Hans Wuyts

<< BACK TO HANS WUYTS   << BACK TO LIST OF ESSAYS

 

 

 

Hans Theys


Een bunkerachtige maquette, auberginekleurige betonplex, spiegelende deuren, opeengenaaide tutu’s, opgeblazen texturen en een hachelijke stapeling van stoelen


Voor het tweede opeenvolgende jaar nodigt kunstenaar Leon Vranken enkele collega’s uit een werk te maken voor de publieksruimten van HETPALEIS. De bedoeling is het theaterminnende publiek in contact te brengen met plastische kunstwerken én de ruimte uit een soort van functionele onzichtbaarheid te lichten. Het is een verzameling mooie werken geworden, die het wel een beetje moeilijk hebben in de drukke ruimte, maar ons toch kunnen betoveren als we proberen ze los van de ruimte te zien. Het experiment is zeker voor herhaling vatbaar, al lijkt het erop dat Vranken een beetje meer armslag zou mogen krijgen, zodat hij het gevecht met deze dwingende ruimte werkelijk kan aangaan.


Katleen Vinck

Het grote plein voor de Stadsschouwburg en HETPALEIS ligt er lamentabel bij. Uitgezwommen voegen tussen de kasseien, enkele schaarse, ziekelijke bomen, beschermd door een vaak gekantelde, metalen leuning, enkele lantaarns met halverwege twee luidsprekers, vierkante, stukgevroren trappen van betonnen tegeltjes, radiale paadjes waarvan de prachtige, granieten tegels grotendeels werden vervangen door asfalt of cementen stoeptegels.

De hybride, opgelapte textuur van dit plein keert terug in de manshoge sculptuur in de luchtsluis die toegang verschaft tot de inkomhal van HETPALEIS. De bodem van dit aquarium werd bekleed met glanzende, groene spaanderplaat, die de gebruikelijke deurmat vervangt. Uit dit glanzende oppervlak verrijst een gebouw als een klompvoet, een grote, grijze hoef, de maquette van een schijnbaar uit mortel, beton en baksteen opgetrokken fabrieksgebouw dat zich lijkt voort te zetten in een reusachtige ondergrondse bunker of een zich boven de grond als een toren van Babel optassende reuzenkelder die bekroond wordt met een regulier gebouwtje met de schuine, licht vangende daken van fabrieksloodsen.

‘Ik heb geprobeerd een soort van link te leggen tussen de stad en het theater,’ vertelt Vinck. ‘Ik wilde elementen van de stad binnen brengen, maar met conventies van het theater. Het is een soort decor, maar tegelijk ook de verkleinde versie van een architecturaal volume dat echt op het plein zou kunnen staan. Doorgaans maak ik sculpturen die bestaan in een combinatie van op schaal gebrachte gevelarchitectuur, restruimtes en vreemde voorwerpen die aan meubels doen denken. Vaak komen die sculpturen voort uit gevonden voorwerpen waarvan de functie voor ons niet duidelijk meer is. Zo ben ik nu een werk aan het maken met een soort bankje dat afkomstig is van een sterrenkijker. Het is een voorwerp dat je niet kan thuisbrengen. Het roept een soort van vervreemding op, omdat je er geen functie of betekenis aan kan hechten. Hetzelfde gevoel probeer ik op te roepen met de sculptuur voor HETPALEIS. Je komt niets te weten over de functie of de binnenkant van het gebouw. De huid van het volume is belangrijker dan de structuur die erin zit. De gevel is gebaseerd op de gevel van een gewoon woonhuis. Het is een gevonden gevel.’

Ik merk op dat de textuur van de sculptuur doet denken aan de betonnen muren van HETPALEIS.

‘Ja, maar dat komt door het bunkerachtige van de maquette. Ik heb niet bewust de textuur van de muren van HETPALEIS overgenomen… Het is wel een heel moeilijk gebouw om iets in tentoon te stellen, natuurlijk. Je kan met een kunstwerkje nooit bepalen wat in die ruimte gebeurt. Het omgekeerde gebeurt: de ruimte bepaalt je kunstwerk. Daarom heb ik ook voor de ingang gekozen en er groene spaanderplaat in gelegd.’


Yokochi Hironobu

Yokochi Hironobu maakte een sculpturale installatie met een voetbankje en ongeveer veertien houten stoelen die, al dan niet ontdaan van de zitting, een paar poten of een leuning, door middel van metalen hulpstukken samengesteld werden tot een hachelijke, maar elegante constructie die de bovenliggende, betonnen trap lijkt te ondersteunen. Het geheel wordt schijnbaar in balans gebracht door een vederlichte kroonluchter die via een meterslange, koperkleurige badketting met de constructie verbonden is.

Vorig jaar zag ik voor het eerst een sculptuur van Nobu: een prachtige, als fijn schrijnwerk in elkaar gepaste constructie die zowel deed denken aan een zeilboot als aan een opengevouwen, driedimensionaal projectiescherm. Een gefossiliseerd insect. Een droom-meubel, een abstracte, zijwaarts gezegen boom. Helemaal aan het eind voegde Nobu aan deze constructie een deurslot toe: het sigarendoosvormige, metalen kastje dat zich bevindt aan de binnenzijde van gewone deuren. Eerst had deze toevoeging mij geschokt, omdat ik niet begreep waarom de lichte, houten constructie verstoord moest worden door het vulgaire, metalen slot. Dan begreep ik echter dat Nobu het slot in een winkel had gezien als een abstracte, prachtige vorm. Een minimale sculptuur, een fragment uit een film van Ozu. En dan voelde ik hoe deze metalen kern het hart geworden was van de gepolijste, zachthouten sculptuur.

Wie de constructie in HETPALEIS van dichterbij bekijkt, merkt dat de stoelen verbonden worden met hulpstukken die veelal afkomstig zijn uit de loodgieterij, bijvoorbeeld koperen ringen waarmee afvoerbuizen aan de muur worden bevestigd. De combinatie van deze hulpstukken met de verworden stoelen laat ons voelen hoe we de constructie kunnen zien als een bijna abstract spel met vormen. We voelen hoe Nobu door onze winkels struint met de onbevangen blik van een buitenaards wezen dat, niet op de hoogte van de geijkte toepassingen van de aldaar tentoongestelde voorwerpen, nieuwe verbanden en combinatiemogelijkheden ziet.

Zo bestaat de delicate kroonluchter niet alleen uit gestanste koperplaatjes, maar ook uit plastic schijfjes die doen denken aan badstoppen en uit een lege baxter van wit plastic. Ineens zien we hoe de vorm van de koperen plaatjes terugkeert in de elegante vorm van de baxter. De platte baxterzak blijkt te passen binnen het beeld dat we ons vormen van een sierlijke luchter.

Ook spreekt er een grote tactiele tederheid en gevoeligheid uit de combinatie van het glanzende koper en het geverniste hout. De sculptuur heeft iets Japans door de bijna papierachtige lichtheid en de abstractie, iets onwezenlijks door de combinatie van de verkeerde hulpstukken, maar ook iets rustieks door de samenkomst van het vernis en het koper.


Jelle Spruyt

Het werk van Jelle Spruyt is het meest geheimzinnige van de tentoonstelling. De installatie neemt de gedaante aan van een met een houten latje aan de betonnen zoldering bevestigd en onderaan met een latje verzwaarde, rooskleurige vitrage die een rorsachtest-achtige piramide van ballerina’s torst. Hoe moet ik dat uitleggen? Bovenop het tule werden bovenop elkaar tientallen eveneens uit tule vervaardigde silhouetten van ballerina’s genaaid. ‘De ballerina’s knipten hun tutuutjes stuk en naaiden laag op laag,’ vertelt Spruyt hierover. ‘Jelle heeft in HETPALEIS nog balletschool gevolgd,’ vertelt Leon Vranken. ‘Ik ken zijn werk van toen hij nog mode studeerde aan de academie. Ik vond zijn laatste collectie heel mooi. Het is iemand met veel oog voor detail. Momenteel werkt hij aan een werk voor de textielbiënnale van het MIAT. Een zelfgemaakt kapstokje met een soort van cape voor een kind. Het ziet er cowboyachtig uit, wit en rood. Echt prachtig.’

Opgehangen voor een raam dat uitkijkt over het troosteloze plein krijgt dit doorschijnende werk iets hopeloos. Het doet denken aan poppenkleertjes, verkleedpartijen, knisperend, verboden ondergoed en gedachten die verboden zijn in het hoofd van een man. Het heeft iets onhandigs, waarvan je voelt dat het gewild is. En dan wordt het grappig.


Hans Wuyts

In de ruimte staat een paviljoen van auberginekleurige betonplex. De hoogte van het paviljoen wordt bepaald door de standaardlengte van de gebruikte panelen. Het paviljoen is vier panelen breed en twee diep. Ik hou van de economische, noodzakelijke opbouw. In een van de panelen is een fragment uitgezaagd dat scharniert als een deur. Ik ga naar binnen. Links van mij bevindt zich een houten bank die deel uitmaakt van de constructie. In de bank zitten ook twee luidsprekers. Rechts van mij flikkert een geprojecteerd beeld dat de hele breedte van de wand beslaat. Het filmpje bestaat uit een reeks taferelen waarin twee identieke mannen een paneel in een kale ruimte met een vlekkerige, betonnen vloer en wit geschilderde muren proberen te plaatsen.

Het paviljoen komt voort uit een performance-avond die Hans Wuyts samen met Leon Vranken, Steven Elsen en nog enkele kompanen van Post St. Joost heeft georganiseerd in Lokaal 01 in Antwerpen. Het doet denken aan een werk dat Wuyts vorig jaar maakte, waarin de wanden van een betonplexen huisje samengetrokken en weer opengezet werden, aangedreven door draaiende draadstangen en gestuurd door sensoren die de bewegingen van de bezoekers opmaten. Verder waren er ook vier panelen die aan één kant bekleed waren met een bewegend doek. Achter de doeken bevonden zich pinnetjes die in de doeken priemden. De toeschouwer kon zich hier ook van vergewissen. De achterkant van de objecten, met de snoeren, de elektromotoren en de labels, vormden een deel van het werk.

In de filmpjes die hier getoond worden zie je ook een soort van achterkant van het werk. Je ziet een kunstenaar die beslissingen tracht te nemen, die aarzelt en twijfelt, die uitprobeert, die zit te suffen of te tobben, die van mening verandert, enzovoort.

‘Ik maak gebruik van het motief van de tweeling om het duel tussen de kunstenaar en zichzelf zichtbaar te maken,’ vertelt Wuyts. ‘Ik wilde een kopie van mezelf maken en tonen hoe het maken van elk werk het maken van keuzes vergt. Bij het maken van zo’n keuzes lijkt het alsof je met twee bent. Het werk doet ook een beetje denken aan de manier waarop schilders tewerk gaan: je schildert een beetje, je zet een stap terug om te kijken, je werkt een beetje bij, enzovoort. Doorgaans maak ik vooral installaties waarin ik vertrek van een grens in de ruimte. Ik probeer zo’n grens door te zetten, zodat je een binnenstebuiten effect krijgt. Ik denk dat dat hier wel is gelukt.’

Het eerste werk dat ik van Hans Wuyts heb gezien was een installatie naar aanleiding van de sanering van een rangeerterrein. De opdracht bestond erin het ontoegankelijke terrein, waar op vijf jaar tijd een park zou worden aangelegd, aanwezig te maken voor de omwonenden. Hans Wuyts stelde voor een soort van uitkijktoren annex kunstenaarsstudio schrijlings over de scheidingsmuur te plaatsen. Een prachtige ingreep, die op een andere, maar soortgelijke manier gestalte geeft aan de twijfel van de kunstenaar en de noodzaak uiteindelijk toch voor een bepaalde vorm of stellingname te kiezen.



Judith Peeters

Tien tafeltjes met rond blad werden bekleed met een ruw aanvoelende folie met de uitvergrote, fotografische reproductie van een aantal texturen die de kunstenaar aantrof in het gebouw. Een bundeltje staalkaarten vermeldt de vindplaats van de texturen: kassa, toilettegels, luidspreker, trapwand, deurmat inkomhal, tegels ingang, suppoostenschort, tapijt trap, betonnen wand, vuilniszak, toilet.

‘Ik hou mij al enkele jaren bezig met texturen,’ vertelt Peeters. ‘Het is begonnen met een fascinatie voor de textuur van sommige beenwarmers. Later ben ik werk gaan maken met ronddrijvende of afgezette benen, bijvoorbeeld het werk ‘The Entertainer’, met een tiental ronddrijvende gipsen benenparen, maar ik heb ook allerlei sokken, laarzen en beenwarmers gemaakt voor pianopoten of granieten zuilen. Met dit werk probeer ik de fantasie van de bezoekers te prikkelen. Sommigen krijgen zin om de originele textuur te gaan zoeken, anderen genieten liever van het vervreemdende, het bizarre en het speelse van de afbeeldingen.’



Jean L’Olivier

Ik zit met mijn laptop op het herentoilet van HETPALEIS en verwonder mij over de afwerking van het kamertje. De vloer is bekleed met zwarte mozaïeksteentjes en de muren zijn opgetrokken uit donkergrijze bakstenen die van knie- tot ooghoogte bekleed zijn met oranjekleurige tegeltjes die in zo’n dikke laag mortel gekleefd zijn dat er in een hoek een WC-rol op kan rusten. De muur is afgezoomd met een zes centimeter hoge en drie centimeter diepe, zwarte, marmeren plint waarop iemand in een hoekje een sigaret heeft uitgedrukt. Het plafond bestaat uit stof verzamelende, grijze latten. De deur heeft metalen posten. Rechts van mij is de toiletdeur bekleed met een fotografische folie, waarop ik een uit tientalen kleurenfoto’s samengestelde afbeelding zie van een man die op het toilet zit. Ik herken de muurtegeltjes en de rol WC papier. Ik zie dat mijn dubbelganger zijn jasje heeft opgehangen aan een kapstok die ik nog niet had opgemerkt. Naast de benen van de man rust een zwarte tas. Mijn tas is ook zwart.

Dit werk is een variant van enkele eerdere werken van Jean L’Olivier, waarin hij blinde ramen voorziet van de weerspiegeling van andere ramen of deuren. Hier werden toiletdeuren bekleed met fotocollages die ons een tafereel onthullen dat zich achter de deur zou kunnen afspelen. Deze werken vloeien voort uit een poging zijn geboortehuis met fotografische collages te reconstrueren. Niet alleen merkte hij dat deze collages weergeven hoe zijn geheugen beelden samenstelt uit talloze fragmenten die elkaar oproepen, hij ontdekte ook de poëtische kracht van een venster dat zowel beelden toont als verhult. Zijn werken met toiletdeuren komen voort uit de vergelijkbare omstandigheid dat sanitaire vertrekken zowel publiek als privé zijn. Hij wilde nagaan hoe het zou zijn om zo’n deur schijnbaar transparant te maken en te laten fungeren als projectiescherm voor taferelen die zich zouden kunnen afspelen in de ontoegankelijke, donkere kamer.

‘De collagetechniek, al die ineengepuzzelde, verschillende stukjes beeld die vanuit verschillende hoeken, vanop verschillende afstanden en op verschillende momenten gefotografeerd werden, scheppen de indruk dat het gebeuren echt heeft plaatsgevonden en dat je het opnieuw kan bekijken als in een minifilm. Het beeld krijgt een tijdsdimensie. Verder doet het mij ook denken aan de manier waarop ik in mijn geheugen beelden samenstel, bijvoorbeeld als ik aan mijn geboortehuis denk. Ik zie dan allemaal verschillende beelden waarop ik mij afzonderlijk kan concentreren en die ik kan samenvoegen, maar die samen nooit een naadloos beeld vormen.’

Doorgaans werkt Jean L’Olivier met zwartwit fotokopies op A3 formaat, maar hier werkt hij met dure folie. Hij is niet helemaal tevreden. ‘Ik hou van het ritme en de oneffenheden van een collage,’ vertelt hij. ‘Maar hier lijkt die diepte ontbreken. Het is te hightech, te netjes, te esthetisch geworden, het beeld lijkt zich teveel los te maken van de ervaring. Het werkt niet zo goed als mijn vorige installaties.’ Een andere reden voor dit verschillende effect is misschien dat de beelden die hier getoond worden zich voordoen als spiegelbeelden. Wie aanstalten maakt om de deur van buitenaf te openen ziet zich verdubbeld in een persoon die hetzelfde van plan is. De beelden tonen niet meer wat er zich aan de andere kant van de deur afspeelt, maar wel wat je zelf had kunnen doen of wie je zelf had kunnen zijn. Dat is een nieuwe wending in L’Olivier’s werk, die enkel mogelijk was door de uitnodiging van HETPALEIS. Het vormt een mooie illustratie van de manier waarop een werk kan tot leven komen en zich ontwikkelen als een kunstenaar de kans krijgt zijn of haar werk te tonen.


Montagne de Miel, 21 maart 2005

TOP