|
|
Jan Braet
BROEDERS VAN MALAGA
‘La muerte entre y sala de la taberna’, zo begon Lorca zijn gedicht La
Malaguena. De cultus van de passie, het testosteron en de dood lijkt van alle
tijden in Malaga. De Semana Santa meemaken, Picasso en het Legioen.
Bij valavond gezien vanuit de kamer op de vierde verdieping van het NH-hotel,
was het een wiegende zee die langzaam opschoof, bij het luiden van een bronzen
bel tot stilstand kwam en zich even later, na nog twee beltekens, opnieuw in
beweging zette. De versierde troon met de licht voorovergebogen gestalte van de
vernederde Christus werd door een grote formatie troondragers in witte tunica’s
en tulbanden door de straten van Malaga gedragen. Uit de verte gaf de Jesus de
la Humiliacion bijna de indruk van een levende persoon die zich stokstijf hield,
en wiegend op sterke schouders langs een mensenzee passeerde.
Een groep nazarenos (boetelingen) met witte, door de Ku Klux Klan geïmiteerde
puntkappen en met brandende kaarsen, ging de Jezustroon vooraf. Het muziekkorps
van de brandweer, die het eerste deel van de processie afsloot, gaf met de
langzame mars der ‘Vernedering’ de treurende toon aan, die niet enkel de
onmenselijk gewicht torsende hombres de trono in een roes bracht. Op haar beurt
begeleid door boetelingen en blazers, vaandel- en kruisdragers, sloeg de
lichtende troon met de Maria Santisima de la Estrella in als een verschijning
bij de zwijgende menigte. Ergens in de loop van haar zes uur durende tocht zou
deze door de broederschap van Santo Domingo de Guzman gevormde processie opgaan
in een elders in de stad op een verschillend tijdstip vertrokken processie van
een andere confrérie.
Dan was het duister al gevallen, en groeide de dinsdag in de Goede Week voor
Pasen, de Semana Santa, naar zijn nachtelijk hoogtepunt onder de Indische
laurierbomen op Malaga’s dubbele hoofdlaan, de Alameda Principal. Alles fonkelde
en brandde aan de in wolken van wierook gehulde tronen, traag voortschommelend
maar meestal stilstaand, zodat de vermoeide, vaak grimassen trekkende
troonmannen het tot het eind konden uithouden _ natuurlijk ook gesterkt door de
pijnstillende treurnis van de langzame marsmuziek.
De traagheid werd door niemand op tekens van verveling onthaald, maar
integendeel gekoesterd, als was ze nodig om gewicht en duur te geven aan de
paas- en passietijd, van generatie tot generatie vooral in Andalusië beleefd als
de mooiste, niet alleen bij diepgelovigen.
‘De mensen hier hebben hun gevoel voor tijd bewaard’, zei Irene Andessner.die
middag in restaurant La Cepa in de kleine Calle Strachan. De in Wenen levende
kunstenares was naar Malaga gereisd om er haar performance van volgend jaar voor
te bereiden. Tijdens de Semana Santa zal ze in het centrum voor hedendaagse
kunst (CAC) een incarnatie van een levende madonna ten beste geven. Ze was niet
aan haar proefstuk toe. Ze vertelde hoe ze ooit een jaar lang in de huid van
Marlene Dietrich kroop, niet schroomde om een schijnhuwelijk aan te gaan met een
man die Dietrich als familienaam droeg, en uiteindelijk het gevoel kreeg de
iditentiteit van de mythische ‘man-vrouw’ zo dicht mogelijk te hebben benaderd.
De volgende ochtend, Miercoles Santo, geurde het in de lobby van het hotel- en
congressencomplex Malaga Palacio nog naar wierook, en een modern religieus
schilderij in schreeuwerige kleuren ontsierde de herinnering aan de zachte
nachtelijke extase onder de bomen langs de Alameda. In een conferentiezaaltje
begon een woordvoerder van de stad zijn uiteenzetting met de slogan ‘Picasso is
Malaga, Malaga is Pïcasso’, en ging zonder overgang verder met een opsomming van
de grootse bouwplannen in de hoofdstad van de Costa del Sol (nieuwe hotels,
uitbreiding van de luchthaven, een HST-verbinding tussen Malaga en Madrid, duur:
3u45’.) Zo wekte zelfs zijn slotverwijzing naar de talenschool Cervantes, de
universiteit en het internationaal ontmoetingscentrum de indruk alsof de stad
met cultuur slechts mercantiele doeleinden had. Alleen de tussen neus en lippen
door gedebiteerde gemeenplaats over ‘het mooiste weer van het schiereiland’,
bleek dan tijdens de wandeling langs de als een botanische tuin aangelegde
havenavenue een kosteloos vervulde belofte.
Uitgerekend op het vlak van bouwkundige stadsvernieuwing veroorloofde Malaga
zich het jongste decennium een merkwaardige ingreep. De Guadalmedina-rivier die
het historische centrum van de stad scheidt van de recenter aangelegde
districten, werd voor een groot deel (wegens overstromingsgevaar?) drooggelegd
en tot ondergronds voortstromen veroordeeld. Op het vrijgekomen tracé _ een
vlakte van afwisselend gras en beton _ lieten mannen hun honden los lopen,
brachten graffitikunstenaars onder bruggen hun sporen aan, en gingen verdwaalde
marginalen ongestoord hun gang. Naast de rivier, eveneens onder de grond, was
het gonzen te horen van het zware verkeer dat Malaga aandeed.
MEZQUITA
Al op het einde van de zestiende eeuw haalden grootse plannen en overdreven
ijver het van verfijning, toen de bevallige mezquita moskee met zijn binnentuin
en ranke kolommen moest wijken voor een gigantische kathedraal waaraan men
tweehonderd jaar bouwde, in een mengelmoes van Europese stijlen. Uitgesmeerd
over een overgedimensioneerde ruimte, verzandt barokke praal vaak in lege
decoratie, en dat euvel schaadt ook de kathedraal van Malaga _ bijgenaamd la
Manquita (de eenarmige) omdat ze een toren mist. Ongewoon sober oogde dan weer
de zijkapel, gewijd aan de gesneuvelden van de Spaanse Burgeroorlog (1936-39).
In de crypte worden de resten van meer dan duizend burgers bewaard. De meeste
slachtoffers in Malaga vielen in februari 1937, toen de door de republikeinse
leiders opgegeven stad in nationalistische handen viel en een massaslachting
moest ondergaan.
De Francodictatuur na de Burgeroorlog was de reden waarom de beroemdste zoon van
Malaga nooit wilde terugkeren naar Spanje en zijn vaderstad. De dictator stierf
twee jaar later dan hij. Het geboortehuis van Pablo Picasso, geboren Ruiz
Blasco, (1881-1973) staat op de hoek van de Plaza de la Merced, een
aantrekkelijke ontmoetingsplaats, omzoomd met exotische jacaranda-bomen die
paars kleuren als ze in bloei staan. Het interieur ademt de burgerlijke sfeer
die de jonge Picasso er snel toe aanzette om de prikkelende bohemienscène van
Barcelona en aansluitend Parijs op te zoeken. Nochtans genoot hij de warme steun
van zijn vader, kunstleraar en schilder José Ruiz Blasco, die zelf een
buitenbeentje was in een familie van parmantige bourgeois. Onder de in het salon
uitgestalde relikwieën, de navelband van Picasso, een hemdje met geborduurde P
en de familiale doopjurk. Twee kleine kamers waren geheel vrijgemaakt voor het
tonen van tekeningen en ceramiek. Op een schaal was een arena afgebeeld, met het
paard dat de vrouwelijkheid, en de stier die (Picasso’s eigen) mannelijkheid
symboliseert. Met de verdwaalde geit op een schaaltje voerde hij het fetisjdier
van Andalusië ten tonele. De vredelievende kunstenaar wist wellicht niet dat het
ook de mascotte is van het vreemdelingenlegioen, hier kortweg bekend als la
legion.
Een paar straten daar vandaan, in de Calle San Agustin aan de andere kant van de
Plaza de la Merced, heeft de stad in het mooiste gebouw van Malaga een
Picassomusem geopend. Het Palacio de Buenavista is een in renaissance- en
mudejarstijl opgetrokken juweel uit de zestiende eeuw. Rond de centrale patio
zijn de zalen voor de permanente collectie (op de begane grond) en voor
gelegenheidstentoonstellingen (op de eerste verdieping) gegroepeerd _ tot 24
juni de collectie Pierre en Maria-Gaetana Matisse uit het Metropolitan Museum in
New York. Het Picassomuseum in Malaga staat minder hoog aangeschreven dan zijn
grotere, rijker gestoffeerde soortgenoten in Parijs en Barcelona. Zijn apart,
erg intiem en nauw met de biografie en de creatieve ontwikkeling van de
kunstenaar verweven karakter, kwam dan ook over als een weldadige verrassing.
De Picassostijl mag elders spectaculairder, modernistischer en branieachtiger te
zien zijn, in Malaga groeit zijn taal zo puur uit de organische vormen, de
kleuren van de natuur en het leven, dat hij er ineens zoveel menselijker en
artistiek waarachtiger uit tevoorschijn komt. Simpeler, maar ook geheimzinniger.
In het monumentale schilderij Moeder en Kind (1921) zit een vaderfiguur
verscholen; tussen een decoratief patroon van witte stroken zijn eigen
doodshoofd (Hombre ,1972); en ten slotte, niet langer te verbergen, het
versneden lichaam van een opulente vrouw in de golven van de zee (Banista,
1971). Picasso in Malaga, een ode aan de vruchtbaarheid en de dood.
Hoe machistisch hij zich verder ook mocht aanstellen, Picasso schilderde even
graag duiven als zijn vader, die er _ misschien noodgedwongen _ zijn
specialiteit van had gemaakt. Een bescheiden en vredelievend motief, dat
diezelfde woensdagavond in de Goede Week ook zijn plaats kreeg in de processie
van de confrérie die haar naam ontleent aan de Maria Santisima de la Paloma.
Ditmaal gadegeslagen vanop de eerste etage van Hotel Larios in de voorname Calle
Marques de Larios, leek de processie vaker en langer stil te staan dan de vorige
avond. Tijdens het wachten opende een oude volksvrouw een korfje waaruit twee
witte duiven opvlogen. De ene wiekte onmiddellijk hogerop, de andere nam
voorzichtig plaats op de met goudbrokaat geborduurde mantel in blauw fluweel,
toebehorend aan de Paloma-madonna.
Even later hief een andere, aan het gezicht onttrokken, maar voorzeker even oude
vrouw een hartverscheurend rauw lied aan; of het een religieuze saeta was, of
een passus uit een cante jondo in het flamencoregister, moet in het midden
blijven. ‘Malagena : cantaora’, meende de dichter Miguel Hernandez (Malaga:
zangeres), en met de Malaguena wordt een dans in driekwartsmaat bedoeld, door
Federico Garcia Lorca als titel gekozen voor een gedicht dat begint met: ‘La
muerte/ entra y sale/ de la taberna’ (de dood stapt in en uit de taveerne). In
de processie defileerde een troondrager die een zwarte blinddoek had omgebonden.
Bij de muziekkapel duwde een vrouw een muzikant in een rolstoel voort. Al die
tijd werden de kleine kinderen zoetgehouden met een onmetelijk aanbod suikergoed
uit de honderden stalletjes langs het parcours. Latijns-Amerikaans uitziende
types bleven ballonnen in diervormen te koop aanbieden, zonder dat ik er meer
dan één kind mee zag rondlopen. In dezelfde hand waarmee ze de ballonnen vast
had, hield een kleine verkoopster ook de sigaret die ik voor haar aanstak.
TERUEL 1938
Dat Witte Donderdag, Jueves Santo, de eerste algemene vrije dag was, bleek al ’s
ochtends wanneer uit het wijdopen raam in het NH-hotel aan de Guadalmedina enkel
het ruisen van de branding en het gekwek van kinderen leek binnen te dringen,
hoewel het Malagueta-strand een paar kilometer verder ligt.
Het hoofd protocol van de confrérie Esperanza hield in de lege kerk, aangebouwd
bij hun paleisachtige casa, een plichtmatige toespraak en werd pas levendig in
het museumgedeelte, waar de tronen van Jesus Nazareno del Paso en Maria
Santisima de la Esperanza stonden opgesteld. Net werd het betraande gezicht van
de Maagd een laatste keer bijgewerkt voor ze die avond als laatste in processie
zou worden meegedragen om pas tegen halfzes ’s ochtends terug te keren.
De zesduizend broeders van de Esperanza, een der oudste en meest emblematische
onder de 47 confréries van Malaga, hadden 270 troonmannen uitgekozen die de meer
dan zes ton zware Mariatroon op hun schouders zouden torsen. Witte etiketten met
keurig uitgetikte namen waren op het metalen draagraam gekleefd, op de plaats
die ze elk moesten innemen. Vanwege de inclinatiegraad van de straten, aan de
zijkanten aflopend te wille van de afwatering, worden de kleinste mannen in het
midden geposteerd, de grootste op de buitenste rijen van het draagraam. Wie
onder de troon belandt wordt een submarino genoemd, de aguador zorgt voor de
waterbevoorrading, en de capataz heeft een toezichtsfunctie. In het urenlange
dragen van hun schitterende, loodzware last tijdens de Semana Santa,
vereenzelvigen de mannen van Malaga zich al eeuwenlang met de passie en de dood
van Christus, en smeken zij de genade af van zijn moeder Maria. De
Esperanza-broeders vereren speciaal de Maria de la Santisima Esperanza wier
troon zij in de processie lieten volgen door de eigen muziekkapel van de
confrérie.
Het droefgeestig plechtige karakter van de processies, in de hand gewerkt door
de obsederend langzame marsen van de begeleidende blaaskapellen, werd op Witte
Donderdag overschaduwd door het militaire vertoon waarmee _ in Almeria en Ronda
gekazerneerde _ detachementen van het vreemdelingenlegioen hun opwachting
maakten. Gelieerd met de confrérie van de Cristo de la Buena Muerte en de Senora
de la Soledad, gaf la legion al ’s middags op de Plaza Fra Alonso de San Tomas
een parade ten beste, waarbij ze het liggende kruisbeeld met de Christus van de
Goede Dood als in een dressuurnummer op hun hoog boven de hoofden geheven armen
lieten rusten, van voren naar achteren in het gelid doorschoven, er op een
obscene manier bezit van nemend. Van dichtbij geobserveerd werkte alles aan hen
overdreven, het kroezende haar uit de half ontknoopte hemden, de rondingen van
de konten in de strakke uniformbroeken, de stijf dichtgeknepen of juist wijdopen
gesperde ogen, het tijdens het wachten ter plaatste trappelen als jonge
hengsten.
Van de opschriften op de wimpels vielen etappes uit hun militaire geschiedenis
af te lezen. Vredehandhavende campagnes met UNPROFOR in Bosnië-Herzegovina in
een recent verleden, interveties in de Sahara in 1957-58 en een reeks bloedige
acties tijdens de Spaanse Burgeroorlog, waarnaar de wimpels met ‘Aragon’ en
‘Teruel 1938’ verwezen. Niet toevallig brak de rebellie tegen de Spaanse
Republiek uit bij de ‘Afrikaanse’ divisies van het vreemdelingenlegioen onder
aanvoering van Francisco Franco. De kleine gebrilde monnik met vermoedelijk
geverfd haar _ een acteur (?) _ die op de Plaza ‘de zegen van het vaderland’
over hen uitsprak, bekrachtigde de geschiedenis van de hechte band tussen kerk,
leger en natie, steunvlak van het franquisme.
In 1920 richtte kolonel José Millan-Astray, een der kopstukken achter de latere
staatsgreep, het legioen op als een ‘bijzonder leger’. Tot op vandaag zweert het
bij ‘el espiritu de la muerte, een hoofdpunt uit hun Credo: ‘Sterven in de
strijd is de hoogste eer. Men sterft maar één keer. De dood komt zonder pijn en
het sterven is niet zo verschrikkelijk als het lijkt. Het verschrikkelijkste is
leven als een lafaard.’ In groten getale opstappend onder de avondverlichting in
de straten van Malaga, legden de legionairs de processie hun eigen toon op, een
spooktoon uit het doodgewaande verleden. ‘Ze zijn de enigen die tijdens de
Semana Santa voor verdeeldheid zorgen onder het volk van Malaga,’ zegt een
stadsambtenaar. In de soms hevige ideologische geschillen tussen de landelijk
regerende socialisten van premier José Luis Zapatero en de rechtse Partido
Popular (PP) worden de oude scheidslijnen opnieuw zichtbaar, maar weinig lijkt
er op te wijzen dat de door het legioen uitgedragen geest verder zal reiken dan
het domein van oude volksgebruiken.
In de gemeenteraadsverkiezingen van 27 mei zal Malaga naar alle
waarschijnlijkheid opnieuw kiezen voor een coalitie rond de Partido Popular,
minder vanwege haar conservatieve reflexen dan om het voluntaristische
stadbeleid dat ze heeft gevoerd, zo verwacht de jonge ambtenaar.
Meer dan alle door de muziekkapel van het legioen tijdens de avond en nacht van
Witte Donderdag gespeelde marsen, maakte het telkens opnieuw uit volle borst
gezongen lijfllied van de legionairs indruk. De melodie van El novio de la
muerte (de bruidegom van de dood) was nu eenmaal zeldzaam meeslepend _ tenminste
als men het legioen uit de verte hoorde zingen. Van dichterbij gaf het heilloze
cocktail van testosteron en doodscultus _ hoewel aan de andere kant van het
spectrum door Picasso tot kunst verheven _ schoonheid geen schijn van een kans
om vooreerst op te komen. |