|
|
Frank Maes
Het betoverde weefgetouw
Over het werk van Marcel Berlanger
Hoe vaak je ook met visuele illusies geëxperimenteerd hebt, hoeveel inzicht
je ook hebt in de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor het illusie-effect,
hoe je je ook ingeprent hebt wat je fout ziet, de gevoeligheid voor de illusie
blijft intact; klaarblijkelijk is de vatbaarheid voor optische illusies
vastgelegd in een deel van onze programmatuur dat zich niet laat wijzigen.
Douwe Draaisma
Begin 19de eeuw is Joseph-Marie Jacquard de uitvinder van het automatisch
weefgetouw. Hij wordt bekend na het winnen van een prijsvraag van de Londense
Royal Society over de vervaardiging van een breimachine voor visnetten. Jacquard
heeft een machine geconstrueerd waarmee grote patronen met gebogen lijnen
gemakkelijk geweven kunnen worden. De instructies voor de uitvoering nemen de
vorm aan van geperforeerde kartonnen kaarten die als een soort draaiorgelboek
door de machine draaien. Wanneer Jacquard zijn automatisch weefgetouw verder
ontwikkeld heeft, wil hij de mogelijkheden van zijn uitvinding demonstreren. Met
behulp van 2400 kaarten, elk met een capaciteit van ruim duizend perforaties,
programmeert hij een weeftoestel zodanig dat het zijn eigen portret in
zwartwitte zijde vervaardigt. Het resultaat is verbazingwekkend nauwkeurig en
illusionistisch. Vandaag is een jacquard de Franse naam voor het soort trui dat
met repetitieve florale motieven versierd is.
Charles Babbage, in de tijd van Jacquard hoogleraar in de wiskunde te Cambridge
en lid van de Royal Society, weet zich zo'n zijden portret te verwerven en is
uitermate gefascineerd door de mogelijkheid instructies volledig mechanisch vast
te leggen. Hij gebruikt het systeem van de geperforeerde kaarten in zijn
pogingen om een 'Analytical Engine' te ontwerpen, een machine die in staat is om
allerhande symbolische operaties machinaal uit te voeren, als een wiskundig
weeftoestel: "The Analytical Engine weaves algebraic patterns just as the
Jacquard-loom weaves flowers and leaves." Eenmaal de relaties tussen muziektonen
bijvoorbeeld in formele wetten beschreven zouden zijn, zou de Analytical Engine
in staat zijn "elaborate and scientific pieces of music" te componeren.
Babbage is er nooit echt in geslaagd een Analytical Engine te bouwen, maar zijn
ontwerpen vormen een cruciale schakel in de lange, geleidelijke ontwikkeling die
uiteindelijk, halfweg de 20ste eeuw, zal leiden tot de daadwerkelijke
constructie van een automatische elektronische machine met een intern opgeslagen
programma voor de verwerking van symbolen, kortweg: de computer. De kartonnen
kaarten van Jacquard en de Analytical Engine bezaten reeds het binaire karakter
(geperforeerd/niet geperforeerd, aan/uit, 1/0) die elk digitaal programma in
staat stelt om een enorme hoeveelheid informatie te verwerken en op te slaan.
Marcel Berlanger maakt veelvuldig gebruik van procedures. Vaak lijkt hij, bij de
creatie - of schrijven we beter 'constructie' of 'uitvoering' - van een
schilderij, een vooraf gedetermineerd en centraal gestuurd programma stap voor
stap te af te werken. Denken we bijvoorbeeld aan de vervaardiging van de Fumées.
Berlanger tekent een ortogonaal raster op een foto van zijn onderwerp en zet dit
raster - een x aantal keer uitvergroot - over op zijn doek, waarna hij het beeld
vakje na vakje als het ware 'inkleurt'. Wat voor de rookpluimen geldt - de
schijnbaar chaotisch gevormde rookpluim is het resultaat van een uiterst
gedisciplineerde en rationele schildersprocedure - geldt evenzeer voor de
marines. Hoe 'wild' en 'natuurlijk' die zee ook mag schijnen, de argeloze
toeschouwer die meegesleurd door romantische gevoelens met de woelige baren
meedeint, weze bij voorbaat gewaarschuwd: onder de oppervlakte gaat al evenzeer
een rigoureus gecalculeerd en uitgetekend lijnenraster schuil.
Tegenover de grote hoeveelheid schilderijen in zwart en wit zien zijn kleine,
felgekleurde, abstracte doekjes er frivool en fleurig uit. Eigenlijk gaat het om
de combinatie van een strak ruitvormig raster met een blinde willekeur in de
keuze van de kleuren en een obstinate repetitie van telkens dezelfde
schilderbeweging. Dankzij de willekeurige kleurcombinaties en het repetitieve
patroon doen deze schilderijen enigszins denken aan de kunst van de Franse
schilder Bernard Frize, waarmee ze de vooraf bepaalde procedure en de blinde,
mechanische uitvoering gemeen hebben.
Voor zijn doeken van de Mont-Ste-Victoire heeft Berlanger simpelweg een boek
over de lange reeks Mont Ste-Victoire-schilderijen van Paul Cézanne doorbladerd.
Op elke bladzijde van dit boek is een reproductie van een schilderij geflankeerd
door een foto van hetzelfde landschap, genomen op de positie waar de Franse
meester destijds zijn ezel geplaatst heeft. Met telkens het schilderij en de
foto als uitgangspunt vervaardigde Berlanger een serie reproducties (zijn
schilderijen) van reproducties (de afbeeldingen in het boek) van reproducties
(de schilderijen van Cézanne en de foto's). Ook zijn beelden van treurwilgen,
cipressen of chrysanten jat hij uit boeken: wetenschappelijke uitgaves waarin
bomen, planten en bloemen, netjes geïnventariseerd, gecatalogeerd en gegroepeerd
in reeksen en verzamelingen, strak gekadreerd afgebeeld zijn.
Meestal schildert Marcel Berlanger op een door hemzelf ontwikkelde drager:
vloeibare hars wordt, al dan niet verstevigd met glasvezel, in een gietvorm
gegoten, waardoor een drager ontstaat die vrij strak en nadrukkelijk gerasterd
is. Ook wanneer het doek beschilderd is, blijft de textuur van de drager sterk
waarneembaar, waardoor het schilderij soms het karakter van een wandtapijt
verkrijgt. Nog vaker wordt een doek van Berlanger daadwerkelijk voor een foto
gehouden. De vezels van het schilderij functioneren zoals de knopen van een
tapijt of zoals de pixels van een digitale foto, die elk volgens een simpele
binaire logica met een bepaalde toon- of kleurwaarde ingevuld zijn. Hoe abstract
en inhoudsloos elke knoop of pixel op zich ook is, met honderden samen vormen ze
patronen en figuren, die - net als het mechanisch vervaardigde zelfportret van
Jacquard - door de kijker als een natuurgetrouwe weergave van een zintuiglijk
waarneembare werkelijkheid ervaren worden.
Het portret van Jacquard en de doeken van Marcel Berlanger hebben een en ander
gemeen. Enerzijds zijn ze op een manifeste en heldere manier als de uitvoering
van een programma en als een volkomen artificiële en rationele constructie
geconcipieerd. Anderzijds levert het resultaat van die procedure beelden op die
de kijker de zoete smaak van de illusie laten proeven. Wat maakt van een
verzameling zwarte of witte blokjes een herkenbaar en betekenisvol beeld?
Met die vraag verschuift de aandacht van de constructie en interne logica van
het beeld naar de perceptie ervan, dat wil zeggen, de processen die het beeld
bij de kijker teweeg brengt. Daarmee betreden we domeinen als het menselijke
waarnemingsvermogen en geheugen, processen als beeld- en betekenisvorming, en
raken we in ultieme instantie zelfs vragen over de oorsprong van taal en beeld,
van wetenschap en kunst. Ik meen dat het precies die domeinen zijn die Marcel
Berlanger via zijn schilderkunst stelselmatig verkent, en ook Babbage en zelfs
Jacquard waren er, hetzij misschien meer impliciet en onrechtstreeks, mee bezig.
Toestellen die in de loop der eeuwen in staat gebleken zijn om informatie te
verwerken of om beelden op te slaan en te bewaren, hebben immers stuk voor stuk
als metafoor gefungeerd voor de processen in onze bovenkamer die ons in staat
stellen hetzelfde te doen. De Nederlandse psycholoog Douwe Draaisma beschrijft
in "De Metaforenmachine" hoe ons geheugen, parallel met de technologische
evolutie, afwisselend een wastablet, een boek, een camera obscura, een
weefgetouw, een fotoapparaat of fonograaf, en recenter, een computer, een
hologram of een neuraal netwerk geweest is. Elke nieuwe vorm van automatisering
deed de aloude alchemistische droom herleven om een kunstmatige mens of
tenminste een artificieel brein te creëren. Zeker in de 18de en deels nog in de
19de eeuw was het geloof in 'l'homme machine' heel sterk, en het zou ons dan ook
niet moeten verwonderen als Jacquard en Babbage er van overtuigd waren dat de
structuur van onze hersenen even helder en logisch ineenstak als een automatisch
weefgetouw of een Analytical Engine.
Vandaag situeert het onderzoek rond het kunstmatige brein zich voornamelijk in
de kringen van de artificiële intelligentie. Daar is men er evenwel vrij vlug
achter gekomen dat psychologische processen een veel minder rechtlijnig en
rationeel verloop hebben dan in de eerste computersimulaties verondersteld werd.
Denken en redeneren, leren en herkennen blijken mozaïekachtige processen te
zijn, waarin intuïties en vermoedens net zo goed een aandeel hebben als logische
deducties en statistisch verantwoorde afleidingen. Waar de circuits in een
klassieke computer onder een centraal bestuur staan dat zijn commando's stap
voor stap geeft, lijkt het menselijk geheugen bespeeld te worden door tientallen
impulsen tegelijk, waaronder geuren, emoties, bewegingen, geluiden, invallen of
gewaarwordingen. De hersenen blijken een soort netwerkvormige structuur te
bezitten, waarin al die prikkels niet lineair, stap voor stap, maar integendeel
simultaan en associatief verwerkt worden.
Het essentiële verschil tussen het portret van Jacquard en een schilderij van
Berlanger bestaat erin dat die laatste weliswaar van een even stringent
programma als de eerste vertrekt, maar dat hij desondanks allerhande openingen
creëert waardoor de zonet beschreven complexiteit en complicaties van de beeld-
en betekenisvorming in zijn beelden kunnen binnensijpelen of opduiken. Berlanger
schildert bijvoorbeeld vaak met verschillende potentiële 'geadresseerden' in
gedachten. Het gaat om mensen die hij goed kent, die allen grondig verschillen
qua smaak, karakter of visie op kunst. Zijn doelstelling bestaat erin dat het
schilderij aan de wensen van elke bestemmeling zou kunnen voldoen, waarbij het
resultaat toch geen grijs compromis mag worden. Een van de technieken die de
schilder dikwijls aanwendt om die moeilijke doelstelling te bereiken, is het
simultane, parallelle gebruik van verschillende procedures of beeldtalen.
In bepaalde doeken - bijvoorbeeld de marines, met de uiterst subtiele gradatie
van turkoois naar mauve als grondlaag, het getekende ortogonale raster en de
diagonale structuur van de met zwarte lakverf uitgestreken golven - vloeien de
verschillende beeldmiddelen en -talen naadloos en harmonieus ineen. In andere
gevallen manifesteren ze zich als parallel functionerende, duidelijk
onderscheiden systemen. Dat is zeker het geval waar Berlanger de spuitbus
hanteert, hetzij om rasters aan te brengen, hetzij om, als een
graffitikunstenaar, in grote cirkelvormige bewegingen zijn doek te bespuiten. De
cirkelvorm contrasteert met de explosieve, agressieve structuur van de
serenoaplant. Beide vormen vechten met elkaar én versterken elkaar. Het
zwartwitte beeld is een realistische representatie, de met de spuitbus
aangebrachte cirkel heeft helemaal niets te maken met dat soort nauwkeurige,
fotografische schilderkunst. Het is een teken, maar dan een dat nergens naar
verwijst, dat pure, lichamelijke expressie is, de neerslag van een dansende
beweging, van een gebaar. Op die manier introduceert Berlanger binnen in zijn
schilderkunst niet alleen aspecten van andere media, zoals fotografie en
performance, maar laat hij ook sterk uiteenlopende picturale handelingen op
elkaar inwerken, zonder dat de ene het van de andere haalt, en zonder dat er
enige vorm van synthese of onderlinge harmonie mogelijk is. Net zoals in de
doeken van de Amerikaanse schilder Christopher Wool blijven de diverse beeldende
middelen steeds als verschillende 'lagen' in het beeld functioneren, die visueel
makkelijk te scheiden zijn. Daardoor blijft het beeld in de blik van de kijker
wringen en enerveren, blijft het spanningen en gebeurtenissen genereren. In die
kwaliteit situeert zich volgens Berlanger trouwens het cruciale onderscheid dat
een beeld al dan niet een artistieke waarde geeft: terwijl het ene beeld
volledig afgesloten is - voltooid verleden tijd, dood - en dus te nemen of te
laten, laat het andere beeld van alles gebeuren in de waarneming van de
toeschouwer: hier en nu, tastbaar, reëel. Daarbij is het best mogelijk dat het
beeld de kijker moedwillig bij de neus neemt. Terwijl de kijker bijvoorbeeld
steevast denkt dat het graffitibeeld bovenop het zwartwitbeeld aangebracht is,
is het omgekeerde waar.
Er zijn nog tal van voorbeelden te noemen waarbij Marcel Berlanger diverse
beeldmiddelen, -technieken en -talen tegen elkaar uitspeelt. Dankzij de verdere
perfectionering van de gietprocedure is hij sinds een paar jaar in staat om de
inwendige wapening in glasvezel volledig weg te laten, zodat een transparant
doek ontstaat, dat niet aan de wand maar midden in een ruimte gepresenteerd
wordt. Net als een middeleeuws retabel bezitten deze schilderijen dus een voor-
een zij- en een achterkant, en kan de toeschouwer er rond circuleren. De
bijzonder belangrijke rol die de lichtwerking hier in de verschijning van het
beeld vervult, waardoor dat beeld als het ware gaat vibreren, doet sterke
parallellen ontstaan met de waarneming van een filmbeeld. Enerzijds lijken deze
transparante schilderijen dus op te lossen in een puur beeld, anderzijds ogen ze
juist bijzonder concreet en tastbaar dankzij hun ruimtelijke presentatie.
Een ander voorbeeld van de manifeste combinatie van diverse beeldsystemen zijn
de Optotypes. Een reeks letters is in schijnbaar willekeurige volgorde in een
vijftal lijnen gerangschikt. De letters staan in spiegelbeeld en worden per lijn
geleidelijk aan groter of kleiner. De kijker maakt meteen de link met de
lichtbak waarmee de oogarts de oogsterkte test. Bovenop de letters is in sommige
gevallen een portret geschilderd, in andere schilderijen gaat het om schijnbaar
vrij lukraak geplaatste verftoetsen. Het doek is volgens de vertrouwde
gietprocedure vervaardigd, en opvallend is dat de letters daarbij in reliëf -
een beetje hoger dan de achtergrond - 'gegoten' zijn. Deze relatief kleine
doekjes vormen dus een eigenaardige koppeling van schilder- en beeldhouwkunst,
en veroorzaken nog meer verwarring doordat ze zowel tot lezen als tot kijken
aanzetten. Met de letters lijkt Berlanger enerzijds te suggereren dat elk
schilderij in zekere zin 'gelezen' kan worden, dat een beeld nooit een zuivere
neerslag van zintuiglijke registratie kan zijn, maar altijd een geheel van
gecodeerde betekenissen of representaties is. Een portret is bijvoorbeeld altijd
heel sterk gelieerd aan de naam van de afgebeelde persoon. Doordat de letters
anderzijds in willekeurige volgorde en in spiegelbeeld geplaatst zijn, zijn ze
bevrijd van hun verwijzende functie en komt de nadruk op hun vorm, hun
beeldwaarde te liggen. De schijnbaar lukraak geplaatste verftoetsen blijken aan
weerszijden van een imaginaire verticale as zo ongeveer gespiegeld te zijn, wat
het ogenschijnlijk willekeurige, chaotische karakter ervan volkomen
tegenspreekt. Dit doet denken aan de pychologische Rorschachtest: inkt wordt
uitgegoten op een blad papier, dat vervolgens gevouwen, dicht- en weer
opengeplooid wordt. De psycholoog vraagt de patiënt wat hij of zij in het aldus
ontstane, symmetrische vlekkenpatroon herkent. Deze techniek speelt rechtstreeks
in op de netwerkvormige structuur van de hersenen. Dat netwerk bestaat uit
miljoenen uiterst elementaire, gelijkaardige neuronen. Als bepaalde neuronen
samen geactiveerd worden, laat ons bijvoorbeeld aannemen bij het zien van een
treurwilg, ontstaan bepaalde figuren of patronen in het netwerk. Telkens een
treurwilg daarna opnieuw op het netvlies verschijnt, wordt een verzameling van
deels dezelfde neuronen geactiveerd en worden elkaar deels overlappende
trajecten of patronen van verbindingen tussen die neuronen 'ingeslepen'. Na
verloop van tijd zal zich uit die elkaar overlappende figuren een prototype
vormen, waardoor elk enigszins daarmee corresponderend patroon voortaan als
'treurwilgachtige figuur' herkend wordt. Dit zuiver fysisch proces, dat ons
leert herkennen en catalogeren, ontwikkelt zich volautomatisch, zonder enige
centrale sturing of codering vanuit het bewustzijn. Het behoort tot dat
'impliciete', lichamelijke deel van ons geheugen waar het bewustzijn geen enkele
greep op heeft. Dat zorgt ervoor dat we ons altijd opnieuw laten vangen door
optische illusies, dat we in een verzameling vlekken of een zwerm vogels beelden
zien verschijnen, en dat we de onweerstaanbare neiging hebben om in een reeks
willekeurig na elkaar geplaatste letters toch woorden te herkennen. Daarnaast
liggen deze processen evenwel ook aan de basis van elk vermogen tot verbeelding
en van elk leerproces.
Een groot treurwilgschilderij van Marcel Berlanger. Je kan het bekijken als een
prentje uit een wetenschappelijke catalogus, netjes geordend, geclassificeerd,
gecodeerd vanuit een éénduidig kennissysteem. Je leest het beeld als
'treurwilg', eventueel gevolgd door de exacte Latijnse benaming, de familie, de
geografische spreiding, enzovoort. Het schilderij kan die context oproepen, maar
tegelijk zijn er ook de andere referenties en associaties, de herinneringen, de
sentimenten die zo'n boom meteen bij je oproept, en je beseft dat de schilder
die doelbewust bij je naar bovenhaalt. Daarnaast is er die knoopachtige
structuur van de drager, waardoor dat dekselse schilderij, wanneer je nadert en
vervolgens weer afstand neemt, je telkens weer de magie van de verschijning en
het proces van de herkenning laat ervaren.
Ik heb me afgevraagd wat van een verzameling zwarte of witte blokjes een
herkenbaar en betekenisvol beeld maakt. De netwerkstructuur van de hersenen, die
zonder tussenkomst van het bewustzijn prototypes genereert, lijkt de oplossing
aan te reiken. Maar, zoals Douwe Draaisma aangeeft, blijft in ultieme instantie
de vraag gelden hoe de link gelegd kan worden tussen dat puur fysische proces
aan de ene kant, en aan de andere kant het bestaan van een bewustzijn dat de
resultaten van die processen in betekenisvolle representaties omzet. Anders
gezegd: wie of wat bedient de machinerie, en interpreteert de resultaten? In
populair-wetenschappelijke publicaties lopen in de hersenkamers steevast kleine
mannetjes rond, zogenaamde 'homunculi', die de aanwezige machines - een camera,
een computer of een weefgetouw - bedienen. Het komt mij voor dat Marcel
Berlanger het met zijn beelden precies op die ijverige werklui gemunt heeft. Hij
prikkelt ze, kietelt ze of enerveert ze, hij zet ze aan het werk. Met de grote
treurwilg in zicht is het alle hens aan dek. |