|
|
Jan Braet
OPGEJAAGD WILD
Beducht voor de gevolgen van de moord die hij had gepleegd, vluchtte de
woesteling door de Mezzogiorno, meesterwerken schilderend. ‘Caravaggio, The
Final Years’, in Londens National Gallery.
De man die in mei 1604 de genaamde Ranuccio Tomassini in Rome met het zwaard
hoog in de dij verwondde en doodde, was geen onbekende van de politie. De
schilder Michelangelo Merisi, bijgenaamd Caravaggio (1571-1610), moest bij
herhaling door zijn beschermheer, kardinaal Francesco Maria Del Monte uit de
handen van het gerecht worden gehaald wegens agressief gedrag. Zijn slechte
reputatie, tot ver buiten de landsgrenzen doorgedrongen, was ook de Nederlandse
biograaf en schilder Karel van Mander niet ontgaan. In hetzelfde voor Caravaggio
zo noodlottige jaar 1604 stond in Van Manders Schilderboeck te lezen hoe de
opvliegende man uit Lombardije, het zwaard op de heup, een knecht achter zich
aan, met veel bombarie van de ene vermakelijkheid naar de andere trok, altijd
klaar om te vechten. Het was een beproeving om hem op zijn tochten te
vergezellen, aldus Van Mander, die ook wist te vertellen dat Caravaggio liever
lui dan moe was. Wanneer hij eens veertien dagen onafgebroken werkte, had hij
een maand of meer nodig om ervan te bekomen. Blind was Van Mander evenwel
allerminst. Van Caravaggio loofde hij de heerlijke en ongemeen mooie manier van
schilderen, ‘een voorbeeld om na te volgen’.
Niet van plan om in de kerkers van de pauselijke jurisdictie zijn doodvonnis af
te wachten, vluchtte de onbesuisde van Rome naar Napels, waar de Spaanse
onderkoning regeerde. Vanaf dat ogenblik gedroeg de zich om zijn onthutsende
naturalisme door de enen verguisde, door de anderen op handen gedragen
kunstenaar zich als opgejaagd wild. Religieuze leiders die in de
Contarelli-kapel van de Franse kerk in Rome zijn Roeping van de apostel Mattheus
(1599) aanschouwd hadden, zouden wel in de verleiding komen om hem enig
altaarstuk te laten schilderen, zo speculeerde hij. Hij wist zich immers
verzekerd van de gave, de zaken van het geloof te schilderen met het heilige
vuur dat zijn collega’s in bloedeloze vormen van maniërisme dreigden te
verstikken. Een nieuwe geest ontkiemde, de geest van de barok
De Mattheus van Caravaggio, een dobbelende volksfiguur in een duistere herberg,
gevangen in een bundel goddelijk helder licht. Precies om die reden was hij in
staat om _ ondanks zijn ongeloof _ de uitgestoken vinger van de binnentredende
Christus goed te verstaan. Het oprechte geloof, een zaak van doodgewone mensen.
Schilderkunst, een aangelegenheid van waarachtigheid boven voorgekauwde schema’s
van waardigheid en schoonheid. De waarachtigheid, het wezen van elke mens, wordt
gereveleerd in een of meerdere bundels licht die onveranderlijk van buiten het
schilderij komen. Ze overvallen de naturalistisch voorgestelde figuren dan ook
met de onweerstaanbare kracht van een bovennatuurlijk verschijnsel, omringd door
een meestal wat bedreigend donker.
In meer prozaïsche termen kan men zeggen dat Caravaggio aan het begin van de
expressieve theater- en filmbelichting staat, door de ontdekking van de
dramatische potentie in de contrasten tussen licht en donker. Daar durfde hij
zelfs de gevoelige nuances in kleur aan opofferen, en ook het brio in de
verfbehandeling, waar een kunstenaar als Titiaan zo groot mee was geworden.
Caravaggio, kan men met enige overdrijving zeggen, projecteerde evenzeer een
beeld als dat hij het ambachtelijk schilderde. Het ultieme bewijs daarvan werd
mij onlangs bij toeval geleverd. Na de wenkbrauwen te hebben gefronst bij de
manier waarop de picturale laag van het schilderij Het martelaarschap van
Sint-Ursula (tijdens de conservatie- of restauratiebehandeling?) helemaal
geëgaliseerd was en dus enigszins beeldverstikkend werkte, zag ik het beeld, als
diapositief op een scherm geprojecteerd, plots helemaal tot leven komen, alsof
het van meet af aan als een lichtverschijning diende te worden bekeken.
Barmhartigheid
De religieuze stichting die de moordenaar bij zijn aankomst in Napels de
opdracht voor een altaarstuk gaf, bracht _ met toelating van de paus _ radicale
opvattingen van barmhartigheid in de praktijk: de Pio Monte de la Misericordia
spijzigde de hongerigen, laafde de dorstigen, kleedde de naakten en begroef de
voor dood op straat achtergelatenen metterdaad. Voor haar kerk in de volkse
Spaanse wijk, gewijd aan Santa Maria della Misericordia, liet de congregatie
Caravaggio De zeven werken van barmhartigheid schilderen. Voor een gemeenschap
die zelfs het verlossen van gevangenen in het vaandel voerde, vormde dat geen
enkel probleem. Toen ik het werk twee zomers geleden ter plaatse ging bekijken,
werd het gedeeltelijk aan het oog onttrokken door het altaarmeubilair en zag het
er enigszins verbleekt en bevuild uit. Intussen werd het door het Napolitaanse
kunstmuseum van Capodimonte onder handen genomen en klaargemaakt voor de
tentoonstelling Caravaggio, de laatste jaren, die eerst in Capodimonte te zien
was.
Om welke reden dan ook heeft het werk de reis naar Londens National Gallery,
waar de tentoonstelling nu loopt, niet gemaakt. De afbeelding in de catalogus
leert dat de schoonmaak en restauratie met de nodige grondigheid aangepakt zijn.
Het blijven erg delicate zaken, waarbij de minste hypercorrectie de balans van
het origineel en de bedoelingen van de kunstenaar kunnen verstoren. En
vraagtekens zullen er altijd blijven. Is het bijvoorbeeld mogelijk dat bij de
restauratie van De geseling het felle licht dat op de naakte torso van de aan de
geselpaal gebonden Christus valt, net iets oogverblindender en glanzender
uitgevallen is dan Caravaggio moet hebben geschilderd? In eerder oneerbiedige
termen gesteld: de heiland, voorgesteld op het moment net voor de geseling, ziet
er eerder uit als een paradepaard dan als een man van smarten. (Christus’
elegante danspas kan alleszins niet op rekening van de restaurateurs worden
geschreven.) In frappant contrast met de erotiserende visie op een lichaam voor
de marteling, staat de rauw realistische blik waarmee de kunstenaar het
uitgemergelde lichaam van de gekruisigde Sint-Andreas afbeeldt.
Hoe het kon gebeuren, weet niemand, maar niet later dan in 1607 voelde
Caravaggio zich geroepen om zijn diensten aan te bieden bij de
militair-religieuze orde van de hospitaalridders met hoofdkwartier in Malta.
Iemand moet hem in het oor gefluisterd hebben dat zoete broodjes bakken met de
Grootmeester van de Maltese orde, Alof de Wignacourt, wel eens de te bewandelen
weg kon zijn om van de paus gratie te verkrijgen voor zijn vergrijp. Het kwam
hem goed uit dat De Wignacourt voor de verfraaiing van het streng ingerichte
klooster- en vestingcomplex in Valletta een kunstenaar vast in dienst wilde
nemen. Een eerste poging met een kunstenaar uit Firenze, wiens naam nooit bekend
raakte, liep op de klippen omdat de man nooit kwam opdagen.
Caravaggio dook in het gat en kreeg de toestemming om met een door
oorlogsschepen van de hospitaalridders geëscorteerd schip naar Malta af te
varen. Een gevaarlijke onderneming inderdaad, aangezien zeven schepen van het
vijandelijke Barbarije in de buurt gesignaleerd waren. Na een voorspoedige vaart
installeerde de voortvluchtige kunstenaar zich op het eiland en wist met zijn
kunst een zodanige indruk te maken op de Grootmeester, dat die niet alleen
stappen ondernam om het gratieverzoek bij de paus in te dienen, maar ook om de
kunstenaar als ridder te laten opnemen in de orde van Malta. We kennen zijn op
Titiaans vorstelijke portretten geïnspireerde portret van Alof de Wignacourt met
page uit het Louvre, maar krijgen in de Londense tentoonstelling enkel het
portret van een onbekende hospitaalridder te zien, en een vaag van Michelangelo
afgeleide, lelijke Cupido in een bizarre houding van schijndood.
Zijn Maltese meesterwerk, De onthoofding van Sint-Jan de Doper, bleef waar het
was, in de bidkapel van de co-kathedraal van Valletta. Nooit slaagde een
schilder er beter in om de daad van een bloederige onthoofding in een zo
gesmoorde stilte voor te stellen, met een ijskoud opererende beul, onbewogen
registrerende medeplichtigen en een enkele getuige met een menselijke reflex van
naakte afschuw.
Syracuse
Slechts luttele maanden hield Caravaggio het deugdzame leven van een
hospitaalridder vol. Bij een ordinaire nachtelijke ruzie onder ridders bij een
van hen thuis, sloeg hij er een verrot. Vijf maanden nadat hij er in was
opgenomen, werd hij in december 1607 uit de orde gezet. Maar op dat ogenblik was
hij al op mysterieuze wijze, men denkt bij middel van een touw, ontsnapt uit de
vesting van Sant’Angelo waar hij opgesloten zat. De vermaardste kunsthistorici
ter wereld hebben zich het hoofd gebroken over de vraag hoe een man wiens
overkokende temperament in het werkelijke leven voor zo veel ellende zorgde,
zich bij het schilderen perfect wist in te tomen. Men staat voor een raadsel.
Hoe passioneler, moorddadiger en verschrikkelijker de taferelen die hij
borstelde, des te groter de beheersing die hij daarbij aan de dag legde.
Zonder de hulp van medeplichtigen zou Caravaggio nooit uit Malta hebben kunnen
ontsnappen, zoals hij zonder vrienden onmogelijk direct weer aan de slag had
gekund in zijn nieuwe toevluchtsoord, het eiland Sicilië. Mario Minniti, een
oude schoolmakker en collega uit zijn Romeinse tijd, hielp hem aan een opdracht
van het stadsbestuur van Syracuse. Dicht op de huid van het leven,
naturalistisch en verschrikkelijk als altijd, bracht Caravaggio voor de
zoveelste keer het thema van de dood op doek: De begrafenis van Sint-Lucia, dit
keer met niet al te geforceerde licht-donker contrasten, in roodbruine en vale
tinten genuanceerd geschilderd en met synthetisch-expressieve lijnen getekend.
Ook dat schilderij wist de National Gallery niet los te krijgen, maar het gemis
wordt ruimschoots goedgemaakt met de Opwekking van Lazarus uit dezelfde periode,
een werk dat bewaard wordt in het Museo Regionale in Messina.
Hoewel duidelijk sporen van beschadiging vertonend, en van de rook van kaarsen
waarbij het moet zijn geschilderd, laat dit meesterwerk van Caravaggio een als
in een koortsige droom geboren ritueel van menselijke opschudding en knetterende
verrijzenismagie zien. De scène is gevat in een adembenemend mooie, complexe
beweging, tussen de uitgestrekte, bezwerende arm van de mirakelman in de
halfschaduw links en het vol belichte, nog door rigor mortis verstijfde lijf van
Lazarus aan de rechterkant. Veel conventies van schilderkunst bleven hier niet
overeind. Ze zouden de hoofdzaak slechts in de weg hebben gestaan: de kijker op
de meest direct mogelijke manier aan de grond nagelen met een beeld dat de
kracht van een niet verstandelijk te bevatten verschijning heeft.
Voldragen, gerijpt _ op weg naar onthechting _, evenzeer als het
Lazarus-schilderij de kern van een onwezenlijke, radicale boodschap zonder
omwegen overbrengend: de Annunciatie uit het museum van Nancy. Alweer volstrekt
ongehoord en ongezien, hoe een zwaargebouwde engel met een lelijke, door de
schouder gedeeltelijk aan het oog onttrokken kop (die aan Malcolm McDowell in de
film A Clockwork Orange doet denken) op een giftige rookwolk neerzakt tot vlak
boven het hoofd van de diep ontvankelijke Maagd: ‘U zal een kind geboren
worden’. De zwaarte van de engel in zijn opzichtig gedrapeerde witte kleed, zijn
pokende vinger, ze voorspellen Maria de last van het lijden, het hare en dat van
haar zoon.
Ook Caravaggio’s laatste pad liep niet over rozen. You can’t go home again,
zoveel wist hij wel, maar toch probeerde hij via Napels _ waar hij
verschrikkelijk toegetakeld werd tijdens een messengevecht _ naar zijn geliefde
Rome terug te keren. Bij een tussenhalte voer zijn schip er zonder hem maar met
zijn spullen vandoor. Koorts kluisterde hem op een bed en velde hem ten slotte.
Het was in Porte Ercole. Hij was amper achtendertig jaar. |