|
|
Jan Braet
De academie buiten de academie
Aan de In Situ³- richting van de Antwerpse academie krijgen de studenten
maximale vrijheid en ruimte voor een kunst buiten de perken Alleen echte
kunstenaars houden het vol. Wie op veilig speelt, kiest beter voor de klassieke
richtingen. Een reportage uit het grote atelier in de Blindestraat.
‘Het zijn autonoom opererende guerrilla’s’, omschrijft docent Hans Theys de In
Situ³-studenten waar ze bij staan. Heeft hij het over de keurig in het pak
gestoken Lode Geens? De laatstejaars toont voorzichtig de editie die hij heeft
gemaakt, een juweeltje met druksels van de beste Belgische kunstenaars. Geens,
obsessief verzamelaar van speelgoed, stak als een professionele curator de In
Situ³ -eindejaarstentoonstelling in Lokaal 06 in elkaar. Hij mixte objecten van
zijn vijf medestudenten en van hun respectievelijke, door henzelf gekozen
gastmentoren - gevestigde kunstenaars buiten de academie. Maar waar zijn de
guerrilla’s van Theys? Op hetzelfde ogenblik in het atelier van In Situ³ in de
Blindestraat dekken enkele derdejaars de tafel. De legeraanvoerder wijst naar
hen. ‘Zij hebben nu voor 1 euro een gigantische ruimte gehuurd in de
Solvynsstraat waar ze een heel jaar in gaan werken’, zegt hij, ‘dat is een soort
guerrilla-activiteit: een gebouw zo groot als de academie in beslag nemen,
buiten de academie. Ze kunnen er concerten in organiseren,
theatervoorstellingen, tentoonstellingen.’
Teatske Burgerjon, Caroline Van den Eynden en Pascal Heeren hebben hun veroverde
oude garage Park gedoopt. Ze zien hun laatste jaar met vertrouwen tegemoet.
Vrienden zijn ze op de academie nochtans niet geworden. En wat ze maken is
totaal verschillend. Teatske zegt: ‘We zijn de drie overlevenden van de zeven
die ooit zijn begonnen. We waren niet lekker bezig, daarom hebben we in januari
besloten om samen iets te doen. We wilden zien of we nog iets konden halen uit
het feit dat we collega’s.zijn. Samenwerken kan ik normaal niet zo goed. We doen
het niet vaak, ik voel me er niet bij op mijn gemak. Ik vind het juist heel leuk
dat we het alsnog doen. Het is een uitdaging, we kunnen nog veel van elkaar
leren.’ Huishoudentje spelen doen de drie derdejaars alvast goed. In het atelier
hebben ze een keuken ingericht, er is een gemeenschappelijke kas. Wat de pot
schaft, bepaalt voorzeker vooral Teatske Burgerjon.
Van den Eynden verkoos In Situ³ boven de schilderklas. Ze blijft schilderen,
maar is geïntrigeerd door de ‘leugen’ dat het schilderij een venster op de
wereld zou zijn. En ze wil een opening naar buiten maken, de illusie opzoeken.
Burgerjon creëert webben tussen kleine tekeningen, foto’s en objecten. Voor het
SMAK onderzoekt ze hoe het museum werken en documenten van Marcel Broodthaers in
een zinvol verband kan presenteren. De Friese, die het atelier wel eens met de
racefiets binnenrijdt, raapt stokjes en twijgjes van de weg en beschildert ze.
Ze heeft een zwervend bestaan van straattheater en kostumering achter de rug.
Met een fonkelend oog laat ze een foto met een recent werk zien: op een hoge
sokkel ligt een zelfgemaakt boekje waarvan het kaft uit de blaadjes van een
gedroogde anemoon bestaat. Heeren, met dj-ervaring, is zowel bezig met
lichtovergangen in voorstellingen op behang als met ceramiek. Hij doet laconiek:
‘Het fijne aan onze richting is wel dat je niet vastzit aan één discipline. Dat
je te allen tijde kunt besluiten om een sculptuur te maken of jezelf te
verdiepen in een schilderij of iets anders.’
Hans Theys had het al opgeschreven, in zijn boek De Schouw van Gaudi (Tornado
Editions, 2006): ‘(...) In Situ³, de jongste, in 1998 opgerichte, minst
traditionele afdeling van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in
Antwerpen, waar de studenten, begeleid door een handvol docenten, elkaar leren
beelden maken. De studenten worden aangemoedigd een eigen passie en een
persoonlijke, vormelijke benadering te ontwikkelen.’ Sterke, autonome
persoonlijkheden die elkaar leren beelden maken, we geloofden er niets van. Maar
vonden niemand bereid om de bewering te ontkennen. Integendeel. In het grote
atelier dat ze vanaf het eerste jaar met elkaar delen, discussiëren ze ongeremd
over elkaars werk en opvattingen. Zonder onderscheid van jaar of van status als
student of docent. Zelfs Tessa Lauwaert, die zich in het laatste jaar niet zo
vaak meer op het atelier liet zien: ‘Je kan leren van elkaar. Ik ben veel meer
op mezelf gericht. Als ik kijk naar hoe Tim Segers dingen aanpakt, extreem
anders dan ik, kom ik in contact met dingen waar ik nooit aan gedacht zou
hebben. En omgekeerd misschien ook.’ Lauwaert maakt graag gepolijst, elegant en
ornamenteel werk. Segers snijdt uit meters hoge betonnen blokken... een
monumentale damesschoen met hoge hak. Die komt op het terrein van Solvin
(joint-venture van Solvay en BASF) in het Antwerpse havengebied te staan.
FETISJISME
Tessa Lauwaert ondervindt de motiverende werking van mensen die intens met hun
werk en dat van collega’s bezig zijn. Haar eindwerk zat al lang in haar hoofd,
het laatste jaar op In Situ³ was voor haar gewijd aan uitvoering. ‘Ik heb wel
wat mensen gesproken dit jaar, maar op zich had ik het ook alleen gekund.’
(lacht) En of. De gerealiseerde projecten in haar portfolio verraden een oeuvre
in volle opbloei. Kostuums die het Solvay-personeel er als aliens doen uitzien.
Een op het Griekse eiland Hydra bewerkte bladvorm, onttrokken aan de
rubberachtige ficus elastica.
Op de laatstejaarsexpo in Lokaal 06 staat haar geabstraheerde, magisch ogende
vogelkop uit cederhout. In het tweede en derde jaar hadden de studenten de
opdracht gekregen om een techniek aan te leren. Houtbewerking voldeed aan
Tessa’s behoefte om met haar handen lang, ‘op een zen-achtige’ manier aan iets
te werken. Ze leerde een man kennen die het vak nog van zijn grootvader had
geleerd. Ze leefde een jaar lang bijna in zijn gezin mee, en kreeg van hem de
techniek aangeleerd. De cederhouten vogelkop heeft de uitstraling van een
primitief masker, maar de magie ligt voor Tessa Lauwaert niet in iets religieus
maar ‘in het feit dat ik er een heel jaar elke zondag van ’s morgens tot ’s
avonds aan heb gewerkt, en in het feit dat ik dat met mijn twee handen heb
gemaakt uit een hoop plinten die daar lag.’ Als gastmentor koos ze voor
kunstenaar Leo Copers. Die stelde zijn tuin tussen Wetteren en Laarne voor haar
ter beschikking. De lange oprijlaan trof haar bepaald. Ze bedacht er een stukje
spoorweg voor, en een trein, die ze alvast in fotoshop realiseerde.
De In Situ³ docenten hechten veel belang aan het ambachtelijke aspect. ‘Binnen
veel kunstscholen bestaat er een tendens om neer te kijken op de ambachten en de
tradities, en anderzijds een modieuze en volgens mij misplaatste verheerlijking
van theorie’, zegt Hans Theys. Het onderbrengen van de academies in Hogescholen,
een gevolg van de zogenaamde Bologna-hervorming van het onderwijs, zou daar niet
vreemd aan zijn. Maar dat is al een ander verhaal. Alleszins trok pedagoog Hans
Theys van bij zijn aanstelling in de aanval: ‘Toen ik hier 8 jaar geleden begon
les te geven op voordracht van Luc Deleu, dan hadden ze In Situ³ pas opgericht,
voortvloeiend uit de richting Vrije Monumentale, waarin wandtapijten en
glas-in-lood ramen werden gemaakt. Eigenlijk een decoratieve, toegepaste
richting. De oprichters van In Situ³ wilden studenten opleiden om in de openbare
ruimte kunstwerken te maken. Het resultaat was dat de beste studenten zeer
slecht werk maakten. Ze maakten gimmicks, waarmee ze opvielen in de openbare
ruimte. Wij werden zeer snel sterk in het bedenken van vondsten en ingrepen
waarmee we wel wedstrijden en prijzen konden winnen en geld naar binnen slepen,
maar die niet meer dan een soort trucje waren’.
‘En dan dacht ik, we moeten de studenten aanmoedigen om hun eigen fetisjisme te
ontwikkelen of er zich bewust van te worden. En daar zijn verschillende wegen
voor. En één weg is ambachten beoefenen. Dan zijn we intens gebruik gaan maken
van alle ateliers die er bestaan, brachten studenten in contact met de
ambachtslieden die er zijn, moedigden hen aan om stages te gaan lopen bij echte
kunstenaars die nog ambachten beoefenen. Omdat ze via het vertrouwen met de
materie en een ambacht tot een soort persoonlijke beleving zouden kunnen komen,
waar dan eventueel een gimmick kon uit voortkomen. En een tweede piste die ik
volgde, was studenten aanmoedigen om vanuit jeugdherinneringen en dromen te
werken. Om ergens een startpunt te hebben dat niet intellectueel is, want daar
geloof ik niet in.’ Zijn uitgewerkte theorie daarover, met als kernbegrip het
oorspronkelijke kijkbeeld dat iedereen voor zichzelf moet zien terug te vinden,
werkte hij uit in het essay De geheime thuiskomst. Het staat in zijn recente
boek Flower Power/ Kunst in België na 2015 (Tornado Editions).
ADRENALINE
Ondertussen in het atelier werkt Tim Segers onverdroten aan de presentatie van
zijn werk voor de jury van de Horlait-Dapsensprijs. De laureaten van die
speciale academieprijs krijgen met een beurs een steuntje in de rug. Met een
vriendin heeft hij op een enorme witte muur een groot jagersgroen vlak geverfd,
dat de ‘hele architectuur van de zaal doorbreekt’. Op dat vlak zal hij foto’s
van zijn werk op de Solvin-site aanbrengen. We zien een oude koeltoren waarin
reusachtige rechthoeken gesneden zijn. Daarmee wil Segers zijn betonnen
damesschoen van bijna zes meter hoog realiseren. Samen met arbeiders een
monument maken waar zowel fysieke arbeid als elegantie uit af te lezen valt, dat
is zijn ding. ‘Een beeld voor en door mensen’ verklaart hij, bevlogen als geen
ander. In het begin van dit academiejaar liet hij al eens een stuk in de vorm
van een aardappel uit de luifel boven de ingang van deSingel snijden, en legde
de stenen patat in de weg van de bezoekers.
Dat hij dit jaar beeldhouwer Bernd Lohaus als gastmentor koos, is geen toeval.
‘Stout zijn, daar komt het op aan. Dat heeft Bernd altijd gezegd. De esthetiek
van de dingen, allemaal goed en wel, maar het creëren begint pas als je stout
bent. Een gat maken in de muur, en doorgaan. De juiste muur, waar de juiste
macht achter zit.’ Tweedejaars Ulysse Ost luistert ademloos mee. De
gediplomeerde keurslager combineert het werken in de slagerij met een opleiding
In Situ³. Hij maakt assemblages waaruit zijn eigen leven af te lezen is,
inclusief slagersmessen. Meer dan eens zien we hem de zwoegende Tim Segers ter
hulp schieten. ‘Tim, die werkt wel hard, hé ’, zeggen we. ‘Ja , hij flipt ook
hard’, lacht Ulysse.
Wie kan nog voor buitenbeentje doorgaan in een verzameling buitenbeentjes? Bart
Van Merode misschien. Hij heeft als afstudeerproject de ‘organische scenografie’
van een theatervoorstelling gemaakt, binnen Mars, een collectiefje dat buiten In
Situ³ opereert. Hall gaat over overgangssituaties, en gebruikt fragmenten uit
Brieven aan mijn vader van Franz Kafka. Van Merode volgde eerst
theaterkostumering aan de academie, vond dat iets te beperkend en nam dan ‘een
sprong in het ijle’ door naar In Situ³ te gaan, met een opleiding scenografie
aan de avondschool van de academie bovenop. Het bleek een goede match. ‘In Situ³
was heel goed omdat je er continu visueel met materie bezig bent’, zegt hij.
‘Theatermaken vanuit een in situ-denken vind ik interessant. Voor elke locatie
hermaken we de voorstelling. We hebben geen standaardplan van de scenografie.’
De ene klassiek schouwburg mag dan op de andere lijken, ook de kelders en de
foyers.worden in de voorstelling gebruikt. ‘Liever die ruimtes dan de klassieke
kijkkast. Een soort transparant maken van een gebouw zelf. En dat is heel hard
in situ denken over theater, vind ik.’
De laatste outsider heeft zich niet laten zien, en komt pas de volgende dag
opdagen. Voor de proclamatie. De anderen zijn geslaagd, hij nog niet. Hij heeft
domweg onvoldoende studiepunten verzameld, wist niet dat hij de cursus
postmodernisme moest volgen. Wannes Wouters wou zijn eindejaarsproject
aanvankelijk niet samen met de anderen in Lokaal 06 exposeren. In het duister
van de kelders van de academie vond hij het juiste klimaat voor een installatie
die om een afdaling in zijn eigen afgrond vroeg. Toen hij het werk op vraag van
de anderen toch naar het volle licht haalde, leek de bedreigende kant ervan
verdwenen. Het bestaat uit een bed met een liggende en opstaande sprei. Met
naald en draad is in de ene sprei het gezicht van een seriemoordenaar genaaid,
in de andere de boodschap dat hij zijn slachtoffer in zes dagen levend wil
opeten. De tekst, in spiegelschrift, vraagt moeite om te worden ontcijferd.
Evenveel moeite als Wannes Wouters zichzelf getroostte om in de stage van zijn
derde jaar quilts te leren maken en ten slotte eigenhandig het werk te maken.
De kunstenaar ging niet uit van een anecdote, maar zocht diep in zichzelf ‘de
adrenaline van de angst’, in nachtmerries en de fascinatie voor extremen.
Daarbij kreeg het begrip in situ voor hem wel een heel aparte betekenis. ‘Dit
laatste werk is in situ in mijn eigen karakter, in mijn eigen beleving van de
kunsten. Ik zit ook in de muziekwereld, met snoeiharde metal , in een bandje met
allemaal heel lieve, stille jongens. Dat heeft me ook geïnspireerd: zulke
ontzettend aardige jongens, maar met zulke duistere kanten, die ze in hun muziek
stoppen.’ |