door de kunstenaar zelf. De dadaïstische dichter Tristan Tzara schrijft in 1948
de tekst voor Parler seul van Joan Miró en Eugen Gomringers Kein Fehler im
System verschijnt in samenhang met reliëfprints van Günther Uecker. In veel
schildersboeken wordt de traditionele verhouding tussen tekst en beeld
omgedraaid. Het beeld is niet langer een visualisering van de tekst, de tekst
functioneert als een toelichting of verheldering van het beeld. Elk individueel
beeld kan op zichzelf bekeken worden, maar is tevens opgenomen in de context van
het hele boek en verwijst ernaar. Al het beeldmateriaal blijft, net als in het
geïllustreerde boek, per definitie uit grafiek bestaan.
In geen van beide gevallen – geïllustreerd noch schildersboek – gaat het om een
kunstenaarsboek. Ten eerste blijft wat in het boek te lezen en te bekijken valt,
onverminderd de aandacht opeisen, en wordt het boek zelf, als drager en medium,
niet fundamenteel in vraag gesteld. Dat wil zeggen, enkele minieme variaties
uitgezonderd zijn er geen verschillen te bespeuren met een traditioneel boek dat
uit min of meer traditioneel opgebouwde zinnen bestaat, die, weliswaar hier en
daar onderbroken of afgewisseld door een afbeelding, in traditionele, uniforme
rechthoekige blokken op gebundelde pagina’s geplaatst zijn. Het artistieke
karakter is er vooral op gericht het boek te esthetiseren, waarbij de combinatie
van belangrijk literair werk met lithografieën van een bekend kunstenaar een
exclusief, luxueus en bibliofiel object doet ontstaan. Alle geïllustreerde en
schildersboeken zijn sterk gelimiteerde uitgaven, en hun prijs is relatief hoog.
Het aangesproken publiek beperkt zich tot een relatief kleine cirkel van
verzamelaars en kenners.
Bepaalde avant-gardetijdschriften, fotoboeken en ‘object-boeken’ van de jaren
’20 hebben in belangrijke mate de weg gebaand voor de kunstenaarsboeken van de
jaren ’60. De Merzhefte van Kurt Schwitters, de fotoboeken van Man Ray, de
Bauhausboeken van László Moholy-Nagy en het constructivistische boek
Suprematistische Erzählung von zwei Quadraten in 6 Spielen van El Lissitzky zijn
op zichzelf staande artistieke realisaties. Object-boeken zijn uitgelezen
uitdrukkingsvormen binnen het surrealisme. Het zijn autonome kunstwerken,
waarbij de tekst niet zelden onleesbaar en betekenisloos wordt. Het object-boek
vernietigt de homogeniteit van het boek en verandert zijn fysieke structuur.
Marcel Duchamp ontwerpt de cover voor de tentoonstellingscatalogus Le
surréalisme en 1947. Voor de luxe-uitgave bevestigt hij op het roze karton van
de boekenbox een vleeskleurige vrouwenborst in kunststof, omringd door een
paarse guirlande. Daarmee loopt hij vooruit op de ontwikkelingen van
object-boeken in de jaren ’60, zonder dat er evenwel van een kunstenaarsboek
sprake is.
Wat is het kunstenaarsboek dan wél? Anne Moeglin-Delcroix, expert op het vlak
van de geschiedenis van het kunstenaarsboek, ziet een dubbele oorsprong van het
fenomeen: de ene in de Verenigde Staten, met Edward Ruscha, de andere in Europa,
met de Zwitser Dieter Roth. De eerste is representatief voor een minimalistische
aanpak, gekoppeld aan elementen uit de Pop Art en de conceptuele kunst. De
tweede heeft affiniteiten met de anarchistische en utopische geest die in
diezelfde jaren onder andere de neodadaïstische Fluxusbeweging inspireert.
Edward Ruscha, die precies zeventien boeken op zijn actief heeft, mag beschouwd
worden als de grondlegger van het kunstenaarsboek. Zijn eerste boek,
gepubliceerd in 1962, is getiteld Twentysix Gasoline Stations, wat meteen de
volledige lading dekt. Het dunne boekje bestaat uit een reeks van 26
zwartwitfoto’s van tankstations, sober op gewoon papier geplaatst. Er is geen
tekst, met uitzondering van korte legendes die de foto’s op documentaire wijze
beschrijven: benzinemerk, naam van de stad en van de staat. Ruscha’s volgende
boeken zijn het resultaat van dezelfde werkwijze, en dragen titels als Various
Small Fires and Milk, Some Los Angeles Apartments, Every Building on the Sunset
Strip, Thirtyfour Parking Lots in Los Angeles of A Few Palm Trees.
Moeglin-Delcroix geeft aan dat enkele kenmerken van Ruscha’s boeken heel scherp
het verschil met de bibliofiele traditie van het geïllustreerde boek markeren.
Het eerste, meest voor de hand liggende verschil situeert zich in de voorname
rol van de fotografische reproductie – in offsetdruk – op een doordeweekse
papiersoort. Bovendien is Ruscha, zoals heel wat andere kunstenaars uit die
jaren die de fotografie binnen hun kunst en kunstenaarsboeken gebruiken (zoals
Dan Graham, Christian Boltanski of Jochen Gerz), geen professionele fotograaf.
Hij affirmeert stellig dat het niet om ‘artistieke’ fotografie gaat – die is
volgens Ruscha ten dode opgeschreven - maar om een eenvoudige mechanische
techniek om reproducties te maken. Daarmee breekt hij regelrecht met de
ambachtelijke vereisten van het geïllustreerde boek qua gebruik van zogenaamd
originele grafiek, papier van hoge kwaliteit en een specifieke typografie.
Sommige kunstenaarsboeken uit die ‘heroïsche’ eerste jaren vertonen zelfs
opzettelijke technische slordigheden, maar dat gaat niet op voor Ruscha die
altijd de grootste aandacht verleend heeft aan de materiële uitvoering van zijn
boeken.
Een tweede fundamentele kenmerk bestaat erin dat, door het toepassen van de
gewone boekvorm, het boek verdeeld kan worden via de gewone distributiekanalen
van het commerciële boekencircuit. De kunstenaar zal, indien financiële en
praktische omstandigheden het toelaten, in principe opteren voor een
ongelimiteerde editie. Door zijn handige, kleine formaat en lichtheid kan het
kunstenaarsboek vlug en gemakkelijk circuleren. Christian Boltanski verstuurt
zijn eerste, in 1969 gemaakte boek, Recherche et Présentation de tout ce qui
reste de mon enfance, gewoon per post. Op die manier zijn kunstenaars in staat
hun werk via een alternatief netwerk te verdelen, dat volledig los staat van het
gevestigde kunstsysteem van musea en galerieën. De eerste verzamelaars van
kunstenaarsboeken zijn kunstenaars, waaronder de Franse nouveau réalist Ben
Vautier, de Amerikaanse conceptuelen Sol LeWitt en Joseph Kosuth, en de Italiaan
Maurizio Nannucci. Privé-verzamelaars, openbare bibliotheken, galerieën en musea
zijn niet geïnteresseerd of wantrouwen het fenomeen, en zullen pas veel later,
vanaf de jaren ’80, geïnteresseerd raken. Hier en daar zijn er zonderlingen als
Guy Schraenen, die als niet-kunstenaar al heel vroeg in het alternatieve netwerk
participeert. Schraenen wordt er zich als galeriehouder halfweg de jaren ’60 van
bewust dat een belangrijk deel van de internationale activiteiten in de
hedendaagse kunst zich buiten de centrale instituten afspeelt, en dat hij, met
dezelfde inspanningen die hij zich in zijn galerie getroost, in staat is boeken
uit te geven die op korte termijn wereldwijd circuleren. In ruil ontvangt hij
honderden uitgaven van kunstenaars of kleine uitgevershuizen. Dat wordt de basis
van zijn Archive for Small Press and Communication, dat louter uit publicaties
van kunstenaars bestaat. Guy Schraenen bestempelt het kunstenaarsboek als een
van de belangrijkste artistieke fenomenen sinds het dadaïsme, niet omwille van
zijn artistieke vorm, maar door zijn wijze van verdeling. Wat Schraenen in zijn
archief wil verzamelen en bewaren is het bewijs dat de kunstenaar onafhankelijk
van het gevestigde kunstsysteem kan handelen en functioneren.
Het derde essentiële onderscheid met het geïllustreerde en het schildersboek dat
Moeglin-Delcroix formuleert, sluit onmiddellijk bij dit laatste aan. De
kunstenaar leidt alle etappes in de realisatie en verdeling van het boek. Hij of
zij deelt de intellectuele verantwoordelijkheid niet met een schrijver
(eventueel wel met andere kunstenaars). Veelbetekenend is dat Dieter Roth een
opleiding als typograaf gevolgd heeft, Dick Higgens drukkersschool gelopen heeft
en Ed Ruscha als maquettemaker in de reclamewereld begonnen is. Door de opkomst
van relatief eenvoudige en goedkope druktechnieken als offset worden heel wat
boeken door de kunstenaars zelf uitgegeven en verdeeld. Het fotokopiëren, ook
een nieuwe techniek, biedt de mogelijkheid om zonder tussenpersonen en zonder
specifieke technische competentie boeken te maken. Het meest bekende boek dat op
basis van fotokopieën gerealiseerd is, heet het Xerox Book, in 1968 door zeven
minimalistische en conceptuele kunstenaars collectief in New York ondertekend.
Daarin volgen de interventies van Carl Andre, Robert Barry, Douglas Huebler,
Joseph Kosuth, Sol LeWitt, Robert Morris en Lawrence Weiner elkaar in die
alfabetische orde op. Als gevolg van de geschetste technische ontwikkelingen
richten kunstenaars als Ruscha (Heavy Industry Publications) en Roth (Forlag Ed)
begin jaren ’60 hun eigen uitgeverij op. Terwijl Ian Hamilton Finlays Wild
Hawthorn Press tot op vandaag enkel en alleen zijn persoonlijke publicaties
uitgeeft, publiceert Something Else Press van Dick Higgins ook boeken van
verwante kunstenaars. In de jaren ’70 volgen anderen, waaronder Maurizio
Nannucci en herman de vries dit voorbeeld, en richten kunstenaars als Ulises
Carrión in Amsterdam en Sol LeWitt in New York de eerste gespecialiseerde
bibliotheken op.
Samenvattend kan gesteld worden dat geïllustreerde of schildersboeken op een
vrij traditionele wijze, via een allesbehalve uniek concept en gestuurd door -
of in het beste geval in samenspraak met -allerhande externe personen (uitgever,
typograaf, schrijver, …) tot stand komen. In de verdeling van dergelijke boeken
gaat het evenwel uitsluitend en moedwillig om heel beperkte oplagen of zelfs
unieke exemplaren. Aan een kunstenaarsboek ligt daarentegen een uniek concept
ten grondslag, dat enkel en alleen de vorm van een boek kan aannemen. Essentieel
daarbij is dat de kunstenaar alle touwtjes in handen heeft. Dit streven naar
autonomie is, zoals bijvoorbeeld blijkt uit Guy Schraenens nadruk op de
‘onafhankelijkheid van de kunstenaar’, typerend voor alle kunstuitingen van de
jaren ’60 en ’70. In de distributie van het kunstenaarsboek heeft men evenwel
een zo breed mogelijk publiek op het oog, en streeft men in principe een
behoorlijk hoge oplage na om de prijs vrij gematigd te houden. In de conceptie
en verdeling van het kunstenaarsboek wordt dus een werkwijze en strategie
gevolgd die volkomen tegengesteld is aan die van het geïllustreerde boek.
Zelfs wat de boeken en tijdschriften van avant-gardisten uit de jaren ’20 als El
Lissitzky, Kurt Schwitters en Theo Van Doesburg betreft, stellen kenners als
Moeglin-Delcroix en Clive Phillpot dat die kunstenaars, in tegenstelling tot hun
collega’s van de jaren ’60, de productie van een boek of tijdschrift niet bewust
gebruiken om de natuur van kunstwerken en kunstvormen in vraag te stellen. Want
dat is precies wat het kunstenaarsboek doet: niet alleen het boek zelf als
drager en medium van informatie ondervragen, maar tevens de bestaande,
traditionele kunstclassificaties – schilderkunst, beeldhouwkunst, grafiek - en
hun rollen en onderlinge verhoudingen grondig op de helling zetten.
Edward Ruscha onderstreept de radicaliteit en het belang voor de hedendaagse
kunstgeschiedenis van zijn kunstenaarsboeken, zeker in verhouding tot zijn
schilderijen die hij niet meteen revolutionair acht. Anne Moeglin-Delcroix wijst
eveneens op de centrale rol van het boek binnen de kunst van de jaren ’60 en
’70, zeker in vergelijking met de jaren ’20, waarin het om vrij geïsoleerde
pogingen van enkele kunstenaars ging:
“Au contraire, les principaux mouvements artistiques apparus dans les années
soixante et soixante-dix ont tous, en dépit de leurs différences parfois
profondes, eu recours au livre d’artiste qui apparaît alors le véritable creuset
des avant-gardes, et peut-être la seule production qui soit commune à la fois au
poètes visuels, aux minimalistes, à Fluxus, aux conceptuels, à l’Arte povera, à
l’Art narratif, aux artistes de la performance, à ceux du Land art, etc;
phénomène général, la création de livres occupe en outre une place non
secondaire mais essentielle – en intérêt toujours, en quantité souvent – dans
l’oeuvre des artistes concernés.”
Wat het boek volgens Moeglin-Delcroix zo’n centrale plaats en radicale rol
verleent in de artistieke evoluties van dat moment, is de bepalende rol van de
reproductie in de creatie zelf van kunstwerken. Zo zijn de Pop-kunstenaars
Robert Rauschenberg en Andy Warhol in de vroege jaren ’60 bijvoorbeeld de
eersten om gezeefdrukte foto’s op hun doeken te plaatsen. Dieter Roth maakt in
zijn kunstenaarsboeken uitvoerig gebruik van de woord- en beeldtaal van het
stripverhaal, of van ‘opgeblazen’ fragmenten uit kranten (bijvoorbeeld in Daily
Mirror uit 1973). In kunstenaarsboeken wordt uitvoerig gebruik gemaakt van
reproductietechnieken, terwijl de boeken op zichzelf geenszins reproducties zijn
van vooraf bestaand werk. Guy Schraenen legt er sterk de nadruk op dat in het
geval van het boek of de multipel, niet de tekening of het ontwerp dat gediend
heeft om de multipel of het boek te maken als het origineel kan bestempeld
worden, maar wel het object dat er, onafhankelijk van de oplage, uit
voortvloeit. Het uiteindelijke product is het originele werk. In een wereld die
in toenemende mate gedomineerd wordt door een stroom van circulerende beelden en
tekens, moet het kunstwerk niet alleen vermenigvuldigbaar maar ook zelf
veelvoudig – ‘multipel’ - zijn. De Amerikaanse kunstenaar John Baldessari doet
in 1969 het uitdagende voorstel om enkel nog kunstwerken te maken die enkel en
alleen voor de reproductie in kunsttijdschriften bestemd zijn. Kunstenaars
worden er zich van bewust dat de toegang tot kunst meer en meer via de
reproductie verloopt – en dat dit een democratisering van kunst stimuleert – en
eigenen zichzelf de reproductie toe. Daarmee ondergraven ze de traditionele
notie van de uniciteit van het kunstwerk.
In het geval van het kunstenaarsboek is elk concreet exemplaar een kunstwerk,
ook al is het een reproductie. Tezelfdertijd is het evenwel ook een echt boek,
dat je onverhoeds in een boekenkast of bibliotheekrek, tussen andere boeken
waarvan het zich niet of nauwelijks onderscheidt, kunt aantreffen. In die zin
beschrijft Edward Ruscha zijn vrij gewoon ogende boeken als ‘wolven in
schaapskleren’. Die bewuste werkwijze, om een wel gedefinieerd systeem, om een
(door het eeuwenlange en tegelijk dagdagelijkse gebruik en misbruik) tot
versleten cliché’s verharde taal of communicatievorm – in dit geval het boek -
tegelijk te gebruiken én te ondermijnen, dat is een uitgesproken poëtische
strategie.
Guy Schraenen vermeldt de concrete poëzie als een van de belangrijkste
inspiratiebronnen voor de ontwikkeling van het kunstenaarsboek. In die concrete
poëzie tracht men de taal los te maken van vaste betekenissen en verwijzingen
door te focussen op materiële, concrete taalcomponenten die voordien
verwaarloosd en volstrekt marginaal waren: de typografische, visuele en sonore
aspecten. De poëzie neemt daarbij de ontwikkelingen richting abstractie in de
beeldende kunst van het begin van de twintigste eeuw als voorbeeld. Daarin werd
duidelijk hoe door het werken of spelen met de materie van bijvoorbeeld de
schilderkunst betekenissen tot stand kunnen komen die het loutere afbeelden van
of verwijzen naar een realiteit buiten het schilderij overschrijden of zelfs
helemaal teniet doen. Elke vorm van poëzie brengt barsten aan in het
taalsysteem, en daartoe beweegt ze naar het beeld en de klank toe, ze laat zich
als het ware verleiden door wat haar vreemd is. Een heel vroeg voorbeeld waarin
dit op concrete manier gebeurt, is Stéphane Mallarmé’s dichtbundel uit 1897, Un
coup de dés jamais n’abolira le hasard, waarin de tekst zich in zeven
verschillende lettergroten over de pagina’s heen slingert, en waarin grote delen
van de pagina wit blijven, als visuele pauzes. Marcel Broodthaers, maker van
diverse kunstenaarsboeken, kleeft in 1969, als een hommage aan Mallarmé, zwarte
balkjes op de verzen van Un coup de dés, waardoor ze onleesbaar worden en de
visuele en concrete kwaliteiten van de dichtbundel in de verf gezet worden. Erik
Slagter definieert concrete poëzie als “de dichtkunst waarin het schrift er niet
alleen staat om zijn betekenis, maar tevens om zijn vorm of klankkleur die in
gelijke mate het scheppingsproces kunnen beïnvloeden.” De typografie is niet
langer een transparant communicatiemiddel, maar wordt een visueel actief
werktuig dat de boodschap en de werking van de tekst ondersteunt of juist
doorkruist. Het woord wordt als het ware in drie dimensies opgedeeld. Het heeft
tezelfdertijd een verbale, een vocale en een visuele ‘positiewaarde’. Er is geen
sprake meer van lineaire zinnen, maar van een ‘driedimensionaal’
communicatieveld. Een analoge ontwikkeling is ook in het kunstenaarsboek aan te
treffen:
“Devient alors livre d’artiste toute oeuvre dans laquelle un travail est fait
sur la forme (choix du format, du papier, odeur, poids, etc.) et l’originalité
du climat poétique qu’elle propose. La poésie n’est ici plus confinée dans les
mots ou entre eux, mais diffusée ou éclatée, manifestée par le livre même,
indissociable de ses pages devenues constituantes.”
Terwijl de minimalisten, conceptuelen en Pop-kunstenaars in de Verenigde Staten
vooral van seriële principes gebruik maken om de lineaire, verhalende structuur
van het traditionele boek te doorbreken, duiken de speelse en tegelijk
ontwrichtende strategieën van de concrete poëzie in nogal wat Europese
kunstenaarsboeken op, bijvoorbeeld in die van de Fluxusbeweging, met kunstenaars
als George Maciunas, Dick Higgins of Joseph Beuys.
De concrete poëzie kan evenwel ook een nefaste invloed hebben op de ontwikkeling
van het kunstenaarsboek. In de ontwikkeling van de concrete poëzie gaan
kunstenaars of dichters vanaf een bepaald moment zo ver in de uitbeelding van
lettertekens dat het woord als het ware volledig uitvloeit, dat het zijn
taalkundige substantie verliest, dat het wordt ontdaan van zijn betekenis en nog
slechts overblijft als louter figuratief teken. Men reduceert het gedicht tot
zijn concreet zintuiglijke dimensies en elimineert volledig zijn verwijzende
functies. Wat overblijft is een zuiver beeld, waaruit de taal, en meteen ook de
poëzie, verdwenen zijn. De pendelbeweging tussen woord en beeld, tussen het
vertrouwde en het vreemde, tussen het clichématige en het experimentele, wordt
daarmee geëlimineerd. Een analoge ontwikkeling vindt plaats wanneer de
traditionele materiële en logische structuur van het boek in die mate verlaten
wordt, dat het louter sculptuur of beeld wordt, wat in vele ‘object-boeken’
effectief het geval is. Het resultaat is dan een uniek kunstwerk, waardoor dat
wat zich op het eerste zicht als een radicale ingreep aandient, in feite een
terugkeer inhoudt naar de traditionele kunstclassificaties. Daarmee wordt de
fundamentele radicaliteit van het kunstenaarsboek, namelijk het in vraag stellen
van de bestaande kunstvormen, teniet gedaan. In sommige gevallen vervalt het
objectboek zelfs tot het louter decoratieve.
Een kunstenaarsboek in de ware zin van het woord hoort zowel thuis in de wereld
van de beeldende kunst als in de boekenkast, of, anders bekeken, het wordt in
beide domeinen als een min of meer vreemd lichaam aangevoeld, en zijn essentiële
kracht en waarde bestaat erin vanuit die ambivalente positie beide domeinen
daadwerkelijk in vraag te stellen. Dat heeft ook consequenties voor de lezer van
zo’n boek. De gebruikelijke relatie tussen lezer en boek, tussen subject en
object, wordt danig op de helling gezet. Geconfronteerd met een kunstenaarsboek
zie je je in de dubbelzinnige situatie geplaatst dat je niet meer precies weet
of je jezelf als lezer of als kijker moet beschouwen. In die zin bevind je je
wel degelijk in een ‘driedimensionaal communicatieveld’. Je beweegt je aandacht
van de ene ‘dimensie’ naar de andere, zonder ooit het hele veld, de complexe
verzameling tekens in haar totaliteit te kunnen vatten. Je komt in een complexe
ruimte terecht. Daarbinnen kan je ronddwalen, op verkenning gaan, je laten
verrassen. Anderzijds ben je gedoemd om altijd onderweg te blijven. De
verschillende dimensies of disciplines die in het kunstenaarsboek samenkomen –
boek en beeldend werk, plastische kunsten en fotografie, woord en beeld, ruimte
en tijd – zijn nooit tot een duidelijk te omkaderen eenheid te herleiden, of
komen nooit in een overkoepelende totaliteit samen, over de grenzen van de
verschillende disciplines heen. Die essentiële, nooit op te heffen hybriditeit
maakt de subversiviteit van het kunstenaarsboek uit. In de jaren ’60 en ’70
vindt binnen het veld van de beeldende kunsten een gelijkaardige ontwikkeling
plaats, onder diverse vormen, zoals bijvoorbeeld de happening, het environment,
de installatiekunst, de performance of de land art. Het ingekaderde doek en het
op een sokkel geplaatste beeldhouwwerk worden verlaten. Het kunstwerk wordt
ruimtelijk, het evolueert in de tijd, en van de toeschouwer wordt verwacht dat
die de in ruimte en tijd verspreide elementen van het kunstwerk met elkaar gaat
verbinden. In dit opzicht maakt het kunstenaarsboek deel uit van de fundamentele
omschakeling die de beeldende en aanverwante kunsten in de jaren ’60 en ’70
doormaken.
In het begin van de tekst stelde ik de vraag waarom een klein segment van de
boekenproductie zich in de jaren ’60 tot een zelfstandige kunstvorm ontwikkelt,
terwijl een groot deel van de schilder- en beeldhouwkunst al eind 18de, begin
19de eeuw autonoom geworden is. Schilderijen en beeldhouwwerken, alsook
literatuur, theater en muziek, emanciperen zich op dat moment samen met de
burgerlijke krachten in de maatschappij om zich van de aristocratische en
kerkelijke heerschappij te ontdoen. De autonomie die de kunsten op die manier
verkrijgen laat hen toe zich zelfstandig te ontwikkelen, maar neutraliseert hen
ook in grote mate, vermits hun domein binnen de nieuwe, burgerlijke maatschappij
heel duidelijk onderscheiden wordt van de andere maatschappelijke krachten. Dit
laat de burger toe de kunst in een duidelijk omschreven reservaat van het
fictieve, het imaginaire, het tijdloze te situeren, ver van de ‘ernstige’ wereld
van de productiviteit. Dit veronderstelt tevens dat aan de begrenzingen van dit
domein – vormgegeven in onder andere de Schouwburg, het Museum en het Boek –
niet kan getornd worden. Bovendien zijn het Museum en het Boek dan ook nog eens
de dragers van de Kennis, van de Geschiedenis, kortom, van de Waarheid. Zij
verzamelen en ordenen alles wat bestaat. De Atlas, de Encyclopedie, maar ook het
Boek der Wet en, niet te vergeten, het Boek der Geloof, zijn de steunpilaren van
de Wereld. Raak je aan het Boek, dan speel je met vuur, dan raak je aan de
Geschiedenis zelf.
Het boek is altijd een krachtig wapen geweest. Er zijn heel wat onverlaten
geweest die in hun boeken een andere wereld, of een andere lezing van de wereld
in kaart gebracht hebben. Veel boeken zijn op brandstapels terecht gekomen, en
sommige van hun auteurs ook. Maar toen Thomas Morus in 1615 zijn Utopia schreef,
raakte hij allerminst aan de regels van het boekenmedium zelf. Louis Marin heeft
er op gewezen dat Utopia zich traditioneel – van More tot Defoe – op een
geïsoleerd eiland bevindt, van onze wereld afgescheiden door een catastrofale
reis. De lezer komt terecht in de orde van de representatie en van het
imaginaire. Voor Marin is de utopie altijd een papieren eiland: “L’utopie est
d’abord un livre […] elle est un texte dont la réalité n’est nulle part.”
Veel artistieke bewegingen van de jaren ’60 en ’70, zoals Fluxus, houden zich
bezig met utopische projecten. Zij streven echter geenszins naar een poëzie van
het onmogelijke of een vlucht in het imaginaire, maar stellen integendeel het
verminderen van de afstand tussen kunst en leven centraal. Dat houdt zeker niet
in dat de kunst in het (dagdagelijkse) leven naadloos zou moeten of kunnen
opgaan. Fluxus-musicus John Cage beschouwt de utopie als een spel “qui consiste
à s’inscrire dans la vie pour se jouer des règles établies et pour arracher le
monde à son apparente nécessité.” De kunstenaar is iemand die zich als een wolf
in schaapskleren beweegt tussen het vertrouwde en het vreemde, tussen het banale
van het dagdagelijkse leven en de productieve kracht van de verbeelding, om ‘de
wereld van haar ogenschijnlijke noodzaak los te maken’.
Het ontstaan van het kunstenaarsboek heeft wel degelijk enig gewicht in het
licht van de geschiedenis. Het gaat immers niet zomaar om het in kaart brengen
van een alternatieve wereld. Op een ludieke en ontwrichtende manier wordt
gespeeld met een van de meest dominante modellen waarmee de wereld eeuwenlang in
kaart gebracht is. Het boek wordt, zoals geschetst, een multi-dimensionale,
nooit volledig te overziene ruimte, een open systeem waar de lezer/kijker zelf
zijn of haar weg in kan zoeken. Kunst wordt een gereproduceerd, veelvoudig ding,
dat op die manier tegelijk van niemand en potentieel van iedereen is. Het wordt
een object voor een massaal publiek, en spreekt toch iedereen die het in handen
krijgt persoonlijk aan. Het alternatieve, horizontale netwerk dat door het
kunstenaarsboek, los van de kunstinstituten, gecreëerd wordt, lijkt wel een
voorafspiegeling van het world wide web. Dat zou ons kunnen doen besluiten dat
het kunstenaarsboek, in zijn oorspronkelijke, hybride en weerbarstige rol, een
tijdelijk fenomeen met een levensduur van hooguit dertig jaar geweest is, een
mooie machine die goed gefunctioneerd heeft maar nu al een tijdje uitgediend is,
vermits het internet vandaag veel van zijn doelstellingen duizend keer
efficiënter in de praktijk brengt. Misschien luidt het ontstaan van het
kunstenaarsboek wel het begin van het einde van het boek zelf in, is het de
partituur van zijn zwanenzang.
Inmiddels bevinden heel wat kunstenaarsboeken zich in musea, galerieën en
privé-verzamelingen. Daar liggen ze in vitrines, als een insect opgeprikt, dood,
maximaal twee pagina’s leesbaar als een memento mori. Zolang het museum er
blijkbaar niet in slaagt het kunstenaarsboek naar behoren te laten functioneren
binnen zijn muren, zolang het ding voor problemen blijft zorgen in de
classificatie, zolang het dus juist géén autonome kunstvorm wordt binnen het
museale systeem, blijft het kunstenaarsboek bestaan. Mocht ik in uw plaats zijn,
ik doorzocht eens grondig mijn boekenverzameling. Wie weet zit er een wolf in
schaapskleren tussen. |