|
|
Hans Theys
Bezocht door kwetsuren
Enkele woorden over een tentoonstelling van Herman Van Ingelgem
Bourgondisch, schalks, rondborstig, knullig, goor, gortig, verfijnd,
lichtvoetig, grappig: zo zou ik het werk van Herman van Ingelgem willen
omschrijven. De vorm heeft iets kroms, iets misplaatsts, iets zelfgemaakts. Soms
gewild, zoals wanneer hij drie opeenvolgende deuren in een dicht gebouwde
galerieruimte niet precies achter elkaar plaatst, maar zoals ze zouden voorkomen
in drie achtereen gebouwde koten: gecommandeerd door de dorpel van een oud
kippenhok of door de breedte van een gerecycleerd venster. Van Ingelgems werk
doet een beetje denken aan sommige minimale ruimtelijke ingrepen van andere
kunstenaars, maar het dankt een specifiek vorm en toon aan een fijnzinnig
burleske onhandigheid, die verwant is aan de eerlijkheid en de hoogmoed van de
doe-het-zelver.
We bezoeken samen een groepstentoonstelling in Mechelen en Van Ingelgem leidt
mij met grote precisie rond. Hij wijst mij op een wereldbol die Joëlle
Tuerlinckx in Frankrijk in een schooltje heeft gevonden en geleend: op de plaats
van Frankrijk is een wit etiket aangebracht met daarover een kruis. Het werk
biedt een mooi beeld van wat Van Ingelgem zelf doet: verborgen dingen
blootleggen, dingen schijnbaar tonen, achterkanten vieren, namaak-voorkanten
maken.
De kunstenaar vertelt mij dat hij vroeger in de standenbouw en de decorbouw
werkte en dat hij onder meer reusachtige achtergrondschilderijen schilderde voor
de shows van Helmut Lotti: uitvergrote versies van de CD-hoezen, 30 bij 15
meter. Ik vertel hem dat de schilder Walter Swennen vaak met bewondering en
ongeloof spreekt over die formidabele mannen die met verfrollen met heel lange
stelen op de grond liggende schilderijen maken die ze eigenlijk niet kunnen
zien.
‘Misschien weet hij niet dat we in het midden van het doek een stelling plaatsen
om ernaar te kijken,’ vertelt Van Ingelgem. ‘De doeken liggen op de grond om
druipers te vermijden. En de stelen zijn zo lang om je niet te moeten bukken…
Eerst verdeel je het schilderij in verschillende vlakken en dan trek je de
contouren en de hoofdlijnen van de compositie. Dat doe je met filé’s’. Dat zijn
penselen die heel veel verf kunnen opnemen zodat je er lange en rechte lijnen
mee kan trekken.’
Ik herinner mij een werk dat ik vorig jaar zag in het S.M.A.K. Wie de
tentoonstellingsruimte betrad, zag een muur van wit cellenbeton waar iets kleins
voor fladderde, als een vogeltje. Aan de andere zijde van de muur zag je een
ventilator waarvan de schoepen zich schijnbaar een weg door de muur gesneden
hadden. ‘Het werk is een visitatie,’ vertelt de kunstenaar. ‘Een goed werk
bezoekt je, zoals Maria bezocht is. Eigenlijk zou ik elk werk ‘The Visitor’
willen noemen.’
De tentoonstelling
Voor zijn recente, derde individuele tentoonstelling in de Mechelse galerie
Transit, heeft Van Ingelgem door het toevoegen van enkele wanden een nieuwe
galerieruimte gecreëerd, die zich voordoet als een uit vier opeenvolgende
vertrekken bestaande, nogal nauwe ruimte. De vertrekken worden gescheiden door
muren waarin zich deuropeningen bevinden.
De nieuw gemaakte deuropeningen staan niet op dezelfde as, waardoor de ruimte
iets klungeligs krijgt, iets onbedachts, iets zwervends, zoals na elkaar
opgetrokken bijgebouwen soms het grillige grondplan volgen van vroegere
kippenhokken, terrassen of veranda’s met hun eigen drempels, deuren, muurtjes en
ramen die gebaseerd waren op oude gewoonten en gebruiken. Ter rechterzijde, in
de tweede ruimte, werd in deze gipsen doos een venstervormige opening gemaakt
die de onderliggende houten structuur en een dampscherm blootlegt. Eigenlijk
werd er precies één gipsplaat weggenomen. Op het dampscherm kleven
verstevigingsringen, die tonen waar het vroegere ophangen van de kunstwerken
gaatjes heeft gemaakt. ‘Het zijn verborgen wondjes,’ vertelt van Ingelgem, ‘die
een verborgen geschiedenis van de galerie vertellen.’
Ter linkerzijde bevindt zich op de wand een soort van namaak-lichtbak, die
bestaat uit een houten lijst waar een mat plastic zeil over werd gespannen.
Achter deze toevoeging gaat een echt venster schuil, zodat de huid van deze
sculptuur aan het gloeien gebracht wordt door het wisselende zonlicht. Bij een
eerste aanblik biedt deze opstelling weinig nieuws of althans niets dat mij
ontroert of aan het denken zet. De ingrepen doen teveel denken aan bestaande
kunstwerken of praktijken en lijken daar niet alleen weinig aan toe te voegen,
ze lijken ook minder goed gemaakt te zijn. Maar juist daarin schuilt het
radicaal poëtische en ontroerende van het werk van deze kunstenaar.
‘Eigenlijk maak ik dingen die er uitzien als kunstwerken,’ vertelt de
kunstenaar. ‘Dingen die schijnbaar aansluiting zoeken bij het heersende
artistieke discours, maar doordat ze nogal amateuristisch gemaakt zijn en hun
mechanisme laten zien, wenden ze zich deels af van het discours, ze keren het de
rug toe en leveren mompelend commentaar.’
In bepaalde werken wordt dit helder, zodat de toeschouwer de andere werken in de
tentoonstelling makkelijker kan lezen. Zo is het meest opvallende werk in deze
tentoonstelling een waterleiding die dertig centimeter boven de vloer dwars door
de ruimte loopt, waardoor de toeschouwer er overheen moet stappen. ‘Ongeveer’ in
het midden van deze pseudo-waterleiding bevindt zich een koppeling. Daaronder
staat een wit, plastic bekertje dat het water opvangt dat op gezette tijden uit
de lekke koppeling druppelt.
‘Hoe vul je de sculptuur bij als ze is leeg gedruppeld?’ vraag ik. ‘Hier staat
een fles met een regelbaar kraantje,’ toont de kunstenaar. Hij opent een kabinet
dat deel uitmaakt van de installatie, maar er uitziet als een ingebouwd kastje
zoals je ze in elk huis vindt: ze zijn om functionele redenen vereist, maar ze
worden zoveel mogelijk gecamoufleerd en vrijwel nooit open gemaakt… ‘Het
bekertje moet verschillende keren per dag geleegd worden, zodat de galeriehouder
gestalte kan geven aan zijn betrokkenheid bij het werk.’
Deze sculptuur is verhelderend voor het werk van Van Ingelgem, omdat ze toont
hoe hij zoekt naar het kromme: de kaduke koppeling, die zich in het midden van
de zachtjes geknakte, doorbuigende leiding bevindt, werkt als een monsterlijke
uitvergroting van de onhandige textuur die elke ingreep een nauwelijks
zichtbare, eigen glans geeft. Tegelijk gaat het niet om echte onhandigheid, maar
om een verfijnde maskerade: ‘Het water lekt uit een piepklein gaatje dat ik
naast de koppeling heb geboord,’ vertelt de kunstenaar, ‘want het was heel
moeilijk de koppeling op een natuurlijke manier te doen lekken. Een opzettelijk
lek laat zich niet maken…’ En dan: ‘Eerst zat het gaatje op de verkeerde plaats,
maar ik heb het naadloos kunnen sluiten met een lucifer, die door zijn zwelling
het gaatje dicht knelt.’
‘Normaal gezien heeft de tentoonstellingsruimte van deze galerie de vorm van een
lange smalle gang met aan één zijde een muur en aan de andere zijde vensters,’
vervolgt hij. ‘Het gevolg is dat je de tentoonstellingen zijwaarts lopend
bekijkt. Ik wilde dat eens veranderen. De vier kamers die zo zijn ontstaan
fungeren als sokkels voor mijn werk.’
In een hoek van de ruimte ligt een stuk verfrommeld douchegordijn met opgedrukte
vogeltjes. Sommige van deze vogeltjes zijn snel uitgeknipt (met stukjes
omliggend, transparant gordijn) en op de muur geprikt.
Elders is een maquette van gipsplaat te zien (70 bij 50 bij 50 cm), waarin zich
vreemde staaltjes bevinden die incongruente, achtergelaten voorwerpen in een
soort van leegstaande winkelruimte lijken voor te stellen: een bruin
vichy-motief, geel plastic, een stukje fineer, groene stof, een fragment van een
grijze plastic kattenbak, een lapje lichtblauw textiel met witte stiksels, etc.
De maquette is niet geschilderd.
‘De buitenkant van de maquette bestaat uit een materiaal dat normaal gezien
schuil gaat achter een laag verf,’ vertelt Van Ingelgem. ‘Eigenlijk is het een
soort van onafgewerkte binnenkant. In elk Vlaams huis vind je wel een stukje
gipsplaat dat nog niet is geschilderd. Ziedaar de ware gedaante van onze
architectuur… In mijn werk probeer ik die geest te vatten door mijn sculpturen
provisorisch en doe-het-zelf-achtig te benaderen. Dat zie je ook in de foto’s
die ik vandaag tentoonstel.’
In het laatste kamertje van de tentoonstelling wordt een groezelige film
geprojecteerd, een soort van horrorfilm die is samengesteld uit fragmenten van
een demonstratiefilm over een stofzuiger. De beelden werden gefilmd op een
televisiescherm. Opnieuw betreden we de wereld van het beduimelde, die dankzij
de grove korrel van het beeld met welslagen weerstand biedt aan de zuiverende
werking van een zuigende, filterende machine en de gedreven neuroticus die hem
bedient.
Ongemakkelijke spookbeelden en de achterkant van het decor
Als pendant van de venstervormige opening in de wand van gipsplaat, vind je vier
foto’s van vensters, waarin vitrages en weerspiegelingen samen een onontwarbaar
beeld vormen, doordat de foto’s schuin gemaakt worden (en de fotograaf
onzichtbaar is) en pas achteraf met een computer recht getrokken worden. Het
resultaat is een ongemakkelijk spookbeeld, waarin een groezelig aandoend, maar
onzichtbaar spoor van de maker achterblijft.
‘Het zijn foto’s van voormalige winkelruimtes die werden omgebouwd tot
woonkamers,’ vertelt Van Ingelgem. ‘De bedoeling is te beletten dat je naar
binnen kan kijken, waardoor je uitstalramen krijgt waarin vooral spiegelbeelden
te zien zijn. Ik hou van dat soort omkeringen: zo’n raam is ontworpen om de blik
aan te trekken, maar dan wordt het afgeschermd om ongewenste blikken af te weren
en de binnenruimte te beschermen. Zo krijgen we een vorm van achterkant te zien.
De achterkant van het decor waarbinnen de intimiteit zich dient af te spelen. Ik
toon in mijn werk vaak de achterzijde van de dingen.’
‘Een soort voorbeeld hiervan is de reconstructie van een hotelkamer in De
fabriek in Eindhoven, waar je rond kon wandelen. Ik had in Transit al eens een
hotelkamer gemaakt die volledig bekleed was met grijs, kamerbreed tapijt en die
uitzicht bood op een poster die een zonsondergang voorstelde, maar de kamer in
Eindhoven was heel schraal, heel afgepeld. Ze was opgetrokken uit muurtjes van
spaanderplaat met steuntjes aan de achterzijde. Sommige delen van deze muurtjes
waren geschilderd, andere waren vergeten. Ik heb in hotelkamers altijd een
filmisch gevoel. Het lijkt alsof je elk moment kan opgebeld worden door iemand
die je nog niet kent, waarna de film zich zal ontrollen. Je voelt jezelf een
acteur, een lichaam dat verschillende persoonlijkheden kan aannemen, een
personage wiens doen en laten – het script – door iemand anders bepaald wordt.
Waarschijnlijk komt dit door de anonimiteit van de omgeving en door de
inwisselbaarheid van de gebeurtenissen: de regelmaat en het ritueel van
ontvangst aan de balie, het wachten in de lobby, het ontbijt tussen 7 en 10,
hetzelfde geluid van de televisie in de kamer naast de jouwe terwijl je zelf
kijkt, de symmetrische architectuur… Die dingen zorgen ervoor dat je identiteit
of je persoonlijkheid inwisselbaar lijkt te worden. In een hotelkamer ben je
eventjes losgerukt uit je particuliere leven. De situatie opent mogelijkheden om
iemand anders te zijn. Daarom zijn er in mijn installatie ook trapjes die je
helpen het bed te beklimmen als een podium… Je betreedt de kamer via de
douchecabine. Het douchegordijn leidt je naar een andere werkelijkheid. Er waren
geen echte sanitaire voorzieningen, maar wel gaten voor de afvoer. Boven het bed
bevond zich een muurschildering die de illusie wekte dat er vroeger een
schilderij had gehangen dat weggenomen was. Er bevond zich ook een ruitvormige
persiflage op een schilderij van Mondriaan, dat bestond uit vastgeniete
kussenvulling. Deze verwijzing naar de schilderijen van Mondriaan slaat een brug
naar de kunstgeschiedenis en fungeert als een commentaar erop. Bepaalde vormen
van hotelarchitectuur vormen voor mij een perfecte illustratie van het falen van
de modernistische utopie: de formele kenmerken ervan werden overgenomen door de
commerciële wereld (door de industrie) om snel, goedkoop en uniform te kunnen
bouwen. Zo werd het toerisme gedemocratiseerd (een mooi woord voor ‘betaalbaar
gemaakt’). De toerist is het toppunt van de consumptiemaatschappij. Ik denk dat
Mondriaan en konsoorten wel een ander toekomstbeeld voor ogen hadden dan deze
miljoenen in doosjes verpakte toeristen.’
Een vorm van lichte kwetsuur
‘Al wie ik ken heeft zijn huis zelf verbouwd. Die verbouwdrift maakt deel uit
van de Belgische cultuur. Daarom heb ik het tot onderdeel gemaakt van mijn werk.
Ik vind het OK iets zelf te doen. Het gaat er niet om een ambacht te willen
beoefenen. Het heeft ook niks te maken met matière of aanvoelen. Het heeft te
maken met anarchie. Je ziet dat ook bij Walter Swennen: het breekbaar maken van
iets, het breekbaar tonen van iets. Bij Magritte zie je dat in zijn kneuterige
manier van schilderen: alles is toegeschilderd. Het ademt niet. Als zijn werk
goed geschilderd zou zijn, zou het geen Magritte zijn. Ik pas in mijn werk de
lokale attitude toe: ik doe alles zelf. Rubens was anti-lokaal, die liet alles
uitvoeren (lacht). Een beetje zoals mensen die hun eigen voortuin ontwerpen. Als
je iets zelf doet ben je enorm beperkt in je mogelijkheden, maar er ontstaat een
rijkdom doordat je dan zelf een taal ontdekt of creëert. In Zwalm heb ik eens
een draadstructuur getoond die de vorm aangaf van een huis met aanbouwen. In
Zwitserland doen ze dat soms, zodat de buren kunnen zien welk huis er gebouwd
zal worden. In elk vertrek hing een neonlamp. Achteraan plaatste ik een
schotelantenne..’
‘De meeste architectuur is gemaakt voor het oog en niet voor het lichaam. Voor
mij heeft architectuur te maken met alles wat met mensen te maken heeft: een
kous onder een bed, een kapotte ruit, de manier waarop uw rugzak hier staat. Ik
suf een beetje over een architectuur van het object en het lijf.’
‘Zelf gebruik ik meestal tweedehands materiaal,’ vervolgt hij, ‘dat ik ga
uitzoeken op plekken zoals kringloopcentra en containerparken. Het feit dat die
voorwerpen of materialen al eens gebruikt zijn, versterkt het thema van het
tijdelijke verblijf, dat mij fascineert: de schuilplaats, het kampement, het
toerisme. Ik vertelde al over de hotelkamer in Eindhoven. Tegelijk hebben die
gebruikte voorwerpen iets bepaalds, iets bezields, een vorm van lichte kwetsuur,
die het beeld van een organische architectuur oproepen. Zo werk ik voor de
opbouw van mijn tentoonstellingen en installaties nooit met plannen. Ik probeer
mijn ruimtes gevoelsmatig tot stand te brengen, zodat er een emotioneel parcours
ontstaat.’
Verveling en getuigenis
‘Een werk is als een getuigenis. Je leeft en je getuigt. Iedereen voelt de
noodzaak te getuigen. Gewoon genieten van de zon is niet voldoende. Een gevecht
is pas gewonnen als je er ook een getuigenis van hebt. In mijn geval heeft die
getuigenis veel te maken met het besef van een soort van algemene verveling in
onze cultuur. We leven – in West Europa althans – in een verzorgingsstaat. Van
de wieg tot het graf wordt voor ons gezorgd, is alles geregeld en verzekerd.
Grote strijdpunten zijn verdwenen, idealisme wordt afgedaan als naïviteit,
enthousiasme wordt gedempt. Dat zie je ook in de kunst: je kan geen uitspraken
doen met een grote betrokkenheid en je spreekt steeds in een ironiserende
meta-ruimte. Dit zorgt voor een allesoverheersende verveling. Mijn werk vertrekt
vanuit die verveling. Uiteraard is die beleving ook persoonlijk. Het is een
particuliere basis-ervaring. Het is mijn bedoeling deze ervaring te onderzoeken,
er de hoekjes en kantjes van af te tasten, eens te kijken wat er achter of er
onder zit, en of het in beweging te brengen is. Het is de bedoeling na te gaan
of er iets mee aan te vangen valt. Mijn werk is een getuigenis van dit
‘onderzoek’.’
Ongebreidelde geluksgedachte
Eén sculptuur bestaat uit de vier resterende, met plakband bevestigde hoekjes
van een afgescheurde poster die schijnbaar een bloemstuk voorstelde. ‘De
sculptuur maakt deel uit van een map met afgescheurde hoeken van 15 foto’s. Die
foto’s komen uit het boek ‘Breng De Tuin In Huis’, een handboek voor het maken
van ruikers en bloemstukken. De bloemstukken hadden fraaie titels zoals ‘Feest
voor een jong meisje’. De eigenaar van deze map – het S.M.A.K. – kan er een
keuze uit maken en de vier hoeken van zo’n foto aan de muur plakken in de vorm
van een rechthoek. De eigenlijke afbeelding blijft afwezig, enkel de hoeken
kleven als resten aan de muur. Afhankelijk van de plaats en de context kan het
werk verkleind of vergroot worden. De titel van de map is ‘Blow-up’ en verwijst
zowel naar het groter maken als naar het tot ontploffing brengen. Elk
afzonderlijk werk draagt als ondertitel de naam van het boeket of de ruiker die
zichtbaar was op de foto. Het bloemstuk is verwant met de motieven uit
behangselpapier en douchegordijnen die ik vaak gebruik: het zijn motieven die op
een clichématige manier naar een natuur verwijzen waarin iedereen en alles vrij
zou zijn. Die motieven zijn vaak terug te vinden op goedkoop decoratiemateriaal
zoals behangselpapier, laminaat-tegels, wandpanelen, douchegordijnen,
dekbedovertrekken of tafellakens. Je kan ze makkelijk en voor weinig geld kopen
in de doe-het-zelf zaak. Wat mij fascineert aan die motieven is hun
ongebreidelde vrijheid- of geluksgedachte. Vaak gaat het om voorstellingen van
vogels, wolken, zonsondergangen, strandmotieven, bloemen, vuurtorens, schepen en
tropische landschappen: beelden die appelleren aan de wens op een andere plaats
te zijn. In die zin doen ze denken aan de architectuur van een hotelkamer en het
acteur-gevoel (het gevoel een ander personage te kunnen zijn) dat door die
kamers wordt opgeroepen.’
Slot
Aan de ingang van de galerie, buiten de tentoonstellingsruimte, hangt een
schraagje ondersteboven tegen de muur. Het is een editie. Het schraagje is
bevestigd met twee schroeven die dwars door het hout in de muur geschroefd
werden. Ik vraag waarom het schraagje niet over twee spijkertjes hangt. ‘Omdat
ik niet wil dat het gebruikt wordt als schraagje,’ antwoordt de kunstenaar. ‘Als
het gewoon op twee spijkertjes zou leunen, zou je het er te gemakkelijk kunnen
afhaken om het te gebruiken waarvoor het dient. Doordat het vast zit aan de muur
kan je het enkel open en toe vouwen, naargelang je veel of weinig plaats hebt.
Als je weinig plaats hebt, klap je het dicht. Heb je meer plaats of wil je er
volop van genieten, dan klap je het open.’
Ergens hangt ook een kauwgom aan de zoldering. ‘De zus van de galeriehouder
werkt in een kauwgomfabriek. Zijn garage staat vol met kauwgom. Zo kwam ik op
het idee een werk te maken dat vertrekt van de wisselwerking tussen
galeriehouder en kunstenaar. De relatie tussen een kunstenaar en een
galeriehouder is meer dan die van producent en verkoper. Er kan pas sprake zijn
van een goede relatie wanneer er zich op inhoudelijk vlak een zekere
uitwisseling ontspint: zo versterk je elkaar en groei je samen naar nieuwe
niveau’s. In het geval van Transit en mezelf blijkt die wisselwerking momenteel
voor een groot stuk te ontbreken. Ik vroeg me af wat ik dan wel als grondstof of
input kon gebruiken. Wat is de bagage die ik van mijn galeriehouders krijg? Welk
is hun toegevoegde waarde? Zo kwam ik bij de kauwgom. Niet alleen de
galeriehouder, maar ook de koper van het werk wordt actief betrokken bij de
totstandkoming van het werk: zijn of haar mond fungeert als de gietvorm, als de
‘moule’ of molen waarin het werk zijn beslag krijgt. Het is ook een handig werk
voor een tentoonstelling in het verre buienland: de tentoonstellingsmaker koopt
gewoon een beetje kauwgom, kauwt en zuigt er een beetje op en plakt de kauwgom
aan het plafond.’
Onlangs zag ik in het Herman Teirlinckhuis in Beersel een maquette van een fort,
dat was opgetrokken op basis van de lijnen van een voetbalveld. De maquette
bestond uit zelfgemaakte balkjes van bristolkarton, die beschilderd werden met
een hout-textuur. Vandaag zag ik een pendant van dit werk: een tentje dat
bestaat uit aaneengenaaide fragmenten van een grote herenzakdoek met gekleurde
strepen op de boord. De zakdoek werd onzichtbaar op karton gekleefd, waardoor de
tentstof er gestreken uitziet: iets te strak, maar tegelijk toch weer
onbetamelijk, door de gedachte aan de functie van een zakdoek. Onwillekeurig
denken we terug aan de dreigende stofzuiger en aan alle decor-elementen die onze
omgeving een gecontroleerd, veilig uitzicht geven, onder meer door het beeld van
een harmonische natuur op te roepen. We voelen hoe we bezocht worden door
kwetsuren: zacht geëtste afwijkingen en dwarse beelden. We voelen hoe donkere
krachten getemd worden, of uitgebannen, en hoe zij in het werk van Van Ingelgem
gemelijk terugkeren in ongetemde, bezielde texturen, onhandige bouwsels,
eigenzinnige ingrepen en andere, vreemd besmette voorwerpen en momenten. Onze
blik verdwaalt, en we voelen.
Montagne de Miel, 11 november 2008 |