|
|
Frank Maes
Visoen van de overkant.
De grandioze kunstgrepen van een dode schilder
Over Loek Grootjans
Loek Grootjans speelt hoog spel. Vrijblijvend gezwets, opgefokte drukdoenerij,
het is niet aan hem besteed. (Ik kijk best uit met wat ik hier schrijf.) Dat
heeft hij enkele maanden geleden, in een debat over de positie van de
kunstenaar, aan de toen talrijk aanwezige collega-kunstenaars vrij expliciet
diets gemaakt. Zeg maar gerust dat hij een en ander aan de kaak gesteld heeft.
Het was ook bij die gelegenheid dat hij, als slotconclusie van zijn betoog,
uitriep: “Gelukkig heb ik mijn landschap nog!” Die zin duikt in deze tekst nog
enkele keren op.
Maar kijk, een weinig later is Loek zelf danig van de kaart. Hij is in zijn
zoektocht op een ander gebotst. En wanneer die zoektocht zo onophoudelijk,
intens, fundamenteel verloopt als in zijn geval, dan is zoiets nooit zonder
gevolgen.
Het gebeurde op vrijdag 27 februari 2006, ’s avonds tussen acht en tien, in een
auditorium van de Sint-Lukashogeschool te Gent. In het kader van de
tentoonstelling Landschap, o. (-pen) had ik samen met Rolf Quaghebeur van de
Witte Zaal, de tentoonstellingsruimte van de kunsthogeschool, Loek Grootjans en
de Belgische architect Wim Cuyvers uitgenodigd voor een dubbellezing.
Beide sprekers participeerden tevens in de tentoonstelling, die enerzijds
plaatsvond in een ‘traditionele’ witte tentoonstellingsruimte en anderzijds in
een net door een meubelwinkel verlaten, 19de-eeuws magazijn.
Wim Cuyvers had deels binnen maar vooral buiten, op de laadkade van het
magazijn, louter aan de hand van wat de meubelzaak achtergelaten had, een hok
opgetrokken, met daarin onder andere een bed en een bank. Deze constructie
fungeerde, putje winter, als uiterst elementair onderdak voor elke passant die
daar behoefte aan mocht hebben. Na verloop van tijd stelde Wim tot zijn genoegen
vast dat de ruimte bezocht was: de matras was verdwenen en een van de wanden was
zodanig geforceerd dat ze helemaal scheefgetrokken was. De bezoeker die via dit
hok het magazijn wou binnenstappen, kwam onverhoeds in een nauwe, doodlopende
ruimte terecht, vanwaar hij/zij weliswaar het magazijn via kleine ruitjes kon
waarnemen, maar die geen toegang bood. Je diende volledig op je stappen terug te
keren, om rechts van het hok de ingang tot het magazijn te vinden. Daar kon je
meteen vaststellen dat datgene wat van binnenuit een nauwe, doodlopende ruimte
was, met het volume van een gemiddelde put voor een doodskist, van buitenuit
oogde als een nogal gammel hok, gebouwd op een heel dun en fragiel ogend
liftplateau dat elk ogenblik in beweging leek te kunnen schieten.
Niet ver daar vandaan, zichtbaar vanuit Cuyvers’ zwevende ‘graf’, had Loek
Grootjans een rechthoek uit de eind-19de-eeuwse vloer laten zagen. De
vrijgekomen lap grond werd door de kunstenaar zorgvuldig bemest, geïrrigeerd en
met groeilampen belicht. Een suppoost annex tuinman kreeg een kantoortje ter
beschikking, van waaruit hij/zij tijdens de loop van de tentoonstelling de
installatie nauwkeurig observeerde en de veranderingen, of het gebrek daaraan,
al even nauwgezet noteerde. Bedoeling was te onderzoeken in hoeverre zaden in de
grond, die gedurende anderhalve eeuw van licht en lucht afgesneden waren, nog
levensvatbaar zouden zijn. Of zou Gent helemaal verdoemd blijken? Na geruime
tijd zonder enig waarneembaar teken van leven, ontwikkelde zich op de aarde een
schimmellaag, waarna zich groen mos, en tijdens de allerlaatste week zelfs
enkele grassprietjes aandienden. Als tegenhanger van deze installatie hing Loek
Grootjans in de Witte Zaal enkele fors opgeblazen en knalgroen gekleurde
fragmenten van vakantiekiekjes. Daarop waren, quasi onherkenbaar en abstract
door de digitale bewerkingen van de kunstenaar, stukjes landschap te zien. Die
landschappen had Grootjans destijds, tijdens gelukzalige zomerse momenten, op
zo’n manier ervaren dat ze hem aan zijn dierbare monochrome schilderkunst hadden
doen denken.
Wat Grootjans en Cuyvers bindt, is de consequentie en radicaliteit waarmee ze
denken en handelen, en de aanhoudende ijver om, hetzij via het beeld, hetzij via
de ruimte, zichzelf en ons bewust te maken, het bewustzijn aan te scherpen. Er
zijn ook enkele verschillen. Loek is bergbeklimmer; Wim kruipt, als speleoloog,
in de grond. Loek heeft uitgeroepen: “Gelukkig heb ik mijn landschap nog!” Wim
stelt dat het einde van het landschap er zit aan te komen. Loek is bij het begin
van zijn lezing bloednerveus en snakt, als astmapatiënt, amechtig naar adem,
omdat de elektriciteit het tot net voor de lezing niet deed en hij zich daardoor
nauwelijks heeft kunnen voorbereiden om de door hem betrachte concentratie en
helderheid te bereiken. Wim zit constant te sukkelen met zijn dia-apparaten, hij
werkt daarbij de toeschouwers beduidend meer op de zenuwen dan zichzelf en ik
verdenk hem er zelfs van een en ander opzettelijk te doen. Loek dankt de
organisatoren tijdens zijn lezing voor de gastvrijheid en de vruchtbare
samenwerking. Wim geeft diezelfde gastheren een veeg uit de pan, omdat ze Loek
en hem tot een dialectisch spelletje van gelijkenissen en verschillen reduceren
en tegen elkaar uitspelen. Hoe dan ook, hun respectievelijke mijmeringen over
het landschap leveren een gedenkwaardige avond op, waarin niet alleen de
gelijkenissen, maar vooral het cruciale verschil tussen beider visie haarscherp
aan de oppervlakte komen.
De Ander. Schrijvend over het werk van Loek Grootjans heb ik voortdurend de
neiging kapitalen te hanteren, maar ik zal mijn best doen dat in de mate van het
mogelijke te onderdrukken. We hebben het hier niet over pietluttigheden. Je kan
Grootjans er onmogelijk van verdenken zijn taak als kunstenaar (Kunstenaar) te
onderschatten. De ernst, de ijver, de obsessie heeft hij wellicht voor een groot
stuk te danken aan zijn grote voorgangers van de abstracte en monochrome
schilderkunst. Mondriaan, Malevitch, Newman, Reinhardt, Klein,... De manifeste
weigering van het compromis, het streven naar het Absolute. Grootjans vond het
ook bij Baruch de Spinoza, de consequentie en radicaliteit die tot helderheid
leidt. Maar die de bestaande orde ook op (zijn) grondvesten doet daveren, die de
grond vanonder je eigen voeten wegmaait. Het gaat er niet om ‘tot op het bot’ of
‘tot op de bodem’ te gaan. Er is geen bot, geen kern, geen bodem. Met die
afgrond ziet de kunstenaar van vandaag – dat wil zeggen vanaf Spinoza – zichzelf
geconfronteerd, tenminste als hij/zij een elementaire eerlijkheid aan de dag
legt. Het is volkomen legitiem om daar vervolgens behoedzaam rond te cirkelen,
er af en toe voorzichtig een blik in te werpen en die ervaring op een of andere
manier in beelden te verwerken. Die fungeren dan als een platform boven de
afgrond. Loek Grootjans is er op een bepaald moment ingedoken. Een maand heeft
hij in volledige duisternis doorgebracht. Daaruit is het grootste geluk
voortgekomen: monochrome schilderijen, bruinen en groenen, de kleuren die
respectievelijk tijdens en net na zijn periode in het donker op zijn netvlies
verschenen.
In zijn eindeloze val naar de bodemloosheid, in de voortdurende oefening om
zichzelf aan de haren uit het moeras te trekken, vond Grootjans, na Spinoza, een
tweede belangrijke bondgenoot: de Franse schrijver Georges Perec. Vanuit het
gegeven dat die geen verleden had – zijn ouders waren in de tweede wereldoorlog
niet uit de kampen teruggekeerd – spreidde Perec in boeken als Je me souviens en
Het leven: een gebruiksaanwijzing een grandioze obsessie voor de details van het
dagdagelijkse, zowel persoonlijke als maatschappelijke leven tentoon. Een
uiterst trefzeker observatievermogen, gekoppeld aan een fascinatie voor
wiskundige spelletjes en de wijze waarop toeval en systematiek daarin een innig
verbond aangaan, vormden het voedsel van zijn literair oeuvre. Zo trachtte Perec
de onvatbare ‘onderstroom’ van het bestaan, die nagenoeg onmerkbaar aan ons
voorbijschuift, zo dicht mogelijk te benaderen, te herinneren. Aan Perec
ontleent Grootjans de vaststelling dat het onmogelijk is om niet(s) te denken:
“We all think.” En de notie van de ‘contrainte’, de zelf gekozen, in se
arbitraire beperking als heilzame bron van elke vorm van cultuur, als
noodzakelijke filter om naar de wereld te kijken en haar in een vorm te gieten,
als pijler van de constructie boven de afgrond. Toen Grootjans in een oude
kazerne te Breda een nieuw atelier betrok, en daar, onder de witte pleisterlaag,
de groenen en bruinen van zijn schilderijen aantrof, kwamen de geschiedenis van
het gebouw en die van zijn nieuwe bewoner op wonderlijke wijze samen. Grootjans
liet die onderlagen wetenschappelijk tot in de puntjes analyseren, en kopieerde
ze op doek. Zijn doeken vormden, zowel in de hoogte als in de breedte, een
veelvoud van een vlak van 40 centimer hoog bij 30 centimeter breed. Dat is de
basismodule, gietvorm of ‘contrainte’ waarmee Grootjans de wereld bekijkt en
zijn realiteit gestalte geeft. Maar het dichtst bij Perec kwam hij wellicht toen
hij met de afgeschraapte verfresten, gipspartikels en 19de-eeuwse pigmenten van
zijn atelierwanden een mengsel fabriceerde, dat hij vervolgens op vijf doeken
van 40 bij 30 aanbracht en met een schuurmachine glad wreef. Die procedure
herhaalde hij een x aantal keer, waarbij het aantal verfresten en pigmenten in
verhouding tot het aandeel gips stelselmatig afnam, en de reeks van vijf doeken
telkens een valere toon verkreeg. De kunstenaar probeerde in die werken, naar
mijn mening, de ‘onderstroom’ van het bestaan, verdoken in de plooien van het
routineuze en alledaagse, te vatten. Het was tegelijk een methode om de
herinnering aan de immens diepe bruinen en onmetelijk volle groenen van (net na)
zijn periode in het donker, te koesteren en te bewaren. Een herinnering die
steeds meer vervaagde naarmate de spoeling van zijn verf dunner werd.
Er ontbrak evenwel nog iets, of beter, iemand. Grootjans vond hem in Rome, toen
hij daar op bezoek was om een tentoonstelling te maken voor het kunstencentrum
Opera Paese. Dat bleek zich midden in een Romeinse ‘borgata’ te bevinden, een
van de volkse buitenwijken waar Pier Paolo Pasolini graag placht rond te
zwerven. Pasolini, die een uiterst scherp historisch en cultureel bewustzijn
koppelde aan een grenzeloze nieuwsgierigheid voor de duistere, afgrondelijke, en
daardoor misschien wel de meest authentieke menselijke behoeften. En die het
voorwerp van zijn fascinatie – de stront, de afgrond - niet van een afstand
analyseerde (zoals Spinoza en Perec), maar er zich daarentegen in wentelde. Om
er tenslotte ook in te sterven. Tijdens zijn eerste bezoek aan Opera Paese trof
Grootjans in de buurt van het kunstencentrum verkiezingsaffiches aan waarop de
chirurgisch verbouwde kop van een televisiemagnaat bekroond werd met de slagzin:
“Wie goed zorgt voor zichzelf, zorgt goed voor degenen die voor hem kiezen.”
Grootjans herinnerde zich hoe de Franse filosoof Paul Ricoeur in zijn boek
‘Soi-même comme un autre’ duidelijk maakte dat men zich nooit ofte nimmer in de
plaats van iemand anders kan stellen, dat men de Ander nooit kan reduceren tot
het beeld dat men van hem/haar heeft. Zijn/haar Andersheid is in absolute zin
onherleidbaar. In Opera Paese, waarin Grootjans samen met Rob Moonen
tentoonstelde, maakte hij een muurschildering, waarin hij de succesvolle slogan
van Silvio Berlusconi confronteerde met een netwerk van de meest uiteenlopende
meningen, bedenkingen of standpunten die wel eens bij een mens opkomen, maar die
zelden of nooit uitgesproken worden. Daarvoor haalde hij zijn inspiratie bij
Pasolini, onder andere uit diens verdedigingspleidooien tijdens de tegen hem
aangespannen processen wegens pedofilie. Diezelfde Pasolini kwam ook opduiken
toen Loek Grootjans zijn einde als monochrome schilder bezegelde met de
tentoonstelling ‘The Final Remains of a Monochrome Painter’. De tentoonstelling
bestond uit een reeks perfect afgewerkte, glazen vitrinetjes op betonnen
sokkels, met een vergrootglas in de bovenkant van elk vitrinekastje, wat de
toeschouwer in staat stelde de ‘laatste resten’ nauwkeurig te analyseren. Samen
met de begeleidende teksten aan de muur bezegelde dit de Dood van de Monochrome
Schilder Loek Grootjans. Naar aanleiding van de tentoonstelling/begrafenis
vormde hij samen met filosoof Harry Van Boxtel en architect ? ?, getooid in pek
en veren, een indrukwekkend en angstaanjagend, apocalyptisch spreek-, of liever
schreeuwkoor, waarin ze gedrieën de ondergang van de mensheid uitkreten.
Niettemin gloorde zelfs daar in laatste instantie een sprankeltje hoop.
De muurschildering van Opera Paese werd in diverse versies en contexten, en in
uiteenlopende talen herhaald. Bovendien nam dit project plots uitbreiding toen
niet alleen Pasolini maar ook Spinoza en Perec zich in de spraakverwarring
kwamen moeien en de kunstenaar ook zinnen kwamen aanreiken, zodat die in één
geut een heel boekje volschreef. Het kreeg de titel Visioen van de overkant. Dat
werd één lange getuigenis van, ode aan en confrontatie met de Onherleidbare
Ander. Vooraan in het boek was een prent opgenomen van de drie woordenspuiers -
Spinoza, onverstoorbaar; Perec, met kat op de schouder; Pasolini, onrustig
wrikkelgat op een krukje -, samengekomen op zolder, in het huis van de
kunstenaar. Illustere Doden, op de thee bij een dode monochrome schilder. De
Dood als de enige echte scherprechter, de enige bron van onomstootbare Waarheid,
de volslagen, Absolute Andersheid.
Ik vraag me af wat Loek Grootjans van het Nederlandse onderwijs vindt, dat
vrijwillig afstand gedaan heeft van zijn geheugen – eerder en grondiger dan het
Vlaamse, dat nu hard zijn best doet om bij te benen. Kennis om de kennis is uit
den boze, enkel nut is van tel. Van buiten leren is voor papegaaien. Men leert
enkel wat relevant geacht wordt binnen de actualiteit, of wat onmiddellijk
aansluit bij de leefwereld van de leerling. De ander is systematisch
buitengewerkt. Ik kan me voorstellen dat de kunstenaar, geconfronteerd met
zoveel kleinburgerlijke engheid, zijn Vlissingse landschap opzoekt, en in de
verte kijkt.
Ook in een van zijn recente projecten, waarbij Grootjans brieven en attributen
tentoonstelt die hem toegestuurd zijn, verschijnt de ander opnieuw in allerhande
vreemde, hilarische en/of boeiende varianten.
Loek Grootjans heeft een Foundation opgericht, “for the benefit of the
aspiration and the understanding of context (formerly known as the institute for
immediate knowledge, real perception and logic features according to the most
contemporary monochrome paintings).” Deze stichting heeft zich intussen, met al
haar departementen, subdepartementen en afdelingen, verregaand vertakt. Dit
alles functioneert als een gigantische constructie rond iets wat in het oeuvre
van Loek Grootjans sinds enige tijd onmogelijk en fysiek afwezig is, maar
precies daardoor met des te meer kracht alles wat hij onderneemt en creëert,
bepaalt en doordringt: de (Monochrome) Schilderkunst. Waardoor ik me afvraag:
wat mag dat dan wel zijn, dat zo onbereikbaar is, en tegelijk alomtegenwoordig
en allesbepalend?
De ervaring van het landschap lijkt het dichtst in de buurt te komen. “Gelukkig
heb ik mijn landschap nog!” Op de top van een berg, in de Zeeuwse polder, of in
ultieme instantie zelfs in een uithoek van een verlaten 19de-eeuws magazijn. In
het landschap zijn de kijker en zijn omgeving – en bij uitbreiding de wereld of
zelfs de werkelijkheid - via de horizon innig met elkaar verbonden. Het omvat
zowel een gevoel van ‘thuis te zijn’ in die omgeving, als de belofte van een
‘verte’, een blik in een toekomst of een verleden, die de begrenzingen van het
blikveld te buiten gaat. Het landschap is een van de uitgelezen manieren waarop
de moderne mens zich tot zijn wereld kan verhouden. Het omvat de belofte of de
mogelijkheid dat de werkelijkheid, dat wat onomstotelijk en autonoom ‘is’, in
een beeld gevat, ‘aangeraakt’ kan worden. In de monochrome schilderkunst wordt
die belofte voor het laatst vervuld.
Vandaar dat de Amerikaanse kunstcriticus Michael Fried in zijn beruchte
Artforum-artikel ‘Art and Objecthood’ uit 1967 zo fel van leer trok tegen wat
hij de ‘Literal Art’ noemde. Terwijl in de monochrome schilderkunst volgens
Fried nog sprake is van een (onmiddellijke, allesomvattende en algemeen
geldende) ‘aanwezigheid’, zijn en blijven de bestanddelen van kunstwerken uit
onder andere de Minimal Art, de Land Art of de installatiekunst niets dan
objecten, die enkel en alleen in de momentane en louter individuele ervaring van
de toeschouwer hun betekenis verkrijgen. Deze zich in ruimte en tijd afspelende
en persoonlijke ervaring kan nooit tot een (totaal)beeld gesynthetiseerd worden.
Fried stelde dat beeldende kunst daarmee verworden was tot theater. Je zou ook
kunnen stellen dat in de kunst vanaf de jaren 1960 de architectuur - dat wil
zeggen de ruimtes en plaatsen waar we ons hier en nu in bevinden en verplaatsen
- haar rechten opeist.
Wim Cuyvers is architect, in die zin dat hij – als ik hem goed begrijp - gelooft
in de unieke mogelijkheden van architectuur om onze nieuwe verhouding tot de
werkelijkheid vorm te geven en te communiceren. Ons bestaan is, na de reducties
en syntheses van het modernisme, essentieel ruimtelijk geworden. We kunnen de
werkelijkheid nooit (in een beeld) vatten, totaliseren, conceptualiseren, omdat
we er ons altijd middenin bevinden, en het volledige overzicht onmogelijk is.
Goede architectuur en ‘letterlijke kunst’ maken ons bewust van dit onontkoombare
tekort, waaraan onmogelijk te ontsnappen valt.
Cuyvers voorziet echter een evolutie waarbij de blindheid wellicht hand over
hand zal toenemen, het blikveld steeds kleiner, enger zal worden en elke
communicatie nagenoeg zal verdwijnen of op een uiterst basaal niveau terug zal
vallen. Dit zou kunnen betekenen dat het kijken in de verte, en bijgevolg het
landschap, op termijn verdwijnt.
Loek Grootjans, dode schilder, blijft, ondanks alles, geloven in de
levensnoodzakelijke en voedzame krachten van het Beeld. Het Monochrome
Schilderij, dat, zonder voorwaarden, voetnoten, punten of komma’s, gewoon ‘is’.
Als vehikel tussen hier en daar, en vice versa. Als mogelijkheid, troost,
hemelpoort. |