Writers

<< BACK TO FRANK MAES

 

 

 

Frank Maes

KUNST VOOR ROAD DOGS
Over het werk van Stief Desmet



“What is that feeling when you’re driving away from people and they recede on the plain till you see their specks dispersing? – it’s the too huge world vaulting us, and it’s good-bye. But we lean forward to the next crazy venture beneath the skies.”
Jack Kerouac


Stief Desmets tentoonstelling in de Brakke Grond te Amsterdam, in de zomer van 2005, steekt vol referenties aan Easy Rider, de cultfilm uit het einde van de sixties met Peter Fonda en Dennis Hopper. In een van de schilderijen bijvoorbeeld tekenen de protagonisten zich in krachtige zwarte vegen tegen de witte achtergrond af. Ze wijzen naar een wolk van gekleurde blokken. De wereld openbaart zich aan onze beide ‘traagrijders’, volgens het opschrift in de rechter benedenhoek, in A WHOLE NEW PERSPECTIVE (2005). Het schilderij fascineert omdat dat wat bij een eerste blik nogal slordig of onhandig op doek gezet lijkt, achteraf als een krachtig beeld op je netvlies gebrand blijft. Een sculptuur van een chopper (de typische hippie-motorfiets met de lange voorvork) is opgetrokken uit piepschuimballetjes. Als een psychedelische American dream, klaar om elk moment uiteen te spatten (STYROFOAMCHOPPER, 2005).
Het Vlaamse cultuurhuis in Amsterdam is gezegend met een weerbarstige ruimtelijke context voor het presenteren van beeldende kunst. Een witte expozaal wordt door een glazen tussenwand afgescheiden van het soort amorfe doorgangs- annex tentoonstellingsruimte waar culturele centra een patent op hebben. Het is een genoegen om te zien hoe Desmet die heterogene architectuur naar zijn hand zet. Op dezelfde speelse en tegelijk intelligente manier waarmee hij omgaat met de geschiedenis van zijn medium, met de wereld van Pop en consumptie of met onze complexe verhouding tot de natuurlijke omgeving, geeft hij door middel van zijn tentoonstellingsopbouw commentaar op de gegeven context. Hij maakt van de glazen tussenwand een vitrine, waarbij schilderijen en tekeningen hun ‘rug’ naar de achterliggende ruimte toekeren en alleen achter glas, vanuit de belendende ruimte, te bezichtigen zijn. Hij beschildert wanden en zuilen van de doorgangsruimte met gekleurde lijnen, waardoor die als een netwerk van leidraden voor de toeschouwer fungeren. Aan de hand van die leidraden maakt hij van de presentatie een parcours dat zich geleidelijk voor de toeschouwer ontvouwt. Het parcours leidt onder andere naar een installatie bestaande uit twee zware motorfietsen. Uit de uitlaatpijpen schiet stripverhaalvuur. De motoren functioneren tijdens de opening, waar opvallend veel overjaarse Amsterdams hippies met roosbeglaasde brillen op afkomen, als coulissen voor een soundscape-optreden. Tussen al dat motorgeweld duiken er heel wat natuurbeelden op. Het tentoonstellingsparcours zet zich virtueel voort via een reeks Imaginary Walks (2003), schilderijen met gestileerde woud-, berg- en dalfragmenten, verbonden door kaartaanduidingen van wandeltrajecten. Een zwarte hertenkop is met vlammen bedekt (Kyuss,2003). Een ander koppel motoren, waarvan beide exemplaren uit een houten plank gezaagd zijn, is ingepalmd door een aantal kleurrijk uitgedoste, opgezette papegaaien (Easy ridin’ #1, 2005). Een zwarte vlek deint uit tot ze de vorm van een gorillakop verkrijgt (Headhunter, 2004). Een hond van het Bobby-type, in profiel afgebeeld met kleurrijke pijltjes die bepaalde punten van zijn lichaam aanwijzen, lijkt recht uit een handboek voor veeartsstudenten of hondenfokkers gestapt (Terriër, 2004). Voorts: een paard (Pferd, 2003), twee leeuwen (High Voltage, 2004 en Hilfe, 2003), nog een hert (Hirsch #2, 2004).
De film EASYCHOPPERBUNNY (2005) vat het naar mijn gevoel op een gebalde wijze samen. Een figuur met konijnenmasker en blauwe overall rijdt met een chopperfiets (een derivaat van het gemotoriseerde origineel, dat tijdens de jaren 1980 in de fietsenverhuur aan de Belgische kust een succesnummer was) langs velden, wegen en waterlopen, door stad en platteland, over bruggen en kasseien, daarbij gezwind tramsporen ontwijkend. Het gefilmde schommelt voortdurend tussen belachelijk en fascinerend, rustgevend en enerverend, bricolage en vernuft. Tenslotte, wanneer hij tijdens de doortocht in een tunnel, in slow motion en ondersteund door een langgerekte riff op elektrische gitaar, geleidelijk in een vlekkerig spel van licht en schaduw verdwijnt, lijkt de Easychopperbunny klaar om een mythische status te verwerven. Het beeld dat daarop volgt, het laatste van de film, waarin Stief Desmet in blauwe overall in zijn atelier zit uit te blazen, doet de hele film in een andere richting kantelen. Wat we meegemaakt hebben, is een ‘imaginary ride’ tussen het huis en de werkplaats van de kunstenaar. De film is een zelfportret, en tegelijk veel meer dan dat. Gebald en scherp, en met een flinke dosis ironie, becommentarieert Desmet zijn manier van werken, en de positie en de rol die hij als kunstenaar voor zich weggelegd ziet. Met zijn versie van ‘de kunstenaar aan het werk’ stapt hij in een notoire moderne traditie (Rembrandt, Velazquez, Courbet, ...), waarbij de kunstenaar in een heldere synthese de essentie van zijn kunstenaarschap aan de orde stelt.

Het is geen toeval dat Stief Desmet teruggrijpt naar Easy Rider. Het belang van de road story en movie voor de Amerikaanse, en bij uitbreiding de Westerse cultuur en kunst sinds de jaren 1960 is nauwelijks te overschatten. De Britse blues-muzikant John Mayall, een kind van de sixties dat onlangs in ons land optrad, heeft zijn laatste plaat Road Dogs gedoopt. Uit de staat van voortdurend ‘onderweg-zijn’, zoals onder andere verwoord in Jack Kerouacs On the Road van 1957, spreekt enerzijds een fundamentele rusteloosheid en het gevoel van een onomkeerbaar verlies, anderzijds het vieren van de nieuw verworven vrijheid, het vermoeden van nieuwe mogelijkheden en perspectieven en de cultivering van een romantisch verlangen naar de ‘andere’ wereld die zich aan de einder zal aandienen. Beide aspecten zijn terug te vinden in Stief Desmets werk.
De 21ste-eeuwse stedeling is, paradoxaal genoeg, per definitie nomadisch. Er is geen vast standpunt van waaruit hij de stad, laat staan de wereld, zou kunnen overzien, of in een beeld weergeven. Hij trekt door de stad als door een jungle, rusteloos, gedreven door zijn verlangens, snel reagerend op de stroom van beelden en prikkels die op hem afkomt, hier en daar de elementen sprokkelend waarmee hij zijn realiteit, zijn landschappen tracht te construeren. Kunst wordt vandaag gemaakt door road dogs, voor road dogs. Vraag is hoe de kunstenaar, geconfronteerd met een tekort aan overzicht en een teveel aan complexiteit, in die omstandigheden te werk kan gaan voor de constructie van een beeld.
Ap Dijksterhuis van de Amsterdamse universiteit laat beslissingen in verband met complexe kwesties aan het instinct over. Dat is althans het besluit van het onderzoek dat hij recent in het toonaangevende wetenschapstijdschrift Science publiceerde. Als je bijvoorbeeld voor een belangrijke aankoop staat, is het weliswaar aangewezen om eerst alle relevante informatie nauwgezet op een rijtje te zetten, maar eens dat gebeurd is, doe je er goed aan een eindje te gaan fietsen, een potje te scrabbelen of je moestuin om te spitten. Om vervolgens meteen de cruciale beslissing te nemen. Als je daarentegen alle factoren bewust tegen elkaar tracht af te wegen, raak je zo verstrikt in de veelheid aan informatie dat de kans op een slechte keuze gevoelig toeneemt. Geconfronteerd met een hoge graad aan complexiteit blijkt het onderbewustzijn efficiënter dan de ratio.
Dat onderbewustzijn kunnen we ons voorstellen in de vorm van patronen die zich, van in de wieg, tussen de miljoenen neuronen in ons brein aftekenen wanneer we iets waarnemen of een bepaalde beweging uitvoeren. Telkens we een gelijkaardige beweging of waarneming verrichten, tekent zich een deels overlappend patroon af. Met elke herhaling slijpen de verbindingen zich wat dieper in, verloopt de herkenning of beweging een beetje makkelijker, tot zich een min of meer stabiel prototype vormt. Zo ontstaat een gigantisch reservoir aan kennis en ervaring dat zich, buiten de greep van het bewustzijn, via herhaling en associatie voortdurend en stelselmatig in ons brein inschrijft.
Ik denk dat Stief Desmet de methodiek van Dijksterhuis in zijn kunstproductie toepast, dat ze er zelfs de kern van uitmaakt, zoals in EASYCHOPPERBUNNY kernachtig verbeeld is.

Of het nu om schilderij, sculptuur, video of muurschildering gaat, om van start te gaan met een creatie put Stief Desmet, in navolging van de Pop Art (zowel die van Warhol en Lichtenstein als die van Raveel), uit een geleidelijk aangroeiend repertoire van krachtige, herkenbare beelden, waar elke kijker ogenblikkelijk en automatisch associaties aan vastknoopt. Het zijn prototypes, sjablonen die in het collectief geheugen gegrift staan, gevat in eenvoudige, sterk gestileerde silhouetten. Het beeld valt nagenoeg samen met zijn tekenwaarde, zoals in een rebus. Bijzonder is wel dat Desmet voor de opbouw van dit repertoire niet alleen bekende beelden uit de media of de kunstgeschiedenis verzamelt, maar zijn figuren bijvoorbeeld ook van onooglijke snoepgoedverpakkingen plukt. Soms wordt een beeld volledig rond één centraal prototype opgebouwd, maar in de meeste gevallen zijn er verscheidene figuren in een schilderij samengebracht. Daarbij gaat de kunstenaar te werk als betrof het een collage, hij knipt als het ware een aantal prototypes uit en plakt ze in het beeldvlak. De meeste schilderijen worden vervolgens aan de hand van een vrij impulsief, blind schilderproces in een willekeurig aantal lagen opgebouwd. Het is zoeken en tasten, maar als hij de goede ‘drive’ vindt, verdwijnt de schilder-road dog, navigerend op zijn intuïtie, in de wereld die hij aan het creëren is. Delen van het traject zijn soms te retraceren in het eindresultaat, wanneer sporen van onderliggende lagen aan de oppervlakte opduiken. In de muurschilderingen, waarin overschilderen nauwelijks mogelijk is, verloopt het creatieproces daarentegen een stuk directer, het moet meteen raak zijn. En dat terwijl het overzicht, met de neus op zo’n groot oppervlak gedrukt, totaal zoek is. Het bewustzijn bekent onmacht, het onbewuste lichaam wil het initiatief overnemen maar kan dit niet door middel van een procesmatige schildersact, en zoekt zijn toevlucht in een andersoortige beweging. Bij de creatie van een muurschildering in een voormalige opslagplaats wisselde Desmet het schilderen af met skateboardsessies tussen de gietijzeren kolommen. De capriolen tekenden zich zowel in de ruimte als onder de hersenpan van de skater af, en brachten het onderbewustzijn in stelling om de muur te lijf te gaan. Een derde techniek is het aanbrengen van een uiterst eenvoudig motief of patroon – een stippenraster bijvoorbeeld – dat in de vorm van een ‘all over-structure’ (een deel van) het beeldvlak bedekt (bijvoorbeeld in Acteon, 2005, en in de muurschildering gerealiseerd in het Caermersklooster, 2006). Hier geen rusteloos zoeken, maar een vooraf geprogrammeerde, rustig uitgevoerde procedure. Het betreft evenwel opnieuw een creatieproces zonder causale opeenvolging van bewuste handelingen. Het schilderen wordt op een gedachteloze, mechanische wijze uitgevoerd. In de meeste gevallen is dit patroon op zich nagenoeg betekenisloos, het heeft een uitgesproken decoratief en ondubbelzinnig vlak karakter. In Ce peintre… (2004) wordt de schilder ironisch als decorateur afgebeeld.
Stief Desmets geschilderde beelden bestaan dikwijls uit diverse beeldsystemen – de prototypes, het laag per laag gecomponeerde beeld, het ‘all over’-patroon - die over elkaar heen gelegd worden. Die verschillende beeldsystemen worden door de kunstenaar nooit geïntegreerd tot één homogeen beeld, wat het geconstrueerde, heterogene en tweedimensionale karakter van het schilderij affirmeert. En toch. De kunstenaar rekent op de onbewuste waarnemingsprocessen die door zijn creatie op gang gebracht worden. Voor de kijker het goed en wel beseft, vloeien alle fragmenten en lagen in zijn blik samen tot een beeld. Hij laat het ‘hier en nu’ voor even achter zich, draait de gashendel open en duikt het landschap in, “leaning forward to the next crazy venture beneath the skies”.


Gent, maart 2006

TOP