|
|
Frank Maes
De teruggegeven kopie
Ce qui me frappe le plus dans la mémoire, ce n’est pas qu’elle redit le passé
– c’est qu’elle allimente le présent. Elle lui donne réplique ou réponse, lui
met les mots dans la bouche et ferme en quelque sorte tous les comptes ouverts
par l’événement.
Paul Valéry
Een ongrijpbaar krachtig en toch bijzonder rustgevend gevoel, dat is wat die
schilderijen langzaam in je oproepen wanneer je een tijd in hun buurt vertoeft.
Gevoel is wellicht een te beperkt woord. Hier is duidelijk heel beheerst en
overwogen te werk gegaan. Er wordt ook niets persoonlijks in uitgedrukt, lijkt
me. Of beter, het overstijgt dat. Misschien is het in laatste instantie zelfs
allesomvattend. En het komt van ver. Vandaar dat ze aanvankelijk nogal gesloten,
stil, afstandelijk aandoen.
Het gaat om twee reeksen schilderijen. Beide bestaan uit combinaties van
monochrome kleurvelden. Die zijn telkens op een vrij egale, gelijkmatige wijze
op het doek aangebracht. Er is geen verftoets. Er is de kleur zelf, en de maat.
Beide zijn opgebouwd op basis van dezelfde maateenheid, veertig bij dertig
centimeter, die x aantal keer vermenigvuldigd wordt. De schilder heeft een
raster ontwikkeld, een moule, waarin hij de wereld giet. Maar in de ene reeks
doeken lijkt dat een totaal andere wereld te zijn dan in de andere. De eerste
wereld is helder, zuiver, strak afgelijnd en tegelijk ijl, ontastbaar en
onmetelijk. De tweede is daarentegen heel concreet, smeuiig, vervuild, rafelig.
Toch drukken beide uiteindelijk datzelfde ‘gevoel’ uit, gaan ze op in een en
dezelfde wereld. Die is voor een stuk ontstaan bij het weerklinken van de eerste
stappen van de kunstenaar in zijn atelier, en tegelijk ook veel vroeger.
Eerst was er allicht verwondering. Ik kan het me zo voorstellen. De schilder op
verkenning in zijn nieuwe atelier - twee hoog, flink wat noorderlicht, ruim en
wit. Hij snuift indrukken op, het doffe geklop van zijn voetstappen kaatst tegen
de kale wanden, hij laat een hand argeloos tastend langs een muur glijden. En
dan, hoe het precies gegaan is weet ik niet, misschien een kleine oneffenheid,
een haperende vingernagel en wat kalk dat geruisloos loslaat. Daar verschijnt
ineens dat groen. Een klein gaatje in de strakke witte huid.
In een impasse beland koos hij ooit voor de duisternis van een maand isolement.
Een kamer, ramen, kieren, ogen, alles dichtgeplakt. Op zoek naar een nulpunt.
Naarmate de energie van buitenaf wegebde, figuren en kleuren vervaagden en hij
steeds meer naar binnen keek, werd het niet zwart, maar bruin.
Hij verlangde ernaar tot een toestand te komen waarin elke ervaring, beslissing,
beweging een bijzonder gewicht verkreeg. Gebeurtenissen verknoopten zich op een
noodzakelijke, fatale wijze met elkaar. Handelingen speelden zich af op het
scherp van de snee: alles of niets. En hij wilde de innerlijke kracht bezitten
om die werkelijkheid aan te kunnen. De ultieme vrijheid proeven.
Toen de klevers werden verwijderd en licht voor het eerst weer zijn ogen
kwetste, kleurde de hele wereld groen. Bruin en groen: bloed en voedsel van zijn
kunst.
Dan verschijnt ineens dat groen. Het atelier, zoëven nog ver en vreemd, haakt
zich vast in het verhaal dat in het duister begon. Hij merkt hoe verbindingen
met eerdere ervaringen, beslissingen, bewegingen tot stand komen, hoe een ruimte
rond hem vorm aanneemt. Hij beweegt door de ruimte, de ruimte beweegt hem.
Maar dat volstaat niet. Zijn notie van de ruimte blijft fragmentair. Ze stoelt
teveel op losse waarnemingen. De verbindingen missen nauwkeurigheid. De schilder
verlangt ernaar de hele ruimte in een helder beeld te vatten.
Hij schakelt de analyticus in. Die onderzoekt naar kleur en materiaal wat achter
het wit verborgen zit. De pleisterlaag wordt niet verwijderd. Alsof dat wat
erachter zit niet ontbloot mag worden, binnenkant moet blijven, bescherming
behoeft. Wat per toeval aan het licht is gekomen had misschien nooit gezien
mogen worden. Of is het niet leefbaar - zelfs niet voor eventjes - zo’n
knalgroen atelier?
Wat voor het blote oog verborgen blijft ontsnapt niet aan de wetenschappelijke
blik. De analyticus neemt minuscule staaltjes - de witte huid geperforeerd met
onzichtbare gaatjes. Hij kijkt door de muren heen met zijn röntgenapparaat. De
muur als microcosmos. Als een oneindige reeks chemische verbindingen. Hij
ontdekt diverse kleurschakeringen, variërend van groen over gebroken wit tot
bruin. De pigmenten dateren van 1898. Het betreft een hechtingslaag, aangebracht
om de cohesie tussen de stenen kern en de kalklaag te verzekeren. Maar waarom
creëer je zo’n schitterende kleurvelden, als het in hun functie besloten ligt
dat ze bedekt zullen worden om voor altijd in duisternis verhuld te blijven?
Het wetenschappelijke resultaat is duidelijk leesbaar, verschaft veel cruciale
informatie, maar is vlak en statisch. Het blijft op afstand. De analyticus raakt
niet binnen in de ruimte - dat is vast ook niet zijn bedoeling. Hij kijkt naar
een kraakhelder, doorzichtig schaalmodel.
Toen wij in het zuiden, lang geleden, onze wanden nog volop bedekten met immense
bedwelmende spektakels en de luister van het grenzeloos decoratieve, ontstond in
de Noordelijke Nederlanden een volkomen nieuw type landschapsschilderkunst.
Terwijl wij ons lieten betoveren door een dwarrelende, vibrerende kleurenpracht,
deden Van Goyen en Ruysdael je met een klap op de aarde en op jezelf
terugvallen. Hun minimalistisch palet bestond uit okers, grijsbruinen,
metaalgrijzen, watergroenen. Het was het eerste totaal wereldse, profane
landschap. Een wereld van zand, modder en onkruid.
Maar ook van eindeloze vergezichten en duizelingwekkende wolkenformaties.
Paradoxaal genoeg werd precies daar en toen de natuur in haar verhevenheid
ontdekt. Naarmate de wetenschapper meer macht over de wereld verwierf en haar
nauwgezetter in kaart bracht, groeide het besef dat dit profane universum in
zijn totaliteit ontsnapte aan de menselijke ervaring. Omdat het een bereik bezat
dat onafhankelijk van de mens in zichzelf rustte.
De zintuigen werden gewantrouwd, de barokke imaginatio verworpen. Men ging
gedreven op zoek naar het inwendige, de kern, het onzichtbare. Vol fascinatie en
huiver ontsloot men de wereld van het skelet, de constructie, de zuivere vorm.
Vanuit het verlangen een glimp op te vangen van het maatloze, tijdloze,
oneindige.
De schilder gaat al even rigoureus als de wetenschapper te werk. Op basis van
diens analyses maakt hij kopies, schaal een op een, van stukken hechtingslaag.
De pigmenten zijn exact dezelfde als die van honderd jaar terug. Ze worden
gebonden in acrylmedium. Dit vormt de aanzet van een reeks schilderijen,
getiteld ‘replica reversa’.
Replica: 1. door de ontwerper zelf of in zijn atelier vervaardigde kopie van een
kunstwerk; 2. (muz.) herhaling door een andere stem; 3. afgietsel, afdruk van
een oppervlaktestructuur in een plastisch materiaal. Repliek: 1. (terechtwijzend
of afdoend) antwoord; 2. (rechtspr.) verweerschrift; 3. kopie, replica. Revers:
1. keerzijde, achterkant; 2. rug (van de hand); 3. omslag, opslag (aan kleren).
Reverser: 1. (een post) overdragen, overbrengen; 2. terugstorten; 3. weer
ingieten, inschenken.
Een aantal doeken uit de reeks ‘replica reversa’ meet tachtig bij driehonderd
centimeter. Ze bestaan uit twee horizontale, friesvormige banden van veertig
hoog. De bovenste band is de kopie. Onderaan staat een woord of een aforisme
middenin een wit veld. Het gaat veelal om ideële termen, die zich noch op een
eenduidige betekenis, noch op een concrete verwijzing laten vastpinnen. De
letters worden door een aantal dunne witte verflagen bedekt. De textuur van het
doek blijft doorheen de flinterdunne lagen aan de oppervlakte meespelen. Maar de
tekst verdwijnt, nog net leesbaar, in de diepte. De schilder toont zijn
specifieke instrumenten, definieert zijn parameters, zijn raster, zijn taal. Hij
affirmeert zichzelf als schilder. Hij markeert zijn positie.
En de schilder kopieert. Hij tracht nauwgezet de resultaten van de
wetenschappelijke analyse op het doek te transponeren, in zijn moule te gieten.
Gedurende die reproductiearbeid vermengen vroegere ervaringen, beslissingen,
bewegingen - die de moule mee gevormd en gekleurd hebben - zich steeds intenser
en gedetailleerder met de structuur van de honderd jaar oude hechtingslaag. Er
gebeurt iets heel concreets, en tegelijk is het ontastbaar. Het is alsof in de
steeds genuanceerder bewegingen van het penseel over het doek zijn voetstappen
resoneren, weerkaatsend in het atelier. Hij beweegt zich feilloos door de
ruimte, de ruimte beweegt hem. Hij is die ruimte.
Wat dan aangevangen met die andere reeks werken - de concrete, smeuiige en
rafelige? Die vormen de keerzijde - eigenlijk de voorzijde - van hetzelfde
atelier. Het zand, de modder en het onkruid.
Jarenlang schildert hij met groen. Op een bepaald ogenblik begint hij korsten
verf op de atelierwanden af te schaven. Die korsten zijn daar terechtgekomen
door ongecontroleerde schilderbewegingen over de randen van het doek heen -
afwijkingen, ongelukjes, restjes. Hij vermaalt de pigmenten tot nieuwe verf en
smeert die heel direct, niets sturend, met spatels uit over een setje van vijf
basismodules. Soms zitten er onvermalen brokken geel en blauw in de korsten. Die
zorgen voor vervuiling. Bovendien schaaft hij de wand wel eens verder af. Dan
komen er schilfers kalk en, lieve hemel, honderd jaar oude pigmenten mee. Het
resultaat kan bijgevolg sterk uiteenlopen. Soms is het knalgroen, een andere
keer grijzig. De eindafwerking van de doeken bestaat uit het platschuren van de
verflaag met een schuurmachine - waarna het afval vanzelfsprekend opnieuw
gerecycleerd wordt. Uiteindelijk hangen ze met hun kartelende randen - simpel
gevolg van de verfopbreng - tegen elkaar aan te wrikken. Het maakt ze kwetsbaar.
Die schilderijen proberen, net als de tekst ‘Je me souviens’ van Georges Perec,
elementen terug te vinden uit het weefsel van het dagelijks leven. ‘Het is een
ervaring vlak bij de grond [...] achtergrondgeluid [...] gevat op het niveau van
de omgeving waarin het lichaam zich beweegt, de gebaren die het maakt, heel die
alledaagsheid die samenhangt met kledingstukken, met voedsel, met reizen, met
hoe je de tijd gebruikt, met de exploratie van de ruimte.’ De schilder maakt een
soort allegorie van zijn eigen doen.
Toch schemert ook in die concrete massa de reverse kant van de ruimte door.
Perec wijst erop dat het een ervaring is die nooit begrepen zal worden door het
bewustzijn, het gevoel, het idee. ‘Het is zoiets als meditatie, een wil om je
leeg te maken ...’ De schrijver, de kunstenaar is op zoek naar ‘iets dat een
ogenblik kan stollen, in het schrijven, als een spoor, maar dat verdwenen is’.
En dat wordt dan de bron van een verhaal. |