|
|
Hans Theys
Meesterproef zonder meester
De wondere aanpak van Ivo Van Hove
Aan de Vlaamse kunstscholen kan je tegenwoordig afstuderen als ‘meester in de
beeldende kunst’. Het woord ‘meester’ is in zwang, ook al weet niemand wat het
eigenlijk omschrijft. In 2001 was er ook een ‘meesterproef’, opgezet door de
Bouwmeester. Eerst voor architectuurstudenten, nu ook voor jonge kunstenaars van
allerlei slag.
Vijf min of meer bekende kunstenaars werd gevraagd vijf jonge kunstenaars voor
te stellen, die door het Team van de Bouwmeester de keuze kregen uit zeven
projecten van Brugge 2002 voor het maken van een kunstwerk in opdracht.
Het meest kenmerkende van deze Meesterproef was wellicht de afwezigheid van een
meester. Hoewel de kunstenaars uitgenodigd werden een kunstwerk aan een openbare
bouwopdracht te koppelen, werden ze niet voorgesteld aan iemand die hier zelf
ooit in geslaagd is. Ze werden ook niet op de hoogte gebracht van eerdere
pogingen. Ze kregen een begeleider toegewezen die ervaring heeft met het
combineren van verschillende kunsttakken in het theater en zich momenteel ook
bezighoudt met het organiseren van een internationaal theaterfestival.
Deze aanpak lijkt kenschetsend voor de Bouwmeester, die weigert te definiëren
wat architectuur en kunst ‘behoren te zijn’. ‘Ik weet niet wat architectuur is,’
zegt hij, ‘voor mij telt alleen het zoeken naar wat architectuur zou kunnen
zijn.’
Deze openheid siert de Bouwmeester. Anderen, vooral wanneer ze in aanraking
komen met de macht, klampen zich vast aan drie of vier ideeën die ze min of meer
beheersen. De meeste mensen kunnen zich geen open denken voorstellen. Ze zijn
bang van de fout, van de verantwoordelijkheid, van het gesprek, van de
verandering. Nu zou het standpunt van de Bouwmeester ook een laffe vlucht kunnen
zijn. Een altijd wijkend standpunt is er geen, absolute openheid is niet meer
dan lucht. Maar daarover kan ik niet oordelen. Ik ben niet bevoegd en ik ben
niet op de hoogte.
Wat de Meesterproef betreft, heeft deze tactiek alvast tot mooie resultaten
geleid. Aanvankelijk was ik verbluft. Hoe kon iemand onvoorbereide mensen met
een oeuvre dat nog zo broos was koppelen aan politiek explosieve
monsterprojecten zoals het aanleggen van een ‘vestibuleplein’ of het bouwen van
een concertgebouw in Brugge? Ik begreep niet waarom de kunstenaars niet meer in
bescherming werden genomen en ik begreep vooral niet hoe ze iets zouden kunnen
bijleren als ze niet begeleid werden door ervaren kunstenaars.
De Bouwmeester, Marc Santens, Katrien Laenen en de door hen uitgekozen
begeleider, Ivo Van Hove, dachten hier duidelijk anders over. De deelnemende
kunstenaars werden niet op de hoogte gebracht van de mogelijkheden en
beperkingen van het maken van kunstwerken in opdracht. Ivo Van Hove gaf er de
voorkeur aan de kunstenaars individueel te benaderen en zoveel mogelijk aan te
sporen hun persoonlijkheid te bewaren. Een groot deel van deze ‘begeleiding’
gebeurde tijdens twee reeksen privé-gesprekken die ik niet heb kunnen bijwonen,
zodat ik er niet over kan berichten.
De choreograaf Ugo Dehaes, die eerder al had gewerkt met touwen en in stukken
opgedeelde lichamen, stortte zich niet op het concertgebouw, maar herkende de
fetisjistische connotaties van een hangbrug en maakte van de gelegenheid gebruik
een plastisch werk te maken. Vanessa Van Obberghen koppelde haar werk aan de
renovatie van een stadspoort. Niet om die poort drie keer zo hoog te maken,
zoals de restaurateur had voorgesteld, maar omwille van de symbolische waarde
van die poort. Ze besluit een gratis krantje te maken over Matonge. Geert Goiris
maakt van de aanleg van het vestibuleplein en bijbehorende sanitaire
installaties gebruik om twaalf prentbriefkaartjes te laten uitdelen door een
toiletdame. Kurt d'Haeseleer opteert voor het concertgebouw omdat hij
gefrappeerd is door de nabijheid van een parkeergarage. Hij maakt in die garage
enkele videobeelden die in het concertgebouw op monitoren te zien zullen zijn.
Jef Aerts kiest het meest fragiele en tijdelijke project, het paviljoen van Toyo
Ito, en probeert zich een tekst in te beelden die zichzelf herschrijft en waait
waar hij wil.
Waarover gaat dan dit verhaal?
Ook al kunnen we geen getuigenis afleggen van de privé-gesprekken die de spil
uitmaakten van Ivo Van Hoves begeleiding van de vijf kunstenaars, toch kunnen we
een idee geven van de inzet, het verloop, de mogelijkheden en de beperkingen van
deze Meesterproef. Dank zij gefilmde interviews die Katrien Laenen heeft
afgenomen van de vijf opdrachtgevers, kunnen we ons een uitzonderlijk precies
beeld vormen van de omstandigheden waarin kunstenaars doorgaans worden
uitgenodigd een kunstwerk te maken voor een welbepaalde site. Wat het meest
opvalt is de verscheidenheid van de opdrachten en de uiteenlopende aanpak van de
opdrachtgevers.
Vervolgens probeer ik een beknopt overzicht te geven van het oeuvre van de
betrokken kunstenaars en van de ontwikkeling van hun nieuw werk. Ik heb mij
daarbij niet opgesteld als criticus, maar als kopiist. Zowel de uiteenzettingen
van de opdrachtgevers als het verloop van de Meesterproef worden zo weinig
mogelijk gecommentarieerd. Samen vormen ze een proeve van positivistisch
onderzoek, waarbij ik de lezer het materiaal nagenoeg onbewerkt aanbied en
uitnodig zelf conclusies te trekken.
Ten slotte probeer ik in een slottekst iets meer te vertellen over de gevoelens
en gedachten die deze ervaring bij mij heeft losgemaakt. Door de koppeling van
de Meesterproef aan enkele grote projecten van Brugge 2002, maar ook door een
recente samenwerking met de architect Luc Deleu, ben ik mij de laatste maanden
enkele naïeve vragen gaan stellen over architectuur. Aangezien ‘kunst in
opdracht’ vrijwel altijd gepaard gaat met een vorm van architectuur, leken deze
vragen mij relevant. Een flinke dosis naïviteit leek bruikbaar. Ik ben er echter
niet uitgekomen. De architectuur is een raadsel gebleven. Waarom draait deze
ambacht zo krom? Ligt het herhaaldelijke falen van de architectuur aan de manier
waarop het vak wordt onderwezen, aan de meestal academische benadering ervan of
aan de onmogelijkheid van het vak zelf?
Het verloop van de Meesterproef
De vijf kunstenaars werden geselecteerd door aan vijf gerenommeerde, in België
verblijvende kunstenaars te vragen een jongere, veelbelovende collega voor te
dragen. Dirk Braeckman, Peter Verhelst, Peter Misotten, Win Van den Abbeele en
Meg Stuart droegen Geert Goiris, Jef Aerts, Kurt d’Haeseleer, Vanessa Van
Obberghen en Ugo Dehaes voor.
De geselecteerde kunstenaars en Ivo Van Hove kwamen half maart voor het eerst
samen voor een tweedaags verblijf in Brugge. Ivo Van Hove, Katrien Laenen, Marc
Santens, Jan Vermassen en de kunstenaars stelden zich voor. De kunstenaars
vernamen dat ze werden uitgenodigd een werk in opdracht te maken en dat ze dit
werk dienden te koppelen aan een van zeven publieke bouw-, restauratie- of
renovatieopdrachten. Katrien Laenen had de zeven opdrachtgevers vooraf
geïnterviewd voor de camera. Deze interviews werden bekeken tijdens een bustocht
die de kunstenaars naar de zeven sites bracht.
Na dit geleid bezoek nodigde Ivo Van Hove iedereen uit in nabijheid van de
anderen luidop na te denken over de zeven sites. Vervolgens sprak hij met elke
kunstenaar afzonderlijk. Tijdens deze eerste reeks privé-gesprekken koos elke
kunstenaar een site. Vanaf dat ogenblik konden de kunstenaars zelfstandig
opereren, maar het was opvallend dat ze elkaar permanent bleven bijstaan.
Na deze eerste kennismaking kregen de kunstenaars twee weken tijd om een eerste
voorstel uit te werken. Begin april kwam iedereen weer samen in het cultureel
centrum De Westrand in Dilbeek. Na een gezamenlijke bespreking van alle
voorstellen had een tweede reeks privé-gesprekken met Ivo Van Hove plaats.
Vervolgens bleven de vijf kunstenaars twee dagen in Dilbeek waar ze elk
afzonderlijk, maar gebruik makend van een gemeenschappelijke ruimte, hun
voorstel uitwerkten. Ten slotte werden de bijgeschaafde voorstellen opnieuw
gepresenteerd in aanwezigheid van b0b Van Reeth en de vijf kunstenaars die hun
jongere collega’s hadden voorgedragen.
Op 19 mei werden de afgewerkte voorontwerpen in Brugge voorgesteld aan de pers.
Voorstelling van de Meesterproef door Marc Santens, Jan Vermassen, Ivo Van Hove,
Katrien Laenen en b0b Van Reeth
Maandag, 13 maart
Marc Santens: Mijn naam is Marc Santens en ik ben hier namens b0b Van Reeth, die
pas morgen aanwezig kan zijn. In de eerste plaats zouden we Ivo willen bedanken
voor zijn bereidheid dit project te begeleiden. Vervolgens zou ik jullie iets
willen vertellen over de context van de Meesterproef. Van bij zijn aantreden in
1999 heeft de Bouwmeester duidelijk gesteld dat hij geen architectuurstijl voor
de overheid wilde creëren. Zijn uitgangspunt is dat hij niet weet wat
architectuur is, maar wel voortdurend op zoek is naar wat architectuur kan zijn.
Hij wil de architecten uitdagen. Welk gebouw moet er komen op welke plek? Een
eerste gevolg is alleszins dat we geen eenheidsworst zullen krijgen. Je kan
nooit voorspellen wat een opdracht zal opleveren. De eerste Meesterproef kwam
tot stand toen we vaststelden dat studenten architectuur tijdens hun opleiding
aan heel wat uitwisselingsprojecten kunnen deelnemen, maar dat ze na hun studies
vaak in een vacuüm terechtkomen. We vonden dat de periode die ingaat als iemand
afgestudeerd is tot hij of zij een eigen weg gevonden heeft al onze aandacht
verdient, omdat daar veel creativiteit verloren gaat. Voor de komst van de
Bouwmeester had de overheid geen aandacht voor jonge architecten. Nu probeerden
we daar verandering in te brengen met de eerste Meesterproef. We hebben de
scholen gevraagd ons een aantal studenten voor te stellen en we hebben ervoor
gezorgd dat de overheid hen projecten aanreikte.
Behalve met toezicht op het bouwbeleid van de overheid houdt de Bouwmeester zich
ook bezig met de zogenaamde ‘kunstintegratie’. De overheid had allang een
sturings- of reguleringsmechanisme ingebouwd voor het integreren van kunst in
overheidsgebouwen, waarbij een bepaald percentage van de kostprijs van een
gebouw aan kunst diende besteed te worden, maar dit mechanisme wordt pas sinds
enkele jaren regelmatig toegepast. Meestal werd de zogenaamde ‘procentregeling’
echter pas toegepast nadat het gebouw er al stond. Wij vonden dat een veel te
enge piste. Nu proberen we de bouwheren ervan te overtuigen kunstenaars van bij
de aanvang te betrekken bij het totstandkomen van het gebouw. Eigenlijk moesten
we op dit vlak een zelfde zoektocht inzetten als op het vlak van de
architectuur. We willen niet vastleggen wat kunst of kunstintegratie precies is,
we willen op zoek gaan naar wat het allemaal zou kunnen zijn. Wat jullie betreft
hebben we geen precieze verwachtingen over de resultaten. Het gaat ons om het
avontuur dat jullie zullen aangaan. In dat verband hebben we niet toevallig
gekozen voor Brugge 2002 als kader voor jullie Meesterproef. Het brengen van
hedendaagse kunst in Brugge, zeker wanneer die gekoppeld wordt aan nieuwe
architectuur, vormt ongetwijfeld een uitdaging. Brugge kleeft van de
geschiedenis. Het verleden kleeft hier aan alles wat je ziet, het lijkt niet
gemakkelijk hier de toekomst in te voeren.
Jan Vermassen: De culturele hoofdsteden van Europa vormen een initiatief van de
Griekse zangeres en minister van cultuur Melina Mercouri. Het initiatief dateert
van 1985. In 2002 wordt Brugge culturele hoofdstad van Europa. Het is onze
bedoeling Brugge een meer hedendaags en cultureel profiel mee te geven. Brugge
is veel te klein om zoiets zelf te organiseren. Daarom werd Hugo De Greef
aangesteld als intendant. Hij houdt zich bezig met de afdeling
Programmatie-Communicatie en met de Algemene Leiding waarin ook het zakelijk
beleid vervat zit. Ikzelf ben verantwoordelijk voor Architectuur, Kunst,
Tentoonstelling en Film… Katrien Laporte is verantwoordelijk voor de dans en de
podiumkunsten. Steven is mijn assistent en zal jullie de volgende dagen
bijstaan.
Een eerste invalshoek voor Brugge 2002 wordt gevormd door Geschiedenis en
Actualiteit. Het is de bedoeling het geheugen van de stad een actueel imago te
geven. De tweede invalshoek is Duurzaamheid. Wat kan Brugge 2002 betekenen naar
de toekomst toe? Daarvoor nemen we onze toevlucht tot duurzame methodes:
bijvoorbeeld de bouw van een concertgebouw dat het actuele imago van Brugge kan
verspreiden naar de volledige regio toe tot in het buitenland.
Brugge kent een heel mager galeriewezen, maar er wonen wel heel veel
collectioneurs, hetgeen bewijst dat er toch veel interesse is. We zouden het
draagvlak voor de hedendaagse kunst willen verbreden door zoveel mogelijk kunst
te brengen op zoveel mogelijk plaatsen in de stad.
Naast het beklemtonen van de duurzaamheid willen we ook feesten. Dat is een
derde invalshoek. We willen het feest centraal stellen. Er komt een culinair
festival, een heus openingsfeest met kleine initiatieven. Tijdens het jaar
zullen er allerlei evenementen volgen.
Verder willen we de link leggen met de 21ste eeuw, en zouden we initiatieven
willen nemen rond internet en dergelijke. We denken ook aan het verfijnen van
het programma.
Ivo Van Hove: Ik ben in 1981 als theatermaker begonnen in een ouwe wasserij die
we helemaal hebben kapotgemaakt. Er stonden dertig beeldhouwers en andere
kunstenaars op scène en we ontvingen dertig toeschouwers. De tekst was heel
belangrijk. Eigenlijk hielden we ons toen bezig met wat nu ‘locatieproducties’
genoemd worden. Maar omdat we niet in theaters speelden kregen we geen
subsidies. Daarom zijn we een fusie aangegaan met een theater in Gent. Toen
kregen we drie miljoen subsidies. In 1987 heb ik dan samen met Lucas Vandervorst
De Tijd opgericht. We brachten locatie-achtige voorstellingen, waarbij we
teksten gebruikten als fragmenten. We brachten Macbeth, Don Carlos, werk van
Thomas Bernhard en ‘In de eenzaamheid van de katoenvelden’ van Bernard-Marie
Koltès. Intussen ging mijn hart meer en meer uit naar het grote schouwtoneel,
maar bij De Tijd kregen we daar te weinig subsidie voor. Lucas en ik waren te
veel geworden voor één gezelschap. Dus ben ik overgestapt naar Het Zuidelijk
Toneel, dat toen werd geleid door Eric Antonis, de latere organisator van het
gelukte Antwerpen ’93. We brachten toen onder andere ‘Het begeren onder de
olmen’, waarin 98 koeien op de scène stonden.
Gaandeweg gingen we meer en meer met een vaste club acteurs werken. Het werken
met losse medewerkers kost veel tijd omdat ze elkaar telkens weer moeten leren
kennen en omdat je minder snel risico’s durft nemen. Je durft meer met een vaste
ploeg, waardoor je je meer kan concentreren op het verleggen van de grenzen van
het theater. Zo hebben we ‘India Song’ gemaakt, een bijna pure muziekcompositie,
waarbij de acteurs hun tekst nasynchroniseerden. En toen is het Hollandfestival
gekomen, waar ik in contact gekomen ben met de muziekwereld, waarvan ik de
rijkdom en de mogelijkheden nog niet kende. Het is een bijna autistische wereld,
al is er tegenwoordig een tendens in het theater en in de muziekwereld de blik
meer naar buiten te richten.
Jullie komen ook uit verschillende kunstrichtingen en jullie komen ook terecht
in een wereld die jullie niet eigen is en waar jullie nog nooit stil bij hebben
gestaan. Iemand die met literatuur bezig is kijkt anders naar de hedendaagse
kunst. Ik ben geen fotograaf, schrijver, danser of choreograaf. Ik zal een soort
beschouwer zijn, een vragensteller. Eigenlijk is de zoektocht binnen dit project
kenschetsend voor wat er nu in de kunst gebeurt. Ik beweer dat de goden niet
meer bestaan. Er zijn geen kunstenaars meer zoals Stockhausen. We kunnen enkel
terugblikken of dwarsverbindingen aanbrengen.
Meg Stuart met ‘Highway 101’ is dat nog dans of is dat een videoproject? Of neem
het voorbeeld van Wim Vandekeybus, die met teksten van Peter Verhelst is gaan
werken. Dat is mijn utopietje, dat hier met jullie zoiets tot stand komt. Die
vrijheid moeten jullie nemen. Mijn rol zal erin bestaan te duiden op andere
wegen, ik wil jullie doen twijfelen. Het is heel belangrijk dat ik voel dat wat
jullie maken uit een grote noodzaak voortkomt, want anders moet het niet. IJver
vind ik niks, als ik maar voel dat er een grote noodzaak zit in wat je doet. Dat
is het gevaar van dit project: dat het een versiering wordt, dat het een speels
interludium wordt, begrijp je?
Katrien Laenen: Het team van de Bouwmeester probeert ervoor te zorgen dat
kunstprojecten niet op het einde van de rit aan gebouwen worden toegevoegd, maar
ook voor en tijdens het project ingebracht worden. Bij de vorige meesterproef
hebben we scholen gevraagd jonge architecten te selecteren, maar deze keer
hebben we besloten naar de middengeneratie toe te stappen om hen te vragen of ze
geen jonge kunstenaar wilden voordragen. We hebben daarbij bewust kunstenaars
opgezocht die buiten de grenzen van hun eigen discipline gaan kijken.
Kunstenaars zoals Peter Verhelst, Dirk Braeckman, Peter Missotten, Meg Stuart en
Win Van den Abbeele… Dat is eigenlijk een beetje het proces geweest om tot
jullie keuze te komen.
Donderdag, 14 maart
b0b Van Reeth: Ik ben architect. Ze hebben mij tegen mijn wil zover gedreven dat
ik de taak van Bouwmeester heb aanvaard. We zijn gestart in 1999. Ik heb een
team van zeven medewerkers. In 1999 hebben we een Meesterproef georganiseerd
voor jonge architecten. Waarom? Er zijn mensen die denken dat architectuur een
kunst is. Ik weet niet wat architectuur is. Voor mij is het zoeken naar wat
architectuur zou kunnen zijn belangrijk. Ik denk dat jongeren ook bezig zijn met
die zoektocht. Daarom hebben we aan verschillende administraties gevraagd een
project voor te stellen. Er waren zes instituten, zes kandidaten en zes
projecten die uitgemond zijn in opdrachten. Eerst waren we van plan dit om het
jaar te doen, maar dan kwamen we op het idee iets analoogs te doen met
kunstenaars.
Ivo Van Hove: Wat doe jij als bouwmeester?
b0b Van Reeth: De overheid is eigenaar van een patrimonium, landschappen,
infrastructuren, wegen en gebouwen. Soms is de overheid ook opdrachtgever voor
nieuwe gebouwen. De laatste jaren was er nogal wat kritiek op de overheid als
bouwheer. Waarom kon de overheid geen duurzame gebouwen neerzetten? De meeste
beslissingen werden overgelaten aan projectontwikkelaars. Zo is bij voormalig
minister Wivina Demeester de idee ontstaan zoals in Nederland een
rijksbouwmeester aan te stellen die zorgt voor de kwaliteit van de gebouwen en
de kwaliteit van de overheid als bouwheer.
Ivo Van Hove Elk gebouw dat door de overheid wordt gebouwd gaat door jouw hand?
b0b Van Reeth: Ja. Bruggen, zeekanalen, de verbreding van het Albertkanaal,
alles wat groter is dan 100 vierkante meter, wat eigenlijk 10.000 zou moeten
zijn. 1 à 2 % van de kostprijs van deze bedrijvigheid zou in de toekomst naar de
kunst kunnen gaan. Vroeger noemden ze dat kunstintegratie of geïntegreerde
kunst. Eigenlijk betekende die term oorspronkelijk dat het resulterende
kunstwerk moest vasthangen aan het gebouw, het maakte er deel van uit. De kunst
werd gebruikt als schaamlap voor wat de architectuur niet had waargemaakt. Om te
breken met die benaderingswijze hebben wij onze aanpak ‘kunst in opdracht’
genoemd. Het verschil is dat de kunstenaar niet achteraf bij een project
betrokken wordt, maar gelijktijdig of vooraf. Voor de verbreding van het
Albertkanaal heb ik bijvoorbeeld zin om aan een aantal schrijvers te vragen iets
mee te geven aan de mensen die het ontwerp moeten maken. Het komt erop neer dat
we geloven dat kunst essentieel is en we proberen de overheid daarvan te
overtuigen.
Ivo Van Hove: Zijn er voor jou goede voorbeelden van kunst in opdracht in de
wereld te vinden?
b0b Van Reeth: Er zijn veel benaderingswijzen. Ik wil door iedereen verrast
worden. Het is niet zo dat er maar één invalshoek is. Ik hield bijvoorbeeld van
‘Over the Edges’ in Gent, waar de meest verscheiden dingen samengebracht waren.
Er gebeurde iets door de ontmoeting van die verschillende invalshoeken.
Ivo Van Hove: Kunst in opdracht is niet alleen de kers op de taart, het kan ook
het meel zijn waarvan de taart wordt gemaakt.
b0b Van Reeth: Je kan het omschrijven hoe je wil, ik heb er toch geen definitief
antwoord op.
Journalist: Hoe kunnen jullie in de toekomst mislukkingen voorkomen?
b0b Van Reeth: Door de zaak anders te noemen. We noemen het geen
‘kunstintegratie’ meer, maar ‘kunst in opdracht’.
Journalist: Kunst in dienst van architectuur?
b0b Van Reeth: Neen, gelijktijdig. Architectuur wordt teveel beschouwd als een
vak op zich. Natuurlijk zijn architecten niet vrij. Bijvoorbeeld omdat ze bijna
altijd in teams werken. Dat brengt beperkingen mee die heel vruchtbaar zijn. Hoe
meer beperkingen, hoe beter. Nu maken we nog altijd gebouwen als comateuze
patiënten, met ramen die niet open kunnen en een beademingstoestel op het dak.
Een constante temperatuur van 22° is geen klimaat. Toch is het tegenwoordig
technisch mogelijk gebouwen met een levend klimaat neer te zetten. Als we er dan
ook nog voor zorgen dat zo’n gebouw er 400 jaar kan staan, dan wordt het een
monument.
Geert Goiris : Remember
Woensdag, 14 maart
Ik heb vier jaar fotografie gevolgd aan de Sint-Lukas Hogeschool voor Beeldende
Kunsten in Brussel. Dat was toen een degelijke vakopleiding die naar mijn gevoel
echter te eenzijdig gericht was op commercieel en toegepast werk. Dat is nu
gelukkig aan het veranderen. Onlangs hebben ze de opleiding opgedeeld, zodat je
nu kan kiezen tussen een documentaire, een toegepaste en een experimentele
richting. Ik heb heel veel gehad aan de wekelijkse colleges van Dirk Lauwaert,
die ik echt als een privilege beschouwde.
Oorspronkelijk was het mijn ambitie filmregie te studeren, maar mijn ouders
stonden daar huiverachtig tegenover. In de humaniora had ik wetenschappen
gestudeerd. Ik kwam van een heel andere kant. Gaandeweg heb ik ondervonden dat
ik moeilijk gestructureerde verhalen kan vertellen en ben ik bij de fotografie
blijven hangen.
Ik heb aan mijn studies in Sint-Lukas een notie van vakmanschap overgehouden,
wat ik niet slecht vind, maar na die vier jaar moest ik echt weg. Ik wou verder
blijven zoeken in de fotografie, maar ik was ontmoedigd door het
competitiesfeertje op school en de holle criteria die gehanteerd werden om werk
te bespreken. Er was echt sprake van een Sint-Lukas huisstijl: verleidelijke
beelden met veel impact, maar nauwelijks diepgang of nabeeld.
Op een gegeven ogenblik voldeed dat niet meer en wilde ik andere horizonten
verkennen. Een vriend had net een jaar in Praag gestudeerd en nam me mee naar
het FAMU, de Film en Televisieacademie. Ik heb er de verschillende docenten
ontmoet en de toelatingsproef afgelegd. Ik ben dan begonnen als vrij student aan
het departement fotografie, waar ik mijn vriendin heb leren kennen. Samen zijn
we twee jaar in Praag gebleven.
De studenten aan het ‘Department of Still Photography’ vormden een zeer
internationale groep. Iedereen had een totaal andere benadering van het medium.
De studenten hadden verschillende achtergronden en kwamen uit de meest
uiteenlopende vooropleidingen, wat de besprekingen en sessies zeer verfrissend
maakte.
Er was een kleine groep die zich bezighield met documentaire fotografie, daar
heeft FAMU een goede reputatie voor. Iedereen was constant op reis, we hadden
overal vrienden om bij te logeren en konden heel goedkoop leven. Het was een
dynamische plaats met veel mogelijkheden. Na die twee jaar in Praag haalde mijn
vriendin haar bachelor-graad en zijn we verhuisd naar Kopenhagen.
Kopenhagen is de grootste stad van Scandinavië en trekt veel jonge mensen aan
uit Zweden, Noorwegen, Finland en IJsland. Ik heb er Deens geleerd en werkte
ondertussen als chauffeur. Elke keer als we genoeg geld verzameld hadden, gingen
we op reis. Het gevoel onderweg te zijn was heel belangrijk in mijn foto’s.
Eigenlijk fungeerden mijn foto’s als dagboeknotities, als een gefragmenteerde
kroniek. Ze toonden de landschappen, mensen en dingen die ik onderweg tegenkwam
en hielpen zo het geheel van indrukken en ervaringen een beetje ordenen. Maar er
blijft niet veel over van die periode.
Na twee jaar in Kopenhagen vond ik dat het tijd was voor een verandering en nam
ik deel aan de toelatingsproeven voor het Hoger Instituut voor Schone Kunsten in
Antwerpen. Op 1 september 1997 werd ons dochtertje geboren in Kopenhagen, een
maand later had ik een atelier in het HISK en woonden we in Antwerpen.
De dertig laureaten die worden toegelaten tot het HISK vormen ook een
internationaal gezelschap. We konden gebruik maken van een eigen studio, een
multimedialab, een doka, een houtatelier, een bronsgieterij en een atelier voor
alles wat metaal te maken heeft.
De gastdocenten zijn afkomstig uit alle mogelijke hoeken van het veld:
tentoonstellingsmakers, kunstenaars, critici, museumdirecteurs, auteurs,
videasten, etc. Soms zorgt dat voor heel bizarre ontmoetingen. Zo kreeg ik eens
bezoek van een Amerikaan die les gaf aan de universiteit van Taipei, een
specialist in synesthetica. Hij probeerde mij duidelijk te maken hoe bepaalde
kleuren voor hem klinken, welke auditieve tonen een schilderij voor hem
voortbrengt.
Tijdens elk gesprek met de gastdocenten probeer je op een coherente manier
uiteen te zetten waar je mee bezig bent. De regelmaat van de bezoeken verplicht
je om je denkproces telkens weer te bevriezen, een stand van zaken op te maken
en die op een heldere manier mee te delen. Ik vond het interessant om een ruim
aanbod van beeldende kunstenaars over de vloer te krijgen. Tijdens vorige
opleidingen waren fotografische elementen altijd de spil van het discours. In
het HISK was er mogelijkheid om met kunstenaars uit alle disciplines over
ruimere formele en inhoudelijke problemen te praten.
Na een tijd leer je jezelf handhaven in dit systeem en begin je te schiften. De
steeds terugkerende opmerkingen en standaardreacties worden tijdverlies en je
gaat heel rechtstreeks werken met die mensen.
Ik ben al een tijd bezig met een doorlopende reeks beelden, het ‘Resonance
Project’. Het gaat voornamelijk om opnames die ik gemaakt heb in desolate
omgevingen waar het moeilijk leven is en waar de elementen een duidelijke,
fysieke aanwezigheid hebben. Het vrij recent ‘gekoloniseerde’ Spitsbergen,
bijvoorbeeld. Vroeger was de archipel gewoon te koud en te donker om te
overleven. Door moderne technologieën, bijvoorbeeld communicatietechnologie, is
het mogelijk geworden om deze onherbergzame natuur om te vormen tot een habitat,
zij het vrij rudimentair. Omwille van de permafrost liggen alle buizen en
nutsvoorzieningen boven de grond. Alles wat hier in West-Europa zorgvuldig wordt
weggewerkt, is daar functioneel aanwezig. De confrontatie cultuur-natuur is er
heel zichtbaar.
Ik probeer de romantiek van het rondtrekken te doorkruisen met de rationele en
materialistische omgang van de mens met het land. Het is wel een
evenwichtsoefening, want het kunnen naïeve, mooie plaatjes worden van exotische
omgevingen die de echte ervaring verdringen. Als ik mij in een geïsoleerd stuk
natuur bevind, waar er bijna geen menselijke activiteit valt waar te nemen, word
ik dikwijls getroffen door een overweldigend déjà vu gevoel als ik in het
landschap een huis, een overgebleven kledingstuk, of andere menselijke sporen
opmerk. Het is alsof de ruimte tussen de objecten uitzuiverend werkt en hen de
status van artefact verleent, waardoor deze objecten of constructies iets
fundamenteels krijgen.
Ik ben geïnteresseerd in snelheid en verstilling, soms is de tijd zelf mijn
motief om een beeld te maken. Ik werk vaak met lange belichtingstijden. Ik vind
het fascinerend dat de camera in staat is een periode van een uur samen te
vatten in één enkel beeld. Het is de ‘fotografie van het onzichtbare’ die mij
intrigeert. Een camera kan een breder spectrum dan onze ogen waarnemen, kan zeer
snel en zeer traag kijken. In de meeste van mijn beelden is de camera niet
zozeer een getuige van een moment, maar registreert hij een toestand (a state of
being), een stand van zaken, een tijdsverloop.
Maandag, 2 april
Geert: Ik heb gekozen voor de heraanleg van het kanaaleiland omdat het de
toegangspoort is voor de hoofdmoot van de toeristen. De toeristen die aankomen
per autobus worden daar opgevangen en over een brug naar de stad geleid. Dit
project spreekt mij het meest aan, omdat ik getroffen ben door het contrast
tussen die desolate parkeerplaats en het eigenlijke Brugge. Nu is er een houten
brug die het zogenaamde eilandje verbindt met het echte Brugge. Er komt een
nieuwe brug, een toiletpaviljoen en een luifel. De luifel verbindt de brug met
het paviljoen. Ze gaan er ook bomen verwijderen en een plein aanleggen. Het is
een nogal verregaande ingreep. In het eerste voorstel van de stad kwam er tussen
de parking en de brug een u-vormige constructie waar je tickets voor bootjes kon
kopen. Nu ziet het er anders uit. Er komt een nieuw sanitair paviljoen en een
grote luifel die een zogenaamde signaalfunctie krijgt, zodat het heel duidelijk
is waar het parcours eigenlijk ligt en de toeristen na hun bezoek aan de stad de
parkeerplaats voor de autobussen gemakkelijker kunnen terugvinden. De luifel is
van staal. Ik kan er weinig mee doen, omdat het een heel dwingende constructie
is. Daarom wil ik iets doen met het toiletgebouw. Ik ben met de architect van
dat gebouwtje gaan praten. De gevels worden bekleed met witte, keramische
tegels. Er komt geen infobalie meer, zoals oorspronkelijk voorzien, enkel een
balie met toiletdame. Het wordt een soort van transitruimte tussen de
parkeerplaats voor de autobussen en de binnenstad.
Ik ga een reeks maken van twaalf prentbriefkaarten. Al wie naar het toilet gaat
krijgt een kaart. Je kan niet zelf kiezen. De kaarten worden gemengd.
Oorspronkelijk dacht ik een tafel te maken waar de kaarten op gepresenteerd
zouden worden, maar de architect wees erop dat we dan twee tafels zouden krijgen
in een toch al krappe ruimte. We beschikken maar over vijf bij drie meter. Aan
een dispenser heb ik ook gedacht, maar ik vind het boeiender als de mensen niet
zelf kunnen kiezen, zodat ze eigenlijk opgezadeld worden met een beeld dat ze
niet meteen kunnen plaatsen, maar dat wel hun bezoek aan Brugge kan kleuren.
Ik ben eens gaan rondneuzen in souvenirwinkeltjes. Ik zou willen proberen een
alternatieve route uit te stippelen. Ik heb ook een reeks opnames gemaakt van
door ingenieurs ontworpen, puur functionele oplossingen voor de waterhuishouding
van Brugge. Eigenlijk zijn het foto’s van de onderkant van Brugge. Dat is heel
thematisch natuurlijk. Ik wil er esthetische foto’s van maken. Esthetisch in die
zin dat ik binnen het idioom van prentbriefkaarten wil blijven, met
overgesatureerde kleuren. Ik vind dat heel mooi, totaal geïdealiseerde beelden,
de lucht is zo blauw en het gras is zo groen. Je kan de kaarten ook slecht
drukken. Ik wil daar mee spelen.
Ik weet niet of ik mijn eigen strategie mag toepassen op deze situatie. Ik wil
niet mijn ego naar voren schuiven. Ik wil gewoon een soort van aanvulling
verzorgen voor een traditioneel bezoek aan Brugge. Ik had ook landschappen
kunnen gebruiken die niets te maken hebben met België of, omgekeerd, beelden
kiezen om België te profileren, maar ik denk dat het beter is binnen de genzen
van Brugge te blijven. Ik wil vanuit de beelden vertrekken. Momenteel ben ik
vooral op zoek naar locaties in Brugge.
Ik wil foto’s maken als het bijna donker is, als je bijna niks meer kan zien. Ik
gebruik een belichtingstijd van een uur. Alles wat vaststaat is dan scherp. Gras
wordt onscherp en mensen verdwijnen. Ik hou van die rare, omgekeerde situatie
als het schemert. Voor mijzelf wordt alles steeds minder zichtbaar, maar voor de
camera worden de dingen steeds zichtbaarder, omdat de film het licht opslaat. Je
kan ook moeilijk voorspellen wat er gebeurt. Je kan het licht niet precies
meten, omdat het voortdurend vermindert. Je kan ook maar één foto per avond
maken. Ik denk dat ik een maand lang elke avond naar Brugge zal gaan om een foto
maken.
Ugo: Het idee van een dispenser vind ik ook tof.
Geert: Ik vind het belangrijk dat de mensen niet kunnen kiezen… De vraag blijft
wel hoe ik die kaarten in de toiletruimte kan tonen.
Woensdag, 4 april
Geert: Het kanaaleiland is een interessante plek omdat het de plaats is waar
alle bustoeristen toekomen, zodat ik de kans heb hun beeldvorming bij te sturen.
Ik heb gekozen voor prentbriefkaarten, omdat die snel verspreid worden. Daarbij
komt nog dat je iets tot de status van monument verheft als je er een
prentbriefkaart van maakt. Ik zou een monument willen maken van de zogenaamde
onderkant of rand van Brugge en zo een invloed hebben op het beeld dat de
toeristen van de stad hebben of het beeld dat ze er zich van zullen vormen.
Voor een eerste reeks prentbriefkaarten zou ik in plaats van de erkende
monumenten nuttige of functionele gebouwen willen fotograferen. De gevangenis,
het politiekantoor, de brandweerkazerne. Gewone gebouwen die je in alle steden
ziet en die de basis van de gemeenschap vormen. Kortom de meest banale, minst
exotische en minst specifieke plaatsen.
Ik zou de beelden niet overdreven stileren. Door de gebouwen te isoleren, uit
hun context te halen en zichtbaar te maken, zullen ze naar alle
waarschijnlijkheid al een surreële indruk maken.
Voor een andere reeks zou ik plaatsen willen tonen zoals de ondergrondse markt,
een gevangeniscel of andere interieurs. Plaatsen die je als toerist nooit te
zien krijgt, waar je je geen beeld van kan vormen.
Tenslotte zou ik misschien ook graag een reeks maken waarin ik de rol van Brugge
als historische stad belicht. Ik zou prentbriefkaarten willen opzoeken in het
stadsarchief en dan dezelfde plekken fotograferen met dezelfde kadrering. Op die
manier kan ik vijftig jaar geschiedenis zichtbaar maken in één seconde kijktijd.
Dirk Braeckman: Ik hou van het idee te werken met de toevalsfactor van het
licht. Dat zit ook al vervat in de opnames die je heb gemaakt van het
kanaaleiland.
Geert: De bedoeling is dat mensen op een andere manier gaan kijken naar de
plaats waar ze zich bevinden. Ik ben gisteravond nog naar het kanaaleiland
geweest. Het is echt een totaal andere plaats 's nachts. Er is nu een kermis in
Brugge en die kermisbazen slapen daar in hun woonwagens. Dat heeft wel iets,
vind ik.
Ivo Van Hove: Waarom wil je perse dat de mensen niet kunnen kiezen?
Geert: Ik vind dat zo’n prentbriefkaart een geschenk moet zijn. Het
architectenbureau dat het paviljoen ontwerpt wil de ontvangst in het paviljoen
mooi inkleden. Er zullen elke dag verse bloemen zijn en de dame die daar werkt
zal er goed uitzien. Binnen deze beoogde uitstraling vind ik het een mooi gebaar
een gratis kaartje van Brugge te overhandigen. Maar ik probeer ook een storende
factor in te bouwen, namelijk het feit dat er geen vrije keuze is, de kaart is
een voldongen feit, iets dat je opgedrongen wordt, waar je mee opgezadeld zit.
Zaterdag, 19 mei
Geert: Bovenop het paviljoen zou ik in grote, blauwe neonletters het woord
‘Remember’ willen plaatsen. Het is wel een toiletgebouw, maar het moet ook een
oriëntatiepunt worden. Ik stel voor dat woord echt te laten oplichten. Het woord
komt ook terug op de prentbriefkaarten. Alle bezoekers van het toiletgebouw
krijgen een geschenk, in het beste geval voor ze de stad ingaan. Door het woord
‘Remember’ wordt de prentbriefkaart ook in verband gebracht met het gebouw,
waarvan ik door toevoeging van een imperatief een monument wil maken.
Ik zou één reeks van twaalf kaarten willen maken die elk uit twee beelden
bestaan, zoals van die prentbriefkaarten met knipogende dames. Als techniek zou
ik ‘lenticular prints’ willen gebruiken. Het eerste beeld wordt een reproductie
van een oude foto uit het stadsarchief, het tweede beeld is een hedendaagse
opname die ik zelf maak, waarbij ik het standpunt, de beeldhoek en de kadrering
van de oude foto zo nauwkeurig mogelijk probeer te reconstrueren.
Ik ben al gaan kijken in het stadsarchief. Ze hebben een collectie van 10.000
kaarten. Ik heb er al 4.000 bekeken. Eerst heb ik een intuïtieve selectie
gemaakt, waarbij ik de kaarten die mij troffen in enkele woorden probeerde te
beschrijven. Daarna heb ik er thuis de kaarten uitgelicht die ik mij nog kon
herinneren op basis van die summiere beschrijvingen. Ik heb geen ‘highlights’
gekozen. Ik zoek het eerder in de rand.
Wat ik heel fascinerend vind aan deze oude kaarten is de menselijke
aanwezigheid. De architectuur is nauwelijks veranderd, maar de mensen die op
deze kaarten voorkomen bestaan niet meer. Door het gebruik van twee beelden op
één drager en het contrast tussen het oude en het nieuwe beeld wordt de aandacht
afgeleid van de architectuur en komt de mens centraal te staan. De ruimte wordt
belangrijk door de aanwezigheid van de mensen. Ik heb nog geen definitieve
selectie gemaakt. Ik wil een lijn krijgen in de keuze van de motieven, maar ik
kan pas beslissen als ik alle 10.000 kaarten bekeken heb.
Ik heb wel al geprobeerd enkele plekken te fotograferen zoals ze voorkomen op de
oude kaarten. Het is vaak heel complex om exact dezelfde foto te maken. Soms
staan er dingen in de weg, soms zijn de bomen erg gegroeid, soms lijken de
straten smaller, enz.
Ivo: Vorige keer sprak je over nondescripte gebouwen zoals hospitalen.
Geert: Ik wil toch inspelen op het verwachtingspatroon dat toeristen hebben van
een historische stad. Wat ik hen meegeef is honderd jaar tijd, een draagbare
flashback, honderd jaar geschiedenis die verborgen zit in een prentbriefkaart.
Dat vind ik een mooi souvenir.
Jef Aerts : Dit is wat waar is:
Woensdag, 14 maart
In het begin heb ik van alles tegelijk gestudeerd. Eerst heb ik een jaar rechten
gedaan, in Leuven, dan ben ik begonnen met Germaanse, want ik wilde gaan
schrijven. Binnen de Germaanse koos ik voor keuzevakken in verband met theater.
Ik ben afgestudeerd met een eindwerk over Josse De Pauw. Nadien ben ik Indologie
en Sanskriet gaan studeren in Gent. Tegelijk met de humaniora heb ik ook muziek
en tekenen gestudeerd aan de academie. Ik wist al heel lang dat ik kunstenaar
wilde worden, maar ik wist niet in welke discipline. Op mijn veertiende heb ik
een rockgroep opgericht. Ik ben ook bezig geweest met toneel. Uiteindelijk ben
ik terechtgekomen bij De Roovers, waar ik vijf jaar dramaturg ben geweest. Ik
ben ook theaterrecensent geworden bij Het Belang van Limburg en later ben ik
overgestapt naar het pas opgerichte Tijd Cultuur, waar ik het aankondigingswerk
voor podiumkunsten verzorg. Ik heb gewoon Marc Ruyters gebeld en gezegd dat ik
vond dat ze iemand nodig hadden voor het theater. En hij vond dat ook. (lacht)
Ik ben voor de Meesterproef geselecteerd voor literatuur, maar ik heb altijd
toneel en muziek gemaakt, geschreven, getekend en geschilderd. Drie jaar geleden
heb ik mijn eerste boek geschreven. Ik had wel al toneel en kortverhalen
geschreven, maar op een bepaald ogenblik heb ik zes maanden tijd genomen om een
roman te schrijven, ‘Haeren Majesteit’, uitgegeven door Manteau/De Bezige Bij.
Sindsdien heb ik mij meer op het schrijven toegelegd. Met muziek ben ik ook nog
bezig, maar bij het tekenen voel ik mijn begrensdheid. Het uitgangspunt in
‘Haeren Majesteit’ is iemand die naar een brand kijkt. Gaandeweg krijg je een
motief. Ik vroeg mij af in hoeverre je als kunstenaar stelling moet nemen
tegenover de maatschappij. Het boek gaat over een jongeman die een opstandige
daad verricht.
Door mijn studie van het Sanskriet is de taal erg belangrijk geworden. Ik ga in
mijn boeken op zoek naar een nieuw idioom. Ik vind dat er in onze literatuur een
gemis is aan mensen die echt bezig zijn met taal, die meer doen dan een verhaal
vertellen. Mijn roman is organisch gegroeid. De taal is de motor die het boek
zelf doet ontstaan. Maar wat bij Peter Verhelst meer een eigen wereld blijft,
wordt bij mij verbonden met een vraag naar onze verantwoordelijkheid, maar
zonder dat het te expliciet wordt. Ik probeer dat wel te koppelen aan een
maatschappelijke vraagstelling. Voor mij is ‘Haeren Majesteit’ een studie van
het anarchisme. En in mijn nieuw boek, ‘Vertezucht, dat volgende week
verschijnt, komt een fascistenleider voor.
Maandag, 2 april
Jef: Ik heb gekozen voor het paviljoen van Toyo Ito omwille van de manier waarop
er met tijd wordt omgegaan. Het paviljoen is bedacht voor de oudste plek van
Brugge en wordt voorgesteld als een gebouw van de toekomst. De ruimte die Ito
wil maken is een ruimte die er niet is. Het materiaal waaruit het paviljoen
wordt opgetrokken is aluminium van 1 mm dik, alhoewel het heel groot is, 28 bij
8 meter. Het paviljoen is opgevat als een homogene ruimte, maar anderzijds wil
Ito een soort wisselwerking met de omgeving op gang brengen, een soort
doorstroming van water, lucht en licht. Omdat het paviljoen geen functie krijgt
kan je er veel mee doen. Taal is ook een resistent materiaal dat er eigenlijk
niet is en alleen maar vorm krijgt in een wisselwerking met de buitenwereld.
Daar kan ik wel iets mee doen, maar ik zou geen panelen met tekst aanbrengen of
zo.
Ik ben getroffen door de manier waarop Ito voorgesteld wordt vanuit Brugge. ‘Hij
heeft Brugge goed begrepen,’ staat er in de persmap, ‘want de constructie van
zijn paviljoen verwijst naar Brugse kant.’ Ik vind het boeiend te zien hoe Ito
Brugge bekijkt als een middeleeuwse of historische constructie en omgekeerd hoe
de Bruggelingen hem bekijken als het nieuwe. Ik moet echt iets met die
tijdsbeleving doen, ook omdat het paviljoen gebouwd wordt op een plek met een
hele geschiedenis.
Ik ben beginnen lezen in een antropologisch werk van Fabian uit 1983. Dat werk
gaat over hoe mensen iets bekijken vanuit een andere tijd, bijvoorbeeld
aboriginals. Ito bekijkt Brugge als een soort van Bokrijk, als een historisch
overblijfsel dat door toeristen enkel gewaardeerd wordt vanuit zijn oud zijn.
Fabian heeft dat allochronie genoemd: het bekijken van het vreemde als iets dat
uit een andere tijd stamt.
Ito heeft een gebouw van de toekomst geplaatst op de oudste plek van Brugge. Ik
zou graag de chronologie overhoop halen. Liefst met teksten. Hoe dat concreet
gestalte zal krijgen weet ik nog niet. Misschien schrijf ik teksten over tijd,
over hoe tijd bepalend is voor hoe we de actualiteit ervaren. Als we iets een
betekenis geven, begrijpen of bestrijden, dan is dat altijd vanuit een
specifieke tijdsbeleving.
Inhoudelijk is mijn voorstel gegroeid vanuit dat gebouw op die plek. Vormelijk
sluit het aan op de intentie van Ito een gebouw te maken dat tegelijk stabiel en
vloeibaar is, een gebouw dat rekening houdt met het stromen, het veranderen van
het gebouw als het donker wordt of als er mensen doorlopen, als ze naar buiten
kijken. Ik wil een beweeglijke tekst maken, je hoort het en het verglijdt, het
is weer weg. Misschien met koptelefoons, maar ik probeer mij iets auditiefs voor
te stellen waarbij de apparatuur zo klein mogelijk is. Het zou leuk zijn als je
de teksten af en toe hoort. Misschien zouden we af en toe ook een zin kunnen
projecteren op de aluminium ovalen van de constructie, die gebruikt kunnen
worden voor projecties.
b0b Van Reeth: Dat zal niet gaan, het zijn glazen ovalen.
Geert: In de tekst van Toyo Ito staat dat je ze kan gebruiken voor projecties.
b0b Van Reeth: Ik dacht dat het glazen panelen waren… Die ovalen dienen om het
paviljoen te verstevigen, om de spanning op te vangen, eigenlijk is het de
wapening van de honingraat.
Jef: Er zijn zowel glazen als aluminium panelen.
Ivo: Ik denk dat er wel weerstand zal rijzen tegen je voorstel iets toe te
voegen aan het paviljoen. Ik denk dat ze zullen zeggen dat toegevoegde zinnen
het paviljoen zullen beperken naar de betekenis toe. Ik denk dat je daarin heel
voorzichtig moet zijn.
Jan Vermassen: Dat denk ik ook.
Jef: Maar het is juist de bedoeling een bewegende tekst te maken, die geen
beperkende definities oplegt. Er zouden voortdurend nieuwe teksten moeten
bijkomen. Het zou een tekst moeten worden die ’s morgens anders is dan ’s
avonds. (lacht)
b0b Van Reeth: Ik zou verschrikkelijk oppassen. Je analyse kan misschien wel
juist zijn, maar dat wat je eraan wil toevoegen lijkt gedoemd te mislukken. Moet
het wel in het paviljoen gebeuren? Misschien is een andere plek in Brugge wel
geschikter om dit beeld te dragen.
Jef: Hoe bedoel je?
b0b Van Reeth: Je zou je bewegende tekst op een andere plaats kunnen brengen en
verwijzen naar het paviljoen. Ik denk dat al wat je gaat doen om er nog meer
evenement van te maken of het paviljoen uit te leggen, onverenigbaar is. Stel
dat je door het ding loopt en je hoort iets of je ziet een lichtbak: al wat er
gebeurt zal als een soort van uitleg of vergoelijking van het ding zelf aanzien
worden. Je moet niet vergeten dat het paviljoen erg gevoelig ligt in Brugge.
Jef: Voor mij heeft het weinig zin om dit op een andere plek te doen. Alles wat
ik voorstel heeft juist met die plek te maken. Bovendien stel ik misschien wel
een soort van uitleg voor, maar die uitleg kan verschuiven, waardoor je het
stromen van het gebouw, dat alleen maar fysiek verandert, eigenlijk een
meewaarde geeft, zonder dat je er echt iets aan toevoegt.
Kurt: Het zal misschien moeilijk zijn, maar moeilijk gaat ook. Misschien slaag
je er wel in van het paviljoen nog meer niks te maken dan het al is. Dan zou het
heel sterk zijn.
Ivo: Nu is het gebouw een statement van Brugge 2002. Een statement is een soort
van voldongen feit. Jij wil dat voldongen feit tot leven brengen, maar je moet
oppassen dat ook jouw poging het gebouw uit te leggen niet voldongen zal worden,
want dan krijg je een soort van botsing. Jouw bijdrage zal ook fijnmazig moeten
zijn, want anders definieer je het en zeg je: ‘Dit is het’.
Jef: Ik wil het juist niet definiëren, tenzij ik het voortdurend zou kunnen
herdefiniëren. Ik zou ook hoogstens enkele punten willen waar je iets hoort.
Taal is sowieso minuscuul, tenzij je luide speakers zou gebruiken…
Kurt: Waarom tekst, waarom geen geluid?
Jef: Het kan ook geluid zijn. Echt iets spacy.
Ugo: Aan welke taal denk je?
Jef: Meerdere talen.
b0b Van Reeth: Japans.
Katrien Laenen: Het is wel opvallend hoe het paviljoen hier al meteen
bescherming krijgt. ‘Blijf van het gebouw af!’ Het doet een beetje denken aan de
mensen die ook het oude Brugge willen beschermen.
b0b Van Reeth: Eigenlijk is het geen gebouw, maar een object. Daardoor verdraagt
het weinig. Eigenlijk geldt hier hetzelfde als voor Ugo. Ga naar Japan en praat
over het project met Ito.
Ivo: Het is de bedoeling dat de vorm uitgekristalliseerd wordt en dat het
concept…Eerst moeten jullie werken, daarna kunnen jullie met de bouwheren of
architecten in interactie gaan en daarna moeten jullie naar een
presentatiemoment toe werken. Je moet je voorstel namelijk ook inzichtelijk
kunnen maken… Wil jij hier nog iets aan toevoegen, b0b?
b0b Van Reeth: Dat ik afschuwelijk nieuwsgierig ben.
Jef: Zou ik hier een kamertje kunnen krijgen met uitzicht op het natuurgebied?
Woensdag, 4 april
Jef: De Burg, de plaats waar het paviljoen van Toyo Ito komt, is lange tijd het
religieuze en administratieve centrum van Brugge geweest. Vroeger stond er een
kathedraal uit het Karolingische tijdperk, waar tijdens de Romaanse en Gotische
periode nog aan gebouwd is. Na de Franse Revolutie hebben ze de kathedraal
afgebroken en bomen geplant. Het paviljoen komt op de oude fundamenten van de
kathedraal te staan. Er komt stromend water, een glazen loopbrug en een
aluminium constructie met een honingraatmotief met ovalen verstevigingen uit
glas en aluminium.
Eerst was het gebouw opgevat als onthaalruimte voor Brugge 2002, maar nu heeft
het geen functie meer. Ito beschouwt het als een homogene ruimte met een
vloeibare, transparante wand. Het honingraatmotief verwijst naar Brugs kantwerk
en naar de glasramen van de verdwenen kerk. Voor Ito moet het een plek worden
die er tegelijk is en niet is. Hij legt de nadruk op het vloeibaar zijn van de
grenzen.
Voor mij is de Burg een met tijdsresten beladen plek. In de dikwijls namaak
historische gevels van de omliggende huizen zijn allerlei architecturale
geschiedenissen overgebleven. De plek zegt iets over tijd en onze perceptie van
tijd, een thema waar ik veel mee bezig geweest ben. De plek geeft mij de kans
dit gegeven verder uit te diepen en vorm te geven. Ik denk aan een tekst die ik
‘Allochronic Variations’ zou willen noemen. Een tekst zonder begin of einde, een
langdurig moment tussen een afwezig begin en einde, een zichzelf veranderende
reeks. Het woord ‘allochroon’ wijst erop dat we de ander altijd definiëren door
zijn verleden: een overledene is zijn lidkaarten, iemand is zijn oude liefdes,
begeerte is de belofte van het genot, het kind is zijn ouders, een stad is zijn
verleden.
Eigenlijk is het gelijktijdige spreken onmogelijk. Omdat onze temporele beleving
van de werkelijkheid zo’n grote rol speelt is de stad voor twee sprekers nooit
gelijk. Je krijgt een besmetting van de communicatie en het huidige moment door
de afwijkende temporele perceptie van de gesprekspartners. Daarom zou ik willen
werken aan een eindeloos veranderende tekst die zich als een slang een weg baant
door de geschiedenis en zich een jaar lang rond het paviljoen nestelt.
Ivo: Ik hoop dat het intussen duidelijk voor je is geworden dat het paviljoen nu
al een iconische waarde voor Brugge heeft gekregen en onaanraakbaar is. Op dit
moment is het paviljoen leeg en is het tegelijk iets en toch niets. Een
bijkomende tekst geeft betekenis en interpretatie en daar is verzet tegen.
Jef: Het is mij opgevallen dat de bomen op de Burg geplant werden toen de oude
kathedraal is afgebroken. Die bomen hebben alles gezien. Het zijn de enige
levende wezens die tweehonderd jaar geschiedenis hebben overleefd. De
geschiedenis zit opgeslagen in die bomen.
De concrete vorm van de tekst is nog altijd een moeilijk punt. De locatie maakt
elke oplossing problematisch. Ik zou er graag eens met de architect over praten.
Hij is er in elk geval zelf mee bezig geweest. Er was sprake van een infobalie,
van een massagetafel, werving van sponsors en projectie op de ovalen panelen. Ik
zou graag met hem spreken over de materiële mogelijkheden, omdat hij er zelf mee
bezig is geweest.
Intussen ben ik bezig met het bedenken van een zichzelf genererende tekstreeks,
een soort vloeibare tekst waarin Ito zich zou kunnen terugvinden. Eerst wilde ik
werken met lichtbakken of iets auditiefs doen, maar de laatste twee dagen heb ik
hier gewerkt in een kamer met uitzicht op het natuurgebied en dat heeft mij zin
gegeven iets te doen met de bomen.
Vanuit mijn kamer had ik een uitzicht op een koeienwei die afgespannen is met
een stroomdraad. Aan die draad hangen plastieken plaatjes die door de wind heen
en weer schuiven, ronddraaien en kantelen. Dat lijkt mij een boeiende manier om
beweging in een tekst te brengen. Ik zou kabels willen spannen tussen de bomen
en teksten aanbrengen op dragers die over die kabels heen en weer kunnen
glijden, een soort dozen of zoiets. De dozen zouden bespannen moeten zijn met
een soort huid, maar meer weet ik er nog niet over. Als de wind daarin speelt
zouden ze rond hun as kunnen draaien, zodat er andere teksten en andere
betekenissen ontstaan. De tekst zou nog altijd gaan over wat ik de allochrone
variaties noem: de ontkenning van de gelijktijdigheid in Ito’s blik op Brugge,
de manier waarop wij allemaal de neiging hebben iemand te definiëren door zijn
verleden. Het zou een tijdslijn tussen de bomen worden, maar die wel voortdurend
verandert, een zichzelf veranderende geschiedenis. De doosjes mogen ook
weggenomen worden en er kunnen altijd nieuwe woorden en zinnen aan toegevoegd
worden. In het paviljoen zelf zou ik toch ook graag flarden tekst willen laten
horen en vandaar laten uitwaaien over het plein.
Peter Verhelst: Het principe vind ik zeer fascinerend. Ik ben in Brugge geboren,
Jef vat het probleem goed samen. De Burg is er echt de plaats voor. Alle stijlen
van de geschiedenis van Brugge zijn aanwezig. Een zichzelf genererende tekst,
daar ben ik al twintig jaar mee bezig. Er waait ook wind door het paviljoen,
waarom dan geen woorden? Dat is juist de charme van een toneelstuk, dat het
daarna weg is. Het is een goede definitie van wat wij doen eigenlijk: dat het
even lang meegaat als een sigaret. Waarom plak je geen woorden aan
vliegenvangers? Die bomen doen hetzelfde, die vangen stof. Woorden die door het
paviljoen waaien en eventueel blijven hangen, dat vind ik dik in orde. Ik vind
de vorm niet ideaal. Dat vervagen en verdwijnen, het scheppen van nieuwe
betekenissen, dat moet nog een vorm vinden. Letters die uitgewist worden door
wind en regen. Heel dat geheugen zit daar. Beschreven papier als palimpsesten,
die zogezegd een herinnering bewaren aan vroegere, uitgewiste teksten. We maken
ons dat wijs natuurlijk. Al was het maar het papier dat onthoudt. Woorden tussen
de bomen als gefluister, als insecten.
Peter Misotten: Auditief werken is gemakkelijker omdat je dan niet aan het
schrijn raakt .
Ivo: Waarom niet in de hele omgeving werken, niet alleen in het paviljoen.,
zodat je niet de hele tijd als je in het paviljoen staat met tekst
geconfronteerd wordt?
Peter Misotten: Hij zou heel kleine, minuscule luidsprekertjes kunnen gebruiken,
zodat je verschillende tekstflarden opvangt terwijl je voortwandelt, dan krijg
je direct de verschuivingen die hij zoekt.
Jef: Misschien moet ik mij concentreren op een soort van fluisterbomen, met alle
informatie die erin hangt.
Peter Verhelst: Het paviljoen verandert door de seizoenen. Ito wil niet dat de
blaren opgeruimd worden. Uw tekst kan misschien van de bomen waaien?
Peter Misotten: Je zou verhaaltjes aan de bomen kunnen knopen.
Marc Santens: Het voorstel van Jef ligt ontzettend dicht bij het verhaal van
Ito. Ik vind dat heel belangrijk. Als je Ito's laatste beelden ziet, die hij
gemaakt heeft voor Hannover, dan zie je dat het beeld bijna de lagen aangeeft
van de dingen die er zijn. Jouw idee zit daar heel dicht bij, zonder dat het een
architectuurproject is. Maar toch vind ik het idee van een tekst nog te evident,
misschien moet je nog iets verder gaan zoeken.
Zaterdag, 19 mei
Jef: Ik zou willen een levende tijdsbrug maken die de periode overspant tussen
het afbreken van de kathedraal en het paviljoen van de toekomst van Ito. Ik wil
een literaire installatie maken met als titel: ‘Dit is wat waar is’. De tekst
vertrekt vanuit de menselijke noodzaak alles te definiëren vanuit een
tijdservaring. Wat waar is, is wat nu waar is of door de geschiedenis waar is
geworden of de belofte van waarheid in zich draagt. Ik wil in de tekst op zoek
gaan naar hoe betekenisgeving en tijdsbeleving samengaan.
Mensenhaar is een tijdsrest waarin herinneringen zitten opgeslagen, zoals in de
bomen op de Burg. Ik wil naar Brugse kapperszaken trekken en haar van
Bruggelingen en toeristen verzamelen. Met die haren wil ik letters maken waar ik
hars over wil gieten. De haren zijn door de gaten van het paviljoen gewaaid en
blijven hangen aan zeshoekige vliegenvangers, waar ze teksten gevormd hebben. Ik
wil stellingen die tegelijk non stellingen zijn aaneenrijgen als een ketting met
losse schakels, een gedicht als een kralensnoer, waarbij elke stelling het begin
of het einde kan zijn van een verhaal. De bedoeling is dat ik iets krijg dat
zoveel mogelijk antwoorden genereert, antwoorden die nooit sluitende antwoorden
kunnen zijn.
Kurt d'Haeseleer : Parking Orson II
Woensdag, 14 maart
Ik heb film en video gestudeerd aan de Hogeschool Sint-Lukas in Brussel. Ze
hebben daar drie richtingen. Fictie, documentaire en experimentele. Ik heb
gekozen voor de zogenaamd experimentele richting. Eigenlijk is ‘experimentele’
een verkeerde benaming. Het komt erop neer dat de richting vrijer is, dat er
minder beperkingen worden opgelegd. Met Tony Conrad hebben we verschillende
scènes opgenomen om ons uit een vast stramien te trekken. Eigenlijk vind ik die
opdeling in verschillende richtingen verkeerd en heb ik voor de experimentele
richting gekozen omdat ik die grenzen wilde negeren. In de richting fictie
houden ze zich voornamelijk bezig met speelfilms met een verhalend karakter.
Voor mij was dat te rigide.
Eerst heb ik geschiedenis gestudeerd. Toen ik naar Sint-Lukas ging wilde ik echt
een verhaal vertellen, maar tijdens het eerste jaar ben ik in contact gekomen
met experimentele films, hedendaagse kunst, enzovoort. Toen ben ik beginnen
twijfelen. Tijdens dat eerste jaar heb ik ook ‘History’ van Grimonprez gezien,
een film met een maatschappelijk en essaymatig discours. Het is een film die je
op twee niveaus kan zien: het is tegelijk een jolig verhaal en een film die over
geschiedenis gaat.
Maar mijn keuze werd ook beïnvloed door interne kwesties op school. Elke
richting is verbonden met bepaalde leraars en bepaalde eisen. Het gaat er niet
alleen om wat je wil doen, maar ook wat je niet wil doen. Van wie wil je geen
les hebben?
En verder was er de rompslomp die gepaard gaat met het maken van fictiefilms.
Het werken met ploegen. Nu heb ik daar minder problemen mee, maar werken met
vijftien mensen, al dat geld…
Het eerste jaar heb ik één foto als eindwerk voorgesteld. Het jaar nadien twee
installaties. Het derde jaar een videotape en twee installaties. Het vierde jaar
nog een videotape. De laatste twee jaar worden mijn tapes meer en meer
gekenmerkt door een vermenging van fictie en essay. Ik ga uit van een bepaald
verhaal en van bepaalde representatievormen zoals video, reclame en nieuws. Ik
gebruik die representatievormen als een manier van vertellen, maar niet
ironisch. Ik neem die taal over. Ik ensceneer, maar als mensen de tape bekijken
zien ze niet dat het geënsceneerd is. Ik werk meestal met niet acteurs. Het
lijken toevallige opnames, wat niet zo is. Ik werk bij voorkeur met video, maar
er kan ook film geïncorporeerd zijn. Mijn laatste werk is tot stand gekomen met
een heel klein ploegje.
Op inhoudelijk vlak vraag ik mij af in welke mate je iets maatschappelijks kan
zeggen en in welke mate het de gewone sensoriële input is die telt. Ik ben veel
bezig met representatie en immersie. Ik heb bijvoorbeeld een soort essayfilm
over urbanistiek gemaakt. De stad is nogal belangrijk in mijn werk. Dingen als
snelheid interesseren mij, steden, snelheid, netwerken. Hoe steden geworden zijn
wat ze nu zijn, hoe die ‘sprawl’ tot stand komt, dat uitzwermen van de stad. Dat
is autobiografisch, want ik kom zelf uit een suburbane, typische
fermette-omgeving uit de rand rond Brussel. Nu woon ik in Brussel.
Binnenkort ga ik aan de slag bij de filmfabriek van Peter Missotten, die mij
gevraagd heeft om een verfilming van ‘Verhemelte’ van Peter Verhelst op te
zetten. Hij dacht dat het een interessante combinatie zou zijn. In het begin
vond ik het een onverwacht voorstel, maar sinds ik de tekst gelezen heb zie ik
veel verbanden. Ik heb veel interessante raakpunten gevonden, zonder dat we
hetzelfde doen. ‘Verhemelte’ zit vol beelden die zichzelf constant opheffen. De
tekst geeft vorm aan een wereld die geëxplodeerd is en terug aan elkaar geplakt.
Eigenlijk is het origineel er niet. Dat vind ik interessant, omdat het in
verband staat met die kwestie van representatie en immersie. Er is geen
immersie, maar toch zijn er raakpunten met de maatschappij, met de wereld. Zijn
tekst is aan de ene kant complex, maar aan de andere kant dompelt hij ons ook
onder in een ervaring.
Maandag, 2 april
Kurt: Ik wil nagaan in welke mate het nieuwe concertgebouw een statement is.
Normaal gezien maak ik video’s die getoond worden op festivals aan mensen die
daarvoor gekozen hebben. Dit is de eerste keer dat ik zou werken voor een
publiek dat niet gekozen heeft voor mijn beelden. Twaalfhonderd mensen die daar
’s avonds naar een muziekvoorstelling komen.
Ivo Van Hove: In eerste instantie had je het concrete idee de link te leggen met
het geluid.
Kurt: Ja, ik wilde een verband leggen tussen het lawaai in de ondergrondse
parkeergarage en de muziek in het concertgebouw.
Ivo Van Hove: Ik denk dat het heel belangrijk is dat je beseft dat je niet
alleen bezig bent, je moet een dialoog aangaan. Hoe denk je daarmee om te gaan,
je daarin te verdiepen?
Kurt: Ik zou met de architecten willen spreken.
Ivo Van Hove: Wat wil je te weten komen?
Kurt: Toch iets meer dan die wazige tekst in de persmap. Dat is louter
promotietalk, ik kom daar niet veel uit te weten.
Ivo Van Hove: Wat wil je weten?
Kurt: Ik zou willen weten hoe de architecten dat gebouw ontwikkeld hebben… In de
begeleidende tekst wordt alles nogal romantisch voorgesteld. Ze beschrijven het
concertgebouw als een ‘pastoraal gebouw dat in de stad is aangespoeld op een
stroom van gras en bladeren’, omdat ze de invalsweg naar het station als een
‘stuk landelijk relictlandschap’ herkennen. Ze noemen dit een creatieve analyse
en een uiterst persoonlijke lezing van de bouwplaats die ‘gevoelig inspeelt op
de natuurlijke wisselwerking tussen stad en achterland’. Ik kan mij moeilijk
voorstellen dat dit hun complete uitgangspunt is geweest. Ik vraag mij af hoe ze
de functie van het gebouw zien, ook naar de buren toe. Ik zou ook van gedachten
willen wisselen over die garage daaronder.
Ivo Van Hove: Is die apart?
Katrien: Ja, die is niet gelinkt aan het concertgebouw.
Kurt: Het concertgebouw staat op veren om het geluid van de parkeergarage te
stuiten. Het is zogezegd een pastoraal gebouw, maar ik vind die parkeergarage,
die zogenaamd suburbane manier van bewegen met auto's, niet zo suburbaan.
Ivo Van Hove: De eerste stap is dus met de architecten spreken.
Katrien: Je kan spreken met de architecten, maar ook met Lieven Struye, de man
die het gebouw gebruiksklaar moet maken en het later samen met een artistiek
leider zal beheren.
b0b Van Reeth: Ik denk dat Paul Robbrecht heel aanspreekbaar is. Die doet niet
liever dan erover praten. Hij houdt ook veel van kunst. Ik denk niet dat je je
mag baseren op een tekst van iemand anders.
Ivo Van Hove: Ik denk dat als je gaat spreken met zo'n man je moet weten
waarover je het eigenlijk wil hebben.
Woensdag, 4 april
Kurt: Onder dat plein zit een enorme garage voor 1300 wagens. Ook de bezoekers
van het concertgebouw parkeren hun auto’s daar. Er komt een druk
voetgangersverkeer tussen die garage en het concertgebouw. Een deel van het
concertgebouw ziet er ook uit als een parkeergarage. Ik vind het interessant dat
het concertgebouw beweging genereert, dat het van overal mensen aanzuigt die er
komen kijken en werken. Eerst wilde ik met de garage werken, maar op het gebouw
komt een reusachtig videoscherm. Ik wil daar elke dag iets op laten projecteren;
een projectie van anderhalve minuut tot vijf minuten. Elke dag zou die projectie
veranderen. Ik ben aan het nadenken over een reeks filmpjes met een paardenkoets
die rondrijdt in de parkeergarage, de koetsier draagt een middeleeuws kostuum,
er hangt een rare sfeer, zoals in een thriller… Ik heb al een paar scènes
uitgeschreven: de koetsier wisselt van kleren of van plaats met een andere
chauffeur. Voor mij is Brugge een heel hedendaagse stad, omdat er zoveel
mogelijk bewaard wordt. Het onderhouden van zo’n fictie is heel hedendaags.
Daarover zou ik filmpjes willen maken.
Peter Missotten: Het probleem met die grote videoschermen die ze aan gevels
plakken is dat er geen kat naar kijkt. Voor Rotterdam 2001 gingen ze op het
Stadsschouwburgplein films tonen op het duurste videoscherm dat er bestaat, maar
dat werkt nooit. De mensen lopen niet door de straten om plots televisie te gaan
kijken. Zo’n videoscherm heeft geen enkele zin, behalve voor de woorden
‘opgepast file’, dat is eigenlijk het enige woord dat er echt op pakt. Die
dingen zijn de producten van een megalomaan denken, het is groot en
elektronisch, het zal dus wel zin hebben… Als je zoiets toch wil gebruiken, dan
vind ik dat je moet uitgaan van het onvermogen, van de impotentie van dat ding.
Jouw voorstel berust ook op een idee dat alleen in je eigen hoofd werkt, Kurt.
Je gaat ervan uit dat je toeschouwers elke dag langskomen en zo al je filmpjes
zullen zien.
Kurt: Dat hangt misschien af van het tijdstip waarop de filmpjes getoond worden.
Ik zou ze bijvoorbeeld ’s avonds kunnen tonen, tijdens de voorstellingen. Het
idee is dat die koetsier nooit uit die garage geraakt. Als je het één keer
gezien hebt ga je je misschien afvraagt waar het over gaat.
Peter Missotten: Ik vraag mij af of je wel iets kunt doen met zo'n scherm,
behalve het er gewoon afhalen. Dat vind ik ook het gevaarlijke aan dit soort
projecten: ik vind dat zeer vaak een valstrik.
Ivo Van Hove: Het is de noodzaak voor Kurt waar het om gaat, begrijp je?
Peter Missotten: Als ik probeer mij het mysterieuze van zijn filmpjes in te
beelden, dan blijft het hangen bij de impotentie van zo’n videoscherm.
Ivo Van Hove: In Rotterdam hebben we zo’n groot scherm opgehangen dat je kon
zien als je van het station naar het centrum wandelde. Je kon er dan zo’n 10 à
15 minuten naar kijken. Dat werkte heel goed.
Peter Missotten: Ja, als je de mensen dwingt… Het beste dat je op zo’n scherm
kan projecteren, dat is de muur die erachter zit… Je wil Brugge parodiëren in
zijn bruggerigheid, maar Brugge doet dat zelf al op een onverbeterlijke,
fantastische manier. Brugge is op zich al een heel groot venster, een kijkdoos.
Bovendien beschrijf je heel filmische scènes, je gaat shots knippen enz… Elk
project staat of valt met de vorm of de uitvoering. Zo’n groot videoscherm roept
bij mij een ander soort beelden op. Het gevaar is dat je een idee overplaatst
naar een groot videoscherm, in plaats van na te denken over de zin, de
mogelijkheden en de beperkingen van zo’n scherm. Het lijkt alsof je alles gewoon
kan projecteren, maar dat lukt schitterend niet.
Kurt: Ik wist dat je er iets tegen ging hebben, daarom stel ik het ook voor.
(lacht)
Zaterdag, 19 mei
Kurt: Het concertgebouw is het paradepaardje van Brugge 2002. Het moet een nieuw
tijdperk inluiden voor Brugge door de stad een hedendaags imago te bezorgen. Ik
ben vooral gefascineerd door de parkeergarage eronder. Die garage is een soort
van vertraagd of versneld spiegelbeeld van het concertgebouw. Als boven de
muziek begint, valt het geluid in de parking stil. In de garage worden
statussymbolen van nu gestockeerd, terwijl de eigenaars de stad intrekken om op
te gaan in de illusie van een middeleeuwse stad.
Ik zou in het concertgebouw monitors willen plaatsen die beelden tonen van de
parkeergarage, rechtstreeks verstuurd door bewakingscamera’s. Om de tien
seconden krijg je een ander camerastandpunt. Er zijn vier standpunten. Af en toe
worden de beelden van de garage afgewisseld door geënsceneerde fragmenten. Het
is de bedoeling dat die monitoren opgesteld worden aan liften en toiletten, op
plaatsen waar je moet wachten. De toeschouwers zullen denken dat het om live
beelden gaat, maar de beelden zijn vooraf opgenomen. De vorige keer sprak ik al
over een middeleeuwse koetsier, een man die met zo’n kar voor toeristen door de
garage dwaalt. Sommige beelden bevinden zich op het randje van het
geloofwaardige. Er komt een beeld met een reusachtige vuurbol, in kleur, die
door de garage raast. Het zou kunnen dat je pas na zeven of acht bezoeken aan
het concertgebouw iets vreemds opmerkt. De beelden worden opgeslagen in een
computerbestand en af en toe geselecteerd, zodat zelfs ik niet weet wat er komt.
Ik zou willen werken met heel uiteenlopende beelden. Soms zou ik heel even
abstracte snelheidslijnen achter de middeleeuwse kar willen laten verschijnen.
Ik zou ook willen inzoomen, zodat je het idee krijgt dat iemand in een
controlekamer het beeld bestuurt.
Ivo Van Hove: Je hebt dus vooral losse ideeën.
Kurt: Ik wil geen verhaal vertellen van A tot Z. Er zijn wel vier standpunten en
vier verhaallijnen die elkaar af en toe kruisen.
Ivo Van Hove: Vier verhaallijnen…
Kurt: De eerste verhaallijn wordt gevormd door de koetsier die niet uit de
garage raakt. De tweede verhaallijn gaat over een identieke beweging, twee
vrouwen die dezelfde bewegingen maken en er hetzelfde uitzien, al zijn er
natuurlijk variaties. De derde verhaallijn gaat over een koppel dat aan het
vrijen is in een auto. De bewakingscamera zoomt in, maar we kunnen alleen maar
fragmenten zien. De vierde verhaallijn bestaat in wat ik de abstracte
interventies noem: verschillende delen van de garage worden theatraal
uitgelicht, er komt water binnengesijpeld, enz.
Vanessa Van Obberghen: Valued
Woensdag, 14 maart 2001
Oorspronkelijk ben ik opgeleid als goudsmid aan Sint-Lukas in Antwerpen. In de
goudsmederij kan je een onderscheid maken tussen de technische kant en de
ontwerpkant. In Sint-Lukas hielden we ons meer bezig met de ontwerpkant. Zo ben
ik meer en meer geëvolueerd naar het bezig zijn met driedimensionale vormen. Ik
ben mij meer gaan bezighouden met objecten in relatie tot het lichaam, in plaats
van met draagbare, functionele juwelen. Dan heb ik aan het Hoger Instituut
gestudeerd, waar ik installaties gemaakt heb die te maken hadden met biologie en
metamorfose. Ik ben afgestudeerd in 1996.
Het verschil tussen juwelen en grotere sculpturen is het toegepaste karakter.
Voor het Hoger Instituut maakte ik grote objecten die met het lichaam speelden,
bijvoorbeeld een bepaalde hindernis of handvatten waar je zogezegd het lichaam
mee kan opheffen. Ik ben ook bezig geweest met biologie en de destructie van
bepaalde organische materialen. Door de juwelen was ik mij gaan concentreren op
het lichaam en nadien raakte ik geboeid door de processen in het lichaam.
Chemie, fysica, elektriciteit. Ik heb bijvoorbeeld een wassen kubus gemaakt die
door middel van weerstanden in een bol verandert.
Na mijn studies aan het instituut ben ik beginnen reizen in Afrika. Mijn werk
gaat nu over de westerse blik op Afrika. Eerst was ik uitgenodigd door een paar
kunstenaars om in Dakar een stage te geven. Gaandeweg ben ik mij meer gaan
bezighouden met wat je ervaart als je in zo'n land toekomt. Daar maak ik dan
installaties over. Voor mijn laatste tentoonstelling heb ik als vertrekpunt
‘waxale’ genomen: de onderhandelingen die gepaard gaan met het bepalen van een
prijs. Ik had interviews, video’s en foto’s gemaakt. Ik heb drie foto’s
uitgekozen en getoond in het midden van een metalen kubus met stemmen, met
getuigenissen. Er was ook een krant. Mijn werk gaat onder andere over de manier
waarop je een woord als ‘waxale’ kan uitleggen aan iemand die er niet mee
vertrouwd is. Nu hou ik mij bezig met een ander woord: ‘dozemoi’, dat zoiets
betekent als ‘attitude’. Ik zal er waarschijnlijk zes maanden mee bezig zijn.
Wat ik doe lijkt op een maatschappelijke, sociologische studie, maar ik ga niet
te werk als een antropoloog of zo, ik probeer een beeld te maken.
Maandag, 2 april
Vanessa: Ik heb gekozen voor de Smedenpoort. Oorspronkelijk was dat een
verdedigingswerk, maar nu is het in de eerste plaats een doorgang geworden. Ik
zou een soort krant of kunstenaarsboek willen maken over het problematische van
de stad Brugge als museum. Ik zou het idee van de ingang geworden fortificatie
ook willen koppelen aan de Brusselse Matonge-wijk, die zich aan de Naamse Poort
bevindt. Ik zou Matonge naar Brugge willen halen.
Ik zou de Smedenpoort dus louter als uitgangspunt willen nemen, als mentale
aanleiding voor het maken van iets efemeers zoals een krant. Ik zou Brugge graag
infiltreren met iets dat buiten Brugge staat. Toeristen die passeren hebben
eigenlijk geen band met de plaatselijke bevolking. Matonge is ook een enclave
binnen Brussel. Brugge heeft een heel laag immigratiecijfer. Er zijn wel
Europese inwijkelingen, maar van buiten Europa bijna niemand, nog geen honderd
mensen, denk ik. Het is wel grappig. Aan de ene kant zegt Brugge dat het een
internationale stad is, maar aan de andere kant wonen er alleen maar mensen uit
deze streek.
Ivo Van Hove: Eigenlijk wil je een soort van statement maken.
Vanessa: Als je het zo wil noemen… Ik ben nu bezig met een project voor
december, dat getoond zal worden in een ruimte die zich in Matonge bevindt.
Misschien kan ik Brugge in Matonge tonen en omgekeerd. Ze zijn tegenstrijdig en
complementair.
Jef: Ik vraag mij af wat de link is met het architecturale.
Kurt: Matonge ligt ook aan een poort, aan de Naamse Poort.
b0b Van Reeth: Je bent beeldend kunstenaar. Ik vind het raar dat je ontsnapt aan
je eigen medium door een krant te willen maken. Je zou ook een beeld kunnen
maken.
Vanessa: Waarom zou een krant niet beeldend kunnen zijn?
b0b Van Reeth: Waarom niet op een subversieve manier iets maken dat blijft?
Vanessa: Dat wil ik juist niet.
Ivo Van Hove: Waarom niet?
Vanessa: Er is al zoveel dat blijft… Ik vind dat Brugge met zijn gebouwen en zo
af is.
Ivo Van Hove: Je constateert een tekort en je wil er niks aan toevoegen? Buiten
het feit dat er een link is met waar je mee bezig bent mis ik een beetje een
richting. Voor wie bedoel je het? Dat is de vraag.
Vanessa: In Matonge wordt mijn werk in een vrij politieke ruimte getoond, die
zich ook bezighoudt met beeldende kunst. Vorige keer heb ik een krant gemaakt
over ‘waxale’. Voor Brugge 2002 zou ik een krant willen maken over de vreemde
overeenkomsten en verschillen tussen Brugge en Matonge. De dubbele functie van
de Smedenpoort als verdedigingswerk en ingang dient daarbij als uitgangspunt.
Ivo Van Hove: Je wil dus de idee van die poort gebruiken?
Katrien Laenen: Kurt van Belleghem is op zoek gegaan naar een aantal locaties in
Brugge waar verhalen over verteld kunnen worden. Hij staat open om het project
van Vanessa op te nemen in zijn tentoonstelling, die zich richt tot mensen die
naar Brugge zullen komen om hedendaagse kunst te zien. Ik ben vergeten hoe het
heet.
Geert: Octopus.
Woensdag, 4 april
Vanessa: Ik heb gekozen voor de Smedenpoort om twee redenen: In een van de
video’s waarin de locaties werden voorgesteld zei iemand dat Brugge een museum
was dat nog niet af was en stelde hij de vraag of kunst die nu gemaakt wordt
thuishoort in dat museum. De tweede reden is de aard van de poort, die vroeger
een fortificatie was, die diende om de mensen tegen te houden, terwijl het nu
een van de ingangen van Brugge geworden is. Ik zou dit idee willen combineren
met het feit dat er altijd op gehamerd wordt dat Brugge een internationale stad
is, omdat er zoveel buitenlanders komen, terwijl er vrijwel geen mensen van
buiten Europa wonen.
Ik ben bezig met een ander project dat zich gaat afspelen in Matonge, een wijk
in Brussel met Afrikaanse migranten. Het verband tussen beide plekken is dat ze
allebei te maken hebben met exotisme. In Brugge vind je een nostalgie naar
Vlaamse authenticiteit, naar een vervlogen tijd, terwijl Matonge ontstaan is uit
nostalgie naar een andere plaats.
Ik zou beide plekken graag infiltreren, in elkaar laten overlopen om het
exotisme te versterken. Mijn eerste idee was een krant te maken, het zou
misschien een andere vorm kunnen krijgen, maar… Eén of twee kranten, dat lijkt
mij het beste. Op vormelijk vlak heb ik mij zitten afvragen of ik kleur of
zwart-wit opnamen zal maken. Zwart-wit verwijst naar het verleden, kleurfoto’s
zullen het exotische versterken en misschien ook het verschil in temperament
aangeven. Want er zijn ook veel verschillen, natuurlijk. Matonge leeft ‘s nachts
en Brugge overdag. Als je in Matonge wandelt zie je reclameborden die verwijzen
naar Afrika, in Brugge verwijzen ze naar streekgebonden producten, personages,
enzovoort.
Jan Vermassen: Wat is het verband met de Smedenpoort?
Vanessa: Het idee van een poort, van het buitensluiten van vreemdelingen.
Toevallig ligt Matonge ook aan een poort. Althans, de naam ‘Naamse Poort’
verwijst er nog naar, terwijl de eigenlijke poort allang verdwenen is.
Marc Santens: Je idee is infiltreren en vermengen. Zou je ons iets meer willen
vertellen over de relatie tussen nostalgie en identiteit?
Vanessa: Mijn werk gaat daar over. Brugge is een interessant voorbeeld. Hoe kan
iets dat zo dicht bij ons ligt ook exotisch zijn? Hoe kan iemand zijn eigen
identiteit als iets vreemds of exotisch definiëren?
Zaterdag, 19 mei
Vanessa: Brugge wordt steeds herzien en uitgevonden, maar het idee van Brugge
als museum wordt meer en meer in vraag gesteld. In folders wordt er heel veel op
gehamerd dat Brugge een multiculturele stad is., maar als de toeristen 's avonds
verdwenen zijn, wordt het opnieuw een provinciaal stadje. Ik zou Brugge willen
confronteren met Matonge, een Brusselse wijk die in de jaren vijftig ontstaan is
door de inwijking van Congolese studenten. Brugge en Matonge tonen twee vormen
van nostalgie. Brugge verwijst naar de verleden tijd en Matonge naar een
bepaalde plek. Door het idee van het infiltreren wil ik niets vastzetten. Ik wil
een tijdschrift maken dat tijdens Brugge 2002 verspreid wordt. Een tijdschrift
met beelden, zonder tekst. Het wordt een onderzoek naar nostalgie. Ik noem het
‘valued’. Het gaat over het toekennen van waarde, bijvoorbeeld de zogenaamd
historische waarde van Brugge, die in zekere zin gelijkloopt met de symbolische
waarde van Matonge voor de Afrikaanse immigratie.
Ivo Van Hove: Je brengt Brussel in Brugge binnen, maar eigenlijk heb je het niet
geïntegreerd.
Vanessa: Matonge is een plek geworden waar alle colo’s komen om de sfeer van
Afrika op te snuiven, net zoals toeristen Brugge bezoeken om er de sfeer te
ervaren van iets dat er niet meer is. Ik denk dat ik telkens met twee foto’s zal
werken. Ik denk bijvoorbeeld aan een foto van een gezin in Kinshasa, met een
interieur dat heel erg op een zogenaamd traditioneel Vlaams interieur lijkt.
Ivo Van Hove: Hoe zie je de verspreiding?
Vanessa: Ik zou willen dat de krant beschikbaar is op de plaatsen waar mensen
inlichtingen over Brugge 2002 kunnen krijgen.
Ugo Dehaes: Coupure
Woensdag, 14 maart
Op mijn negentiende ben ik samen met mijn zus begonnen aan een dansopleiding,
maar na een tijdje ben ik ermee opgehouden. Later ben ik met mijn broer naar
Klapstuk gaan kijken en dan dacht ik: als ik al die jaren was blijven studeren
dan had ik misschien ook iets bereikt. Ik ben dan bij Klapstuk gaan werken om
zoveel mogelijk voorstellingen te zien. Ik hield artikels bij over dans en op de
achterkant van een van die artikels stond reclame voor een theaterschool, ‘De
kleine academie’, waar ik dansles ben beginnen volgen. Ik heb daar een jaar les
gevolgd met meisjes van negen tot zeventien. ’s Woensdags kwamen de ouders
kijken. Dan heb ik een stage gevolgd bij David Hernandez en een auditie gedaan
bij Parts, waar ik een jaar gestudeerd heb. Het was pas het tweede jaar dat de
school bestond. In het begin was dat vrij zwaar. Omdat ik niet zoveel
danstechnische bagage had werd er veel gewerkt aan techniek. Een les klassieke
en een les hedendaagse dans. Anderhalf uur per les, dat is drie uur. De hele
voormiddag dansen, 's middags theorie, dans of theater, workshops in compositie,
dingen ineensteken, het repertoire van Rosas dansen. Langzaamaan ben ik zelf
solo’s beginnen maken. We kregen les van mensen zoals Dirk Lauwaert, mensen die
echt wel iets te vertellen hebben. Parts is een internationale school, dat is
ook heel interessant.
Ik heb al vrij snel auditie gedaan bij Meg Stuart, die mij heeft voorgesteld om
voor haar compagnie te werken. Ik heb dan besloten Parts niet af te maken. Ik
wilde NU dansen en niet eerst tien jaar studeren en dan beginnen werken voor
andere mensen. Er was een soort van tijdsdruk voor mezelf. Ik wist ook dat ik
meer zou leren in de praktijk. Ik ben dus beginnen werken bij Meg Stuart. De
eerste voorstelling die ik mee gemaakt heb was ‘Appetite’ .
‘Appetite’ was lichter en vrolijker dan haar andere werk. Ze had de neiging heel
zwaar werk te maken. Dat had natuurlijk ook iets te maken met de dansers, omdat
die veel materiaal aanbrengen. Soms heeft Meg Stuart een idee, maar dikwijls ook
geen idee. ‘Doe maar,’ zegt ze dan. Dat levert dan 70 uur videotape op die ze op
haar eentje bekijkt. Zij neemt natuurlijk wel de uiteindelijk beslissing, maar
de dansers dragen het materiaal aan. Meg Stuart is de choreografe. Voor deze
voorstelling had ze eerst lang gesproken met Hamilton en als zij een basis
hadden, dan kwamen ze naar ons. De basis voor de voorstelling was de interactie
tussen lichaam en objecten. De vloer was van klei die van vorm veranderde door
het contact met onze lichamen De klei droogde op enzovoort. Er was veel
materiaal, omdat Hamilton veel met materiaal bezig is. We hebben veel rommel
gekocht. Veel stof en zakken met kruiden. We zijn op museumbezoek geweest en er
waren veel verwijzingen naar de Belgische geschiedenis en cultuur. We gebruikten
kleuren die gebaseerd zijn op schilderijen van Rembrandt. Zo werk je vier, vijf
maanden. En daarna reis je de hele wereld rond.
Daarna zijn we begonnen met ‘Highway’. ‘Highway’ was een locatieproject. We
gingen naar een ruimte en maakten ter plaatse een voorstelling met een grote
groep mensen. We hebben dat gedaan in Brussel, Wenen, Parijs en Zurich. Het was
niet zo dat we eerst een voorstelling maakten die we dan aanpasten aan de
ruimte. We zijn elke keer van nul begonnen. Er waren wel scènes die gerecycleerd
werden naar gelang van de plaatselijke omstandigheden, de architectuur en de
plaatselijke dansers.
Nadien heb ik met Charlotte Van den Eynde een voorstelling gemaakt die
‘Lijfstof’ heette. Het was een voorstelling met eigen beelden en eigen
materiaal. Als ik met Meg Stuart werk ben ik danser, maar als ik met Charlotte
werk ben ik choreograaf. Als choreograaf ben ik zeker beïnvloed door het werk
van Meg Stuart, maar ik heb daar ook auditie gedaan omdat haar werk mij
aansprak. Mijn werk met Charlotte komt ook meer voort uit beelden die uit ons
hoofd komen. Die beelden proberen we verder uit te werken. Dat is een andere
manier van werken. Ons werk is beeldender. Ik ben niet zo echt bezig met
danspasjes, meer met hoe lichamen zich gedragen.
Ik ben gestopt met dansen voor Meg Stuart. Ik heb geen zin haar te volgen naar
Zurich. Ik heb ook zin om andere dingen te proberen, zelf dingen te maken. Mijn
werk past misschien niet in de danswereld, omdat ik het eigenlijk meer als zie
als beeldend werk. Het concept theater blijft belangrijk, namelijk dat iedereen
samenkomt om op een bepaald moment naar hetzelfde ding te kijken. Het zal dus
nooit echt een installatie worden, het zal altijd een voorstelling blijven, maar
ik voel mij niet verwant met wat er nu gebeurt in de danswereld, ik ben meer
beeldend bezig.
‘Lijfstof’ was een heel lichamelijke voorstelling. Ze duurde ongeveer een uur.
We hebben geprobeerd het lichaam op een heel dingmatige manier voor te stellen.
Het stuk begint met een belangrijke scène, waarbij we allebei in een kartonnen
doos zitten. Dat geeft iets heel bevreemdends. We hebben geprobeerd dat te tonen
in een tentoonstellingssfeer, maar dat werkte niet echt. Voor mij is het
belangrijk dat het een beeld is, maar het is ook een bewegend beeld. Tegelijk
heb ik moeite met het vergankelijke van een theatervoorstelling. Ook als ik
mensen ontmoet en ik wil zeggen waar ik mee bezig ben. Ik kan mijn werk moeilijk
tonen, het is niet zoals een boek. Nu vraag ik mij dus af hoe ik daar iets kan
van overhouden, hoe ik dat kan langer maken in de tijd.
Maandag, 2 april
Ugo: Wat mij het meest aantrok aan die brug is het technische aspect. Het gaat
om een eikenhouten brug die omhoog gehaald wordt door stalen kabels die rond
twee stalen palen gewikkeld worden. Wat ik mij niet gerealiseerd heb is dat er
aan twee kanten twee grote stenen kolommen geplaatst worden van drie meter lang.
Op elke oever komen twee zuilen van zes meter hoog, drie meter lang en tachtig
centimeter breed waarop de hele constructie rust. Van op de Ringweg gezien ziet
het er heel licht uit, maar voor de fietsers die gebruik zullen maken van de
brug ziet het er monumentaal uit, eigenlijk bijna een poort, iets kolossaals.
Conzett denkt eraan blauwe steen te gebruiken, wat niet het lichtste materiaal
is. Ik zou iets willen doen met het feit dat de mensen eigenlijk tussen twee
stenen muren staan als ze moeten wachten.
Ik wil zeker iets maken met mijn lichaam als uitgangspunt. Ik wil werken met een
soort van ophanging en voorwerpen die door middel van kabels in beweging
gebracht kunnen worden, maar ik weet nog niet hoe, waar of wanneer. De opening
van de brug vindt plaats in februari. Dan is het te koud om buiten op te treden,
zowel voor mij als voor het publiek. Misschien kom ik via een choreografische
aanpak wel tot een beeld of een installatie die permanent kunnen zijn. Voor mij
blijft het de vraag wat ik nog aan die brug kan toevoegen. Als het echt iets
beeldend is… Daarom denk ik nu aan de ruimte tussen die stenen muren waar de
mensen staan te wachten. Eventueel kan daar iets gebeuren. Er is ook wel ruimte
rond de brug, maar ik kan mij nog geen oplossing voorstellen. Ik ben al ter
plekke gaan kijken, maar ik kan daar niet veel gaan doen, omdat de brug er nog
niet staat.
Geert: Als je daar als fietser of voetganger effectief staat te wachten, krijg
je misschien al genoeg prikkels. Misschien krijg je een overaanbod als je er nog
een beeld aan toevoegt.
Ugo: Het ligt voor de hand dat ik een voorstelling maak, maar voor mij is het
ook interessant iets anders te proberen, iets te maken dat meer permanent is, al
is het maar voor één jaar, iets waarvoor ik niet noodzakelijk daar moet zijn.
b0b Van Reeth: Wat ik intrigerend vind aan die brug is dat het een heel
praktisch ding is, maar zodra hij omhoog is wordt hij een soort podium. Je kan
de brug dan niet gebruiken, maar juist daardoor kan je er iets mee doen. Als je
zou blijven staan op die brug, wat niet mag natuurlijk.
Ugo: In het begin zal het ophalen van de brug een evenement zijn, maar voor de
mensen die hem elke dag gebruiken valt er al gauw niks meer te zien.
Ivo Van Hove: Het kenmerkende aan die brug is dat ze zich niet op toeristen
richt, maar op lokale mensen.
Ugo: Ze zal wel architectuurreizigers en spotters aantrekken, zeker het eerste
jaar. Maar het beeld is zo verfijnd dat je er weinig aan kan toevoegen.
Ivo Van Hove: Vroeger werd kunst gebruikt om slechte architectuur op te smukken.
b0b Van Reeth: Ik zou met Conzett in contact blijven, anders wordt het inderdaad
een toevoeging. Misschien kan je werk er een deel van zijn, dat zou leuk zijn.
Ugo: De plannen zijn toch al klaar?
b0b Van Reeth: Hij heeft de kolommen en het mechanisme, maar gelijktijdig werken
kan tot iets leiden, omdat er een overbrenging van gevoeligheid plaatsvindt. Het
werk van Conzett is heel risicovol en tegelijk heel beheerst. Hij bewandelt
altijd paden die risicovol zijn, maar daardoor juist tot een werkelijke spanning
komen. Hij is ook ingenieur. Hij heeft een brug gemaakt die bestaat uit twee
ijzeren platen, een soort sliert met twee verschillende niveaus, bekleed met
natuursteen die dragend is. Het is zo frêle, want het enige wat je ziet zijn die
stenen, waarvan je weet dat ze het niet kunnen trekken. Hij heeft ook een gebouw
gemaakt met een gelijkvloerse verdieping die helemaal leeg is, waarbij de gevel
de draagconstructie van het hele gebouw verbergt.
Als eerste voorstel voor de brug over de Coupure had hij gewoon één lijntje
getekend. Hij wilde dat de brug zo laag mogelijk was. Later bleek dat de
draagpalen de neiging zullen hebben door te zakken, zodat hij ze zal moeten
voorspannen. Ik vind dat een mooi voorbeeld van het gevecht dat elke ontwerper
levert, het kan boeiend zijn je daaraan te spiegelen.
Ugo: Het knappe is ook dat hij weet dat het zal werken. Hij heeft een maquette
gemaakt, schaal 1/5 om te testen of de motoren er tegen zullen kunnen.
Woensdag, 4 april
Ugo: Ik heb als locatie de brug over de Coupure gekozen. Het project waarvan we
allemaal het gevoel hebben dat je er niks meer aan toe kan voegen. Ik heb een
foto van de maquette bij. Ik heb ook een paar videobeelden gemaakt.
(Hij toont een reeks bevroren videobeelden van een danssolo waarbij hij, hangend
in twee singels die aan een metalen gestel bevestigd zijn, allerlei poses in
elkaar laat overvloeien.)
Ik heb ook een pop gemaakt, maar ze heeft niet genoeg gewrichten om alle
mogelijkheden te laten zien. (Hij demonstreert de mogelijke bewegingen van een
aan touwtjes opgehangen kleine popje.) Wat ik interessant vind is dat als je een
lichaam in allerlei richtingen draait het uiteindelijk pijnlijk kan worden. Met
een grote pop zou het ook boeiend kunnen zijn een systeem te ontwerpen dat
interactief is, waarbij je het publiek de knoppen laat bedienen. Maar het is
natuurlijk interessanter met een echt lijf. Tot waar kan je het opspannen?
(lacht) Meg heeft voorgesteld iets met de brug te doen, maar ik heb geen zin om
iets aan de brug toe te voegen. Vlakbij de brug bevindt zich een
mini-amfitheatertje waar ik eventueel iets zou kunnen doen. Het is ook een
ruimte van de waterwegen. Nu denk ik erover een constructie te bouwen met een
gelijkaardig mechanisme als de hangbrug, maar het zou ook iets kunnen worden dat
tussen de bomen hangt. Ik zou mijn constructie ook dwars voor de brug kunnen
plaatsen, maar met de plaatsing hou ik mij eigenlijk nog niet bezig.
Wat voor mij het meest voor de hand ligt is iets live doen, maar bij de opening
van Brugge 2002 zal het te koud zijn. Daarom zou ik nu liever vanuit de materie
vertrekken en dan gaandeweg naar een vorm evolueren in plaats van eerst een vorm
te kiezen. Tegelijkertijd moet ik natuurlijk wel rekening houden met wat gegeven
is. Op de maquette ziet de brug er bijvoorbeeld erg fijntjes uit, maar in
werkelijkheid zijn de muren waarop de dragende palen liggen zes meter hoog, drie
meter lang en tachtig centimeter breed. Ze moeten zo lang zijn om het doorbuigen
van de palen te beletten. Die vier peilers gaan natuurlijk wel een impact hebben
op de site.
John: Wat Meg Stuart en mij boeit is het performante, het licht acrobatische
aspect van de brug. De onbekende is voor ons hoe Ugo zich zal positioneren
tegenover de brug. De grote vraag is natuurlijk of je een performance of een
installatie maakt. Een live act kan voor het publiek het interessantst zijn, die
constructie en dat fragiele lijfje… Ik zou mij eerder naar Brugge verplaatsen
voor het lijfelijke.
Ugo: Een performance zou in de eerste plaats bestemd zijn voor een publiek dat
van buitenaf komt, terwijl een installatie vooral bestemd zou zijn voor de
gebruikers van de brug.
Zaterdag, 19 mei
Ugo: Ik zou een eiken figuur van tachtig centimeter groot willen maken die ik op
een aantal plaatsen doorzaag. Elke schijf hangt op aan een afzonderlijk touwtje
en is verbonden met een motortje dat de hele figuur of bepaalde onderdelen ervan
kan laten kantelen en omhoog of omlaag doen gaan. Het geheel zit in een glazen
toonkast die op een sokkel staat. De toonkast is gemaakt van securitas glas. Als
je op het glas tikt, begint de figuur te bewegen. Het zou een korte choreografie
kunnen zijn. De figuur kan bewegen zoals een mens, maar anders, omdat hij geen
gewrichten heeft. Hij kan van hoogte veranderen, maar ook roteren. Er is een
soort van torsie mogelijk. (Hij toont een maquette.)
Ivo Van Hove: Beweegt het samen met de brug?
Ugo: Neen… Ik wil wel alle mogelijke bewegingen vastleggen zoals bij een
choreografie. De totale beweging moet zo lang duren als het op en neer gaan van
de brug, veertig seconden. Het geheel staat los van de beweging van de brug,
omdat die beweging op zich al indrukwekkend is. Op de rechteroever van de
Coupure bevindt zich een parkje. Ik zou het werkje daar tussen de bomen zetten.
Het moet haaks op de brug staan. In deze maquette is de pop een beetje te groot
ten opzichte van het kastje. Ik zou het beeld niet teveel willen uitwerken. De
armen zijn tegen het lijf geplakt, de benen blijven samen. Ik zou het simpel
willen houden. Conzett wil dat het eiken loopvlak van zijn brug zwart wordt, ik
zou willen dat het hout blank blijft, misschien moet ik het vernissen.
Bijvoegsel
a. Werelderfgoed dat de moeite niet waard is
In de grootstad Vlaanderen vind ik Brugge een prachtige wijk om in te wonen. De
huizen zijn laag, er is weinig verkeersdrukte en lawaai, er is water en er is
veel — oud — groen op pleinen, in parken en in binnentuinen. Wat ik nodig heb om
te leven is veel licht en rust, de wisseling van de seizoenen in fruitbomen,
bloemen en struiken, een bakker en krantenman om de hoek, een plaats waar mijn
kinderen kunnen spelen en misschien een paar buren om af en toe mee te babbelen.
Voor zover hij niet bijdraagt tot deze voorwaarden, lijkt de stijl van een
voorgevel mij irrelevant. Ik heb geen behoefte aan hedendaagse, antieke,
autonome, functionele, generieke, mooie of lelijke architectuur, maar aan een
leefbare omgeving. De geschiedenis van de 20ste-eeuwse stedenbouwkunst lijkt aan
te tonen dat het onmogelijk is een leefbare, harmonische omgeving zoals Brugge
op een versnelde, berekende manier tot stand te brengen. De vraag is of we hier
te maken hebben met een onmogelijk vak of met een vak dat verkeerd is opgevat.
Befaamde architecten en stedenbouwkundigen hebben zich neergelegd bij de
onmogelijkheid van het vak, misschien terecht. Anderen, zoals de architect Luc
Deleu, blijven zoeken naar manieren om onoverzichtelijke, maar in het geheim
toch gestructureerde steden te bedenken. Voor Deleu zou de oplossing hierin
kunnen bestaan de stad als maakbaar te beschouwen op macro-vlak, waarbij de
infrastructuur en de nodige volumes voor de nutsvoorzieningen op een geplande
manier gespreid zouden worden, terwijl de stedenbouwkundige zich niet meer zou
bemoeien met de woningen van de mensen. De enige manier om een leefbare stad te
bouwen, stelt hij, is haar vormgeving op particulier niveau los te laten en
vrijheid te creëren door de grote structuren vast te leggen, wat net het
omgekeerde is van wat nu in Vlaanderen gebeurt.
Wie in België de behoefte voelt in een ander soort wijk te wonen, bijvoorbeeld
een stad met veel verkeersdrukte en lawaai, geen waterpartijen, hoogbouw,
anonieme buren, veel stank en vrijwel geen enkele boom of park binnen
loopafstand, kan altijd naar Brussel verhuizen. Dat is het wonder van ons land.
In die optiek lijkt het vreemd dat sommige mensen de behoefte voelen Brugge te
voorzien van een nieuw concertgebouw. Je vraagt je af waarom dit concertgebouw
niet in Oostende gebouwd wordt, op de dijk, of ergens in het midden van een
West-Vlaams bos. Eigenlijk zie ik maar één reden voor de huidige plaatsing van
dit gebouw, namelijk dat Brugge beschouwd wordt als een soort breed trottoir
rond het concertgebouw of als een oubollige, kleinburgerlijke attractie die
dankzij haar kitschgehalte het concertgebouw aantrekkelijker kan maken voor niet
van enige ironie gespeende opera- en theaterliefhebbers die van ver moeten
komen. Toch proberen sommige mensen de zaken om te keren en voor te stellen
alsof dit concertgebouw een aanwinst voor Brugge en de Bruggelingen zou zijn.
Voor welk Brugge en voor welke Bruggelingen? Nooit zegt iemand: ‘Kijk, we hebben
hier een miljard, we bouwen daar een concertgebouw mee en we poten dat neer waar
we willen.’ Altijd krijg je een hele resem argumenten te horen in een zichzelf
in de staart happend, hol mediataaltje, alsof de waarheid onverteerbaar zou zijn
voor het volk. Toch horen de mensen uit dit ‘volk’ meteen wanneer iemand hun een
kat in een zak probeert te verkopen, daarvoor zijn ze al genoeg bedrogen door
hun huisbazen, werkgevers en andere fijnmuilende, leugenachtige klootzakken.
Over de Smedenpoort vernemen we dat ze okerkleurig geschilderd zal worden en
daardoor — niet langer ‘weggemoffeld in de natuur’ — een echte icoon zal kunnen
worden voor de Bruggelingen, over het Concertgebouw vernemen we dat het ‘een
pastoraal gebouw is, aangespoeld in de stad op een stroom van gras en blaren’ en
over het Kanaaleiland komen we te weten dat de driekwart miljoen toeristen die
er nu jaarlijks hun auto parkeren zich er niet kunnen oriënteren, zodat een
prachtig park met eeuwenoude bomen gedeeltelijk plaats zal moeten ruimen voor
een hoogst interessante, hedendaagse architecturale ingreep. Het opfrissen van
het eigenlijke parkeerterrein wordt uitgesteld tot een tweede fase en wat er
werkelijk nodig is, een paar WC’s op het parkeerterrein, lagere stoepranden en
een paar wegwijzers die ervoor kunnen zorgen dat honderdduizenden, naar hun auto
of autobus zoekende toeristen niet langer van honger omkomen, wordt
‘opgewaardeerd’ tot een monsterlijke interventie die de geesteloze bedenkers een
honorarium van veertig miljoen oplevert.
Het opzet van Brugge 2002 is weinig doorzichtig. Aan de ene kant gaan de
organisatoren er prat op dat Brugge in 1999 door de Unesco werd uitgeroepen tot
werelderfgoed en aan de andere kant herhalen ze voortdurend dat de stad niet
genoeg bezienswaardigheden in huis heeft om culturele hoofdstad van Europa te
zijn. ‘Brugge is een historische stad die wereldberoemd is omwille van de
gebouwen en de leien. Naast dat historische Unesco-werelderfgoed had Brugge geen
hedendaagse architectuur te bieden, behalve kantoorgebouwen,’ vertelt iemand. Ik
probeer mij in te beelden dat de Egyptenaren naast hun piramides opera’s en
fotogenieke bruggen bouwen om ze interessanter te maken voor toeristen, maar het
lukt mij niet. Toch zou niets ons nog mogen verbazen. Misschien staan er
intussen al opera’s naast hun piramides en hebben de organisatoren van Brugge
2002 zich door dit precedent laten inspireren?
Verder in dit boek merkt Kurt d'Haeseleer op dat hij graag eens met de
architecten van het nieuwe concertgebouw zou spreken, omdat hij zich moeilijk
kan inbeelden dat een tekst die hij in het dossier van Brugge 2002 heeft
gevonden de werkelijke motieven van architect en bouwheer weergeeft. B0b Van
Reeth antwoordt hem dat hij zich niet mag baseren op een tekst die niet is
geschreven door de architect. De tekst in kwestie is geschreven door Koen Van
Synghel — een man die zich in het Jaarboek Architectuur Vlaanderen van 1999, het
eerste jaarboek onder het bewind van de Bouwmeester, mag uitspreken over de gang
van zaken bij het organiseren van architectuurwedstrijden — en wordt gekenmerkt
door de wonderlijkste argumenten. ‘Het is waar,’ zo stelt Van Synghel, ‘dat de
stad Brugge geobsedeerd is door haar verleden, maar tegelijk blijkt haar
stedelijk kwaliteitsbesef als ze ervoor zorgt dat er momenteel een concertzaal
wordt gebouwd… Het gebouw is het resultaat van een intelligente,
architectonische interpretatie van het hedendaagse Vlaamse landschap en een
creatieve analyse en uiterst persoonlijke lezing van de bouwplaats,’ vervolgt
hij, ‘want het wordt bedekt met rode terracotta tegels… De keuze voor terracotta
lost het probleem van de schaal wel niet op, maar in werkelijkheid gaat het gaat
hier niet om een monolithisch gebouw, maar om een monochrome sculptuur op schaal
van de stad.’ Enzovoort.
‘Ik doe het voor Van Eyck,’ vertelt de architect Paul Robbrecht aan een
journalist. ‘Kan je dat geloven? Uit groot respect voor zijn kunst. Voor het
beeld van Michelangelo dat ze hier in Brugge ooit gekocht hebben. Dat een stadje
van deze omvang dat genie erkend heeft! Tegen die achtergrond werkt het
concertgebouw als een paard van Troje. Zodra het de stad binnenraakt, laat het
er van alles gebeuren.’
Deze vreemde redeneringen, die altijd gepaard gaan met een merkwaardig
taalgebruik, keren terug in vrijwel alle teksten en gesprekken over Brugge 2002.
De locatie van een nieuw ‘architectuur-paviljoen’ wordt verdedigd door het
historische belang van de plek. Alsof niet de hele binnenstad beschouwd kan
worden als een ‘historische plek’. Vervolgens wordt echter meteen geanticipeerd
op mogelijke bezwaren van Bruggelingen die in de plaatsing van dit paviljoen een
bezoedeling van hun geliefde historische plek zouden kunnen zien en wordt
gewezen op de uitzonderlijke architecturale kwaliteit van het paviljoen, dat de
keuze van de locatie rechtvaardigt. Blijkbaar wordt de locatie gerechtvaardigd
door de aard van de ingreep en de aard van de ingreep door de locatie.
Toch heeft niemand om zo’n rechtvaardiging gevraagd. De mensen van Brugge 2002
schijnen zich te verweren tegen verwijten die ze zelf hebben verzonnen, alsof ze
hun eigen projecten proberen belangrijk te maken door ze iets controversieels
mee te geven. Eigenlijk doet dit voortdurend denken aan de manier waarop de
mensen van de pers vrijwel dagelijks door middel van zichzelf waar makende
voorspellingen nieuws creëren en vervolgens uitvergroten om kranten te kunnen
verkopen.
‘We hebben die plek gekozen omwille van de historische waarde van die plek in
Brugge zelf,’ zo luidt het, ‘en daarom vinden we het een enorme uitdaging om
juist daar een signaal te maken van hedendaagse architectuur. We spreken over
een tijdelijk paviljoen. Waarom? Juist omwille van de gevoeligheid van die plek
en omdat we dit paviljoen ook willen een toekomst geven die vandaag nog niet
bepaald is… Kijk, wij willen in 2002 een signaal geven aan die stad. Reageert
die stad daar goed op dan moet er kunnen gediscussieerd worden over het al dan
niet blijvend zijn van dat signaal. Maar daar zullen wij geen uitspraak over
doen. Dit moet bij wijze van spreken de stad doen… Brugge was een historische
stad, nu komt daar, niet alleen in 2002 maar ook daarna, een plek bij waar
mensen naartoe zullen komen omwille van de architectuur van het gebouw, omwille
van de verandering van de skyline, om het met een lelijk woord te zeggen, en
omwille van wat er in het gebouw gaat georganiseerd worden… Je kan Brugge 2002
zien als een aanleiding om een aantal zaken te organiseren, je kan het zien als
een aanleiding om het geheugen van de stad te actualiseren… Het is niet
onbelangrijk dat het geheugen van die stad een verdere toekomst krijgt. We pogen
dit te doen via architectuur… We willen het paviljoen ook een toekomst geven die
vandaag nog niet bepaald is… De ‘Tower of Winds’ van Toyo Ito is op een
dusdanige manier ontworpen dat het echt een beeld wordt in de stad… Een ander
voordeel van het herschilderen is dat de Smedenpoort plotseling opnieuw één
geheel zal worden, een icoon voor de Bruggelingen, een zeer belangrijk
herkenningspunt dat nu eigenlijk een beetje in de natuur weggemoffeld wordt…’
Sommigen dromen van een stad die zichzelf wegmoffelt, zodat er plaats vrijkomt
voor haar bewoners, anderen dromen over een stad die bestaat uit iconen, beelden
en signalen die een identificatie naar de burger toe mogelijk moeten maken. De
oorsprong van deze gedachte schuilt in het idee dat mensen zich vervelen in
moderne steden en gebouwen, omdat ze zich in niets herkennen en zich niet kunnen
oriënteren. Zo is in de jaren zestig en zeventig ook een totaal aberrante
opvatting over kunst in de openbare ruimte ontstaan, waarbij kunstwerken
beschouwd werden als stimulerende aanknopingspunten voor het verdwaalde en
verdwaasde plebs. Maar waarschijnlijk voelen mensen zich veel beter in
onoverzichtelijke ruimtes, waarin ze zich soepel leren verplaatsen door
gewenning, net zoals muizen labyrinten kunnen memoriseren. Zonder twijfel is dat
ook een van de geheime attracties van het toerisme: mensen lopen graag verloren
in vreemde steden.
b. Onbruikbare interpretatiemodellen
Nu er in Vlaanderen plots veel geld beschikbaar is voor het maken van kunst in
opdracht komen tal van critici, historici en beroepsfilosofen aanzetten met hun
eigen theorie over hoe de zaken moeten worden aangepakt. Ze buigen zich over de
complexe aard van de openbare ruimte, wagen zich aan nieuwe definities van de
kunst en proberen zich zo in een commissiezetel te manoeuvreren, van waar ze er
persoonlijk kunnen op toezien dat het geld in goede handen komt.
In werkelijkheid gaan de opdrachten altijd naar dezelfde soort mensen, die op
een voorspelbare manier werken maken die op kunstwerken lijken. De laatste
decennia, bijvoorbeeld voor het opsmukken van de Brusselse metrostations, waren
dat in België zelden kunstenaars met echt hedendaags werk, maar ambachtslui
waarvan min of meer bekend was dat ze in staat waren een betonnen, stalen,
keramische of bronzen structuur te ontwerpen die leek op een kunstvoorwerp. Die
vroegere ‘artistes pompiers’ hebben intussen ook in het milieu van de
hedendaagse kunst hun opvolgers gevonden. De bekendste onder hen is allicht Jan
Fabre, een man die mooie decorbeelden maakt, maar verder absoluut niets te
vertellen heeft. Zijn grootste troef is zijn voorspelbaarheid. Hij maakt altijd
namaakkunst zoals te voorzien en te verwachten was. Hier komen ook de
gestudeerde koppen weer op de proppen, die vrijwel nooit geleerd hebben naar
dingen te kijken, zodat ze zonder argwaan al hun gewicht verlenen aan poseurs,
oplichters en plagiators.
Zoals Karel van het Reve prachtig betoogt in zijn ‘Geschiedenis van de Russische
literatuur’, bestaat er geen enkele wetenschappelijke, sluitende of zinnige
manier om boeken of andere kunstwerken vanuit een algemene theorie te benaderen.
In zijn inleiding — waarvan we sommige gevoeligheden later terugvonden in ‘Les
testaments trahis’ van Milan Kundera — betoogt hij dat elke poging een kunstwerk
in een breder, alles verklarend kader te plaatsen uiteindelijk onrecht moet doen
aan het specifieke van dit kunstwerk. Vrijwel niemand slaagt erin werkelijk te
beschrijven waarin de schoonheid of de specificiteit van een groot kunstwerk
eigenlijk berust. En als iemand er toch in slaagt, dan zou een nauwkeurig
opvolgen van dit recept nooit een gelijkwaardig kunstwerk opleveren.
Waar er veel geld uit te delen valt, zijn echter theorieën nodig. Niet om te
bepalen aan wie we het geld zullen geven, maar wel om ons in te dekken. Laat
iemand onze pleidooien maar eens nalezen en bestrijden! Laat iemand maar
aantonen dat we dit geld aan iemand anders hadden moeten geven! De angst is niet
het geld aan de verkeerde persoon te hebben gegeven, maar wel ter verantwoording
geroepen worden. Niemand wil ter verantwoording geroepen worden en rekenschap
afleggen. Alles moet onleesbaar, onbegrijpelijk en troebel zijn.
Een fraai voorbeeld hiervan is het onlangs verschenen boek ‘Moderne leegte’ van
de kunsthistoricus Camiel Van Winkel. In dit werk probeert Camiel van Winkel, zo
schrijft hij, kunstwerken ‘uit de persoonsgebonden context van een individueel
oeuvre te tillen en in een andere samenhang te plaatsen’. Omdat kunstwerken ‘ook
maar een symptomatische uitingsvorm van de geschiedenis’ zijn, stelt hij zich de
vraag of ‘monografische studies in dit tijdsgewricht veel perspectief kunnen
bieden’. Ik kan meteen al niet meer volgen. Wat bedoelt hij met dit gezochte
‘perspectief’? Wat is er zo bijzonder aan dit tijdsgewricht? En wat is dat, een
tijdsgewricht? Waar begint dat en waar houdt dat op?
Tot nog toe heb ik mij als schrijver over kunst uitsluitend bezig gehouden met
monografische studies, hopend dat die misschien bruikbaar zouden kunnen zijn
voor de kunstenaars — omdat ze er soms nieuwe verbanden in hun eigen werk mee
ontdekken en omdat zo’n studie soms bijdraagt tot een beter aanvoelen of een
beter begrip van hun werk — en voor historici zoals Camiel Van Winkel, die het
door mij vergaarde materiaal tot het nut van ’t algemeen misschien in een
grotere samenhang zouden kunnen plaatsen.
Volgens Van Winkel waren de jaren vijftig veel minder kneuterig dan wij altijd
hebben gedacht. Recente inzichten van historici en sociologen bewijzen dit,
schrijft hij. Werken van schrijvers zoals Gerard Reve en W. F. Hermans, die deze
kneuterigheid lijken te bevestigen, zijn eigenlijk afwijkende verhalen die
altijd weer dankbaar gebruikt worden om de jaren vijftig als bekrompen voor te
doen. De boeken van deze schrijvers werden aanvankelijk zelfs niet gelezen.
In werkelijkheid, vervolgt Van Winkel, werden de jaren vijftig gekenmerkt door
een ‘algemeen vertrouwen in de rustige en spontane ontplooiing van de
gemeenschap’, die tot uitdrukking kwam in een stadsbeeld dat gekenmerkt werd
door openheid, reproduceerbaarheid en ruimtelijkheid. In de jaren zestig en
zeventig ‘sloeg de ervaring van openheid en ruimte echter om in een akelig
gevoel van leegte en onherbergzaamheid… Open ruimtes zonder duidelijke functie
werden opgeëist en ingevuld… Terwijl de fysieke leegte inkromp, verdiepte de
psychosociale leegte zich juist tot ongekende proporties’.
Het eerste deel van Camiel Van Winkels boek gaat over deze ‘moeilijk te
rationaliseren omslag van ruimte naar leegte en de hieruit voortvloeiende, bijna
dwangmatige onderdrukking van de leegte en de monotonie in de openbare ruimte
van de stad’. Het boek vangt aan met de bespreking van enkele foto’s die
bouwwerken uit de jaren vijftig ‘in een extrapolatie van hun ideële moment’
plaatsen. ‘Wat deze beelden gemeen hebben,’ betoogt Van Winkel, ‘is dat zij de
leegte zichtbaar maken als het volkomen transparante medium voor architectuur in
de jaren vijftig.’
Van Winkel beweert nergens dat deze foto’s een bewijs vormen voor zijn
stellingen, maar hij hoopt toch dat ze die kracht zullen bijzetten. Helaas had
hij hiervoor bijna om het even welke foto van een nieuw gebouw kunnen nemen,
omdat het tot de geplogenheden van de architectuur-fotografie behoort gebouwen
te fotograferen wanneer het blikveld zo weinig mogelijk verstoord wordt door
overbodige en afleidende elementen. Toen de fotograaf Jan Kempenaers in 1997
alle gebouwen die dat jaar in het ‘Vlaamse jaarboek voor architectuur’ werden
afgebeeld in opdracht van de Antwerpse Singel opnieuw ging fotograferen voor een
bijhorende tentoonstelling, kreeg hij het aan de stok met enkele architecten,
omdat hij het gewaagd had een woonhuis te fotograferen met enkele uitstekende
grassprieten die het gevelbeeld verstoorden en een postkantoor met enkele
postzakken in het portaal. Bovendien stralen foto’s van nieuwe gebouwen bijna
altijd een gelijksoortige leegte uit, omdat de omringende beplanting, als die al
aanwezig is, veelal nog piepklein is.
Elke andere ‘bewijsvoering’ van Van Winkel berust op citaten, zoals in de
Middeleeuwen, en op het suggestief aaneenbreien van uit de context gerukte
voorvallen en teksten. Over Mondriaan, Van Doesburg en Rietveld merkt hij op dat
ze in hun geschriften over stedenbouwkunde nauwelijks in staat waren details te
verstrekken, maar eigenlijk geldt voor hem hetzelfde. Hij leest enkele teksten
van vertegenwoordigers van de zogenaamde Utrechtse school, stelt vast dat een
kopstuk van de antipsychiatrie later lid geworden is van een sekte en beschrijft
hoe de ‘oningevulde ruimte’ van een open plein uit de jaren vijftig later
gebroken werd door een ‘breed wijkgebouw’ om een ‘akelig gevoel van leegte en
onherbergzaamheid’ te bezweren.
Ik zou hem hierin kunnen bijtreden, want in mijn geboortestraat bevond zich ook
een onbebouwde ruimte die tegen het eind van de jaren zestig werd ingepalmd door
acht nieuwe garageboxen. Toch vermoed ik dat die garageboxen er niet zijn
gekomen ter stilling van een metafysische leegte, maar wel omdat steeds meer
mensen wagens gingen kopen en die wagens graag onderdak gaven.
Volgens Van Winkel wordt het twintigste-eeuwse cultuurlandschap beheerst door
een psychosociale leegte Het gaat hier niet om een te onderbouwen stelling, maar
om een axioma. Toch begrijp ik niet waar hij het over heeft. Een ‘psychosociale
leegte’? Ik mag er niet aan denken of ik word al ongemakkelijk. Stel je voor dat
ik van mijn stoel val en in die leegte tuimel zoals Pascal…
Wat zou de zin zijn van dit zogenaamd wetenschappelijke verhaal van Camiel Van
Winkel? Op welke manier zouden deze nieuwe ‘inzichten’ onze omgang met
kunstwerken, architectuur of stedenbouwkunde kunnen vergemakkelijken? Voor we
ons buigen over de volgende delen van zijn boek, wil ik gauw nog iets kwijt. Het
is opvallend hoe Nederlands dit boek is. Vrijwel elke bewijsvoering vertrekt van
een Nederlands gegeven. Het boek gaat dus eigenlijk over de ‘moderne leegte’ in
Nederland, een van de dichtst bevolkte landen ter wereld, met een permanent
tekort aan woningen. Toch wordt dit nergens vermeld. Het boek presenteert zich
als een universele studie, die ook leesbaar moet zijn voor een Italiaan of een
Zweed.
Maar wat is dat, een Italiaan of een Zweed? Wat is dat, een Nederlander? Mij
verbaast het te zien hoe een gestudeerd iemand zo in algemeenheden kan spreken.
Voortdurend heeft hij het over zaken als ‘het collectief verlangen’, ‘een
gemeenschapsideaal’, ‘de publieke opinie’, ‘de protestgeneratie’ en ‘de
Utrechtse intellectuelen’. Alle verschillen worden weggevaagd. Maar kunst komt
juist voort uit deze verschillen. Kunst is wat het verschil maakt. Wat voor zin
kan het hebben algemene tendensen, scholen, denkpistes of nationale gevoelens te
verzinnen?
De manier waarop iemand een ruimte ervaart wordt natuurlijk ook bepaald door
veralgemeenbare biologische en culturele factoren, maar vooral door de plaats
waar hij of zij is opgegroeid of de laatste decennia heeft doorgebracht.
Iedereen ervaart elke ruimte op een andere manier. Het talent van kunstenaars
berust onder andere hierin dat ze er soms in slagen ons te laten voelen of
begrijpen hoe zij een ruimte aanvoelen. Dat zij daarbij, net zoals hun
toeschouwers, de willoze marionet kunnen zijn van hun lichaam, hun opvoeding en
hun milieu vind ik geen beklemmende, maar een bevrijdende gedachte. Als ik
aanvaard dat mijn teksten noodgedwongen neurotische scenario’s voltrekken,
verlies ik minder tijd met pogingen ze te temmen.
Het prachtige aan dit boek zijn de passages waarin Van Winkel ons deelgenoot
maakt aan de gedachten van mensen zoals Lotte Stam-Beese, Carel Muller en Frank
Van Klingeren. Dat zijn de boeiendste momenten. Elke keer vraag ik mij af waarom
deze fraaie, monografische momenten niet zouden kunnen volstaan.
In een volgend hoofdstuk vertelt Van Winkel hoe kunstenaars zoals Bruce Nauman
erin geslaagd zijn ‘de publieke conditie van de kunst in hun werk te
verdisconteren’ en dat zij dit konden omdat zij iets over de Gestalttherapie
hadden gelezen en als zij het niet gelezen hadden, dan hadden ze het toch kunnen
lezen, waaruit blijkt dat ze het hadden moeten lezen als ze hun eigen werk beter
hadden willen begrijpen. Dat deze vermeende ‘overgang van particulier naar open
kunstenaarsschap’ (bijvoorbeeld wanneer Bruce Nauman zichzelf filmt in zijn
atelier) neurotiserende aspecten kende, vormt voor Van Winkel nog eens een
bewijs van een verwantschap met de Gestalttherapie, want daarin worden ook
fixaties, angsten en verwarring voorspelt. Wat Van Winkel even uit het oog
verliest is dat deze verwarring en stress juist aan de oorsprong liggen van elke
therapie, dat creativiteit altijd een pendant is van verveling, en dat hij de
Gestalttherapie op zeer gelijksoortige manieren in verband zou kunnen brengen
met om het even welke kunstenaar.
Als de kunstenaar Acconci zichzelf drie minuten lang filmt terwijl hij
geblinddoekt probeert een rubberen bal te vangen die telkens weer in zijn
richting wordt geworpen, dan demonstreert dit, aldus Van Winkel, dat het ego,
‘wanneer het erop aankomt, niets meer is dan wat Frederick Perls noemt een
systeem van responsie, een systeem van uitvoeringsfuncties dat zorgt voor
oriëntatie en manipulatie’. Enzovoort. Je zou er moe van worden. Nergens heeft
Van Winkel het over de vorm van een kunstwerk. Hoogst waarschijnlijk heeft Bruce
Nauman tal van andere filmpjes gemaakt, die hij nooit heeft getoond. Waarom
niet? Omdat ze niet voldeden. Het gaat er immers niet om met welke theorieën
Naumans filmpjes in verband kunnen worden gebracht, maar of ze al dan niet
gelukt zijn. Ik ken geen enkele kunstenaar die geen bewondering heeft voor het
werk van Bruce Nauman. Toch heeft deze bewondering niets te maken met theorieën
die ontwikkeld worden in moeilijke boeken waarin voortdurend geciteerd wordt in
andere talen, maar met de geslaagde vorm van de werken. Uiteindelijk vergeet Van
Winkel zelfs dat het enige wat hij over Gestalttheorie weet een paar zinnen zijn
die hij heeft gelezen in een boek. Om een of andere reden verwart hij de
therapie met een boek over die therapie, dat op zich natuurlijk ook maar een
manke poging is een ervaring of inzicht over te brengen.
Van Winkel heeft een boek geschreven dat ophangt aan enkele woorden
(bijvoorbeeld het woord ‘leegte’), die hij heeft aangetroffen bij verschillende
auteurs, waardoor hij de geschriften van deze auteurs schijnbaar op één lijn kan
plaatsen. Het is een boek over boeken, zoals de meeste werken van mensen met een
academische opleiding. Het is een boek van iemand die bang is zich te verliezen
in de wonderen van het specifieke — terwijl in het weergeven van het fijnmazige
juist zijn grootste talent schuilt — en geen afstand kan doen van de illusie van
een allesomvattende gedachte.
De geheime vraag die in de coulissen van dit boek dringend om een antwoord
schijnt te vragen is echter hoe al die miljoenen die zijn vrijgekomen door de
toepassing van de procentregeling op een decente wijze kunnen worden besteed.
Hoe kunnen we een beleid bepalen als er geen wetenschappelijke of objectieve
methode voor de beoordeling van hedendaagse kunst of architectuur bestaat? Bij
ontstentenis van een ‘interpretatiemodel’, zoals Camiel van Winkel het noemt,
lijken we aangewezen op willekeur, vriendjespolitiek of anarchie. In
werkelijkheid doet het er echter niet toe of Brugge werkelijk een Concertgebouw
nodig heeft, of dit niet liever in een put onder de grond gestoken zou worden en
of blauwe tegels niet mooier zouden zijn dan donkerrode. De mannen die moeten
beslissen doen dit toch in functie van eigen motieven. Ze kunnen niet anders.
Hun gezichtspunt laat geen andere beslissing toe en als er toch meer
beslissingen mogelijk zijn, kan er toch maar één keuze gemaakt worden. Mensen
komen tot nieuwe inzichten door miljarden fouten te begaan, niet door
krampachtig te proberen ze te voorkomen.
Camiel Van Winkel geeft er echter de voorkeur aan zeker te spelen en gaat op
zoek naar kunstwerken die zich kunnen legitimeren. ‘Wat beeldende kunst met
architectuur verbindt,’ schrijft hij in de inleiding van zijn boek, ‘is dat
beide te maken hebben met vergelijkbare identiteits- en legitimeringsproblemen’.
Zowel John Locke als David Hume — twee van de beroemdste filosofen uit de
geschiedenis — hebben een leer verzonnen om het politieke bestel van hun tijd te
legitimeren. Waarschijnlijk omdat ze zo hun boterham konden verdienen. Hun
voorganger Hobbes had het anders aangepakt. Volgens hem had een soeverein het
recht een land te besturen zolang hij de veiligheid van de burgers kon
garanderen. Anders gezegd: zodra hij die niet meer kon garanderen, hadden de
burgers het recht hem te vervangen.
Kunstwerken hebben geen legitimatie nodig. Het zijn de bewindslieden die
legitimaties nodig hebben. Ze zitten met een pak geld dat is onttrokken aan de
markt en ze weten niet goed aan wie we het moeten uitdelen. (Als we de markt
zouden vertrouwen zouden we geen legitimatie nodig hebben.) Hoe ga je het werk
van kunstenaars beoordelen als het zich niet kan ‘legitimeren’? Ofwel kan je je
toevlucht nemen tot een loting, ofwel voer je een openlijk, subjectief beleid,
ofwel onderschrijf je het beleid van de huidige Vlaamse Bouwmeester, die beweert
dat hij niet weet wat architectuur is en zich schijnbaar zo open mogelijk
probeert op te stellen. Tegelijk geeft hij aan wat voor hem geen aanvaardbare
architectuur is: gebouwen met gesloten ramen en een beademingstoestel op het
dak. Mij lijkt dat een uitgangspunt waar mee te werken valt. Elke situatie moet
afzonderlijk bekeken worden. Elke keer opnieuw. Elk gebouw, elke film, elk echt
kunstwerk is een nieuwe wandeling in het onvoorspelbare. Soms lukt het, soms
niet. Meer valt daar eigenlijk niet over te zeggen. Het enige wat we kunnen
proberen is zoveel mogelijk te leren van de kunstenaars.
Montagne de Miel, 28 oktober 2001 |