|
|
Jan Braet
ALLES BIJNA IN EVENWICHT
In zijn internationaal nu hooggewaardeerd oeuvre omhelst Raoul De Keyser
verkende en nog onverkende mogelijkheden van het pure schilderen. Een groot
overzicht bij stichting De Pont in Tilburg.
Wie er voorbijvliegt, ziet in zijn schilderijen een soort van minimalisme aan
het werk. Op het eerste gezicht roert zich weinig of niets. Spaarzame vlakken,
als er al zijn. Overwegend getemperde kleuren, zuinig gebruikt. Benoembare
objecten, op de vingers van een hand te tellen. Levende wezens, schitterend door
afwezigheid. Of het moet de hond Baron zijn, op zijn tapijtje in een warempel
knalgeel veld. En, ietwat onbepaald, een stel uitgerekte benen, gezien in het
water. Ook schilderde de kunstenaar in de jaren negentig soms vleeskleurige
partijen. Omdat het leek of er spatten, klonters of striemen bloed op te zien
waren, viel een allusie van lichamelijkheid niet te ontwijken. Maar wat
betekenen een schamel dier en enkele schimmige gestalten in zo’n hoop beelden
zonder voorstelling?
Het lijkt wel of we nog nooit hebben gehoord van abstracte kunst. Het probleem
is, Raoul De Keyser (74) uit Deinze maakt misschien geen abstracte kunst. En als
hij het wel doet, dan gaat het om de meest suggestieve en veelbewogen abstractie
ooit. Omdat hij een laatbloeier is, en zich altijd zo bescheiden opstelt, duurde
het wel even eer zijn werk de internationale waardering kreeg, die het verdient.
Een grote retrospectieve, begonnen in Londen en verwacht in Porto, Sankt Gallen
en Rochechouart, is nu aanbeland in Tilburg. Bij de stichting De Pont van
directeur Hendrik Driessen, ook niet bepaald een aanhanger van wat het luidst
schreeuwt.
Eerst brengt de schilder zijn kijker naar een cruciale tweesprong. Het ene pad
is makkelijk en loopt langs sporen van de buitenwereld. Het andere heeft een
steile helling en leidt naar de pure abstractie. Omdat het schilderij niets meer
is dan een rechthoekig object met kleuren, kunnen we de twee paden alleen met de
ogen bewandelen. Op de tweesprong vastgenageld, zien we de buitenwereld en de
innerlijke wereld over elkaar heen schuiven. Ze haken in elkaar en vormen een
nieuwe eenheid. Laten we haar typeren als Die Innenwelt der Aussenwelt der
Innenwelt, naar de titel van het boek van Peter Handke uit 1967. Een heel
programma, een breed opzet om een ‘ nieuwe werkelijkheid’ weer te geven.
In de westerse wereld werkten vanaf het midden van de jaren zestig schrijvers,
beeldend kunstenaars en musici op basis van dat principe. Het was in de kern ook
aanwezig bij de schilders van de Nieuwe Visie die in 1967 de keldergangen van
het kasteel van Beervelde beschilderden. De wereld van Roger Raveel
overvleugelde er die van Etienne Elias en de Nederlander Reinier Lucassen. De
inbreng van Raoul De Keyser bleef het meest discreet van allemaal, wegdrijvend
van het figuratieve. Maar ook het subtielst in het realiseren van de verbinding
tussen kleur, object en ruimte.
In zijn eentje ging hij voort in de ingeslagen richting. Hij experimenteerde met
beschilderde geometrische objecten, ding geworden gras, lucht en wolken.
Landschappelijkheid, geconcretiseerd in een dichtgenaaide linnen doos of een
paneeltje dat tegen de wand leunt. Daar bleef het bij. Zijn interesse voor
concrete dingen en voor ruimte, spitste hij voortaan toe op het doek zelf. Een
doek van De Keyser eist altijd nadrukkelijk zijn statuut van object met drie
dimensies op. De dikte doet hij vaak uitkomen door de zijkanten mee te
schilderen. En wat hij met ruimtelijkheid en ‘vals plat’ uitricht op het
beeldvlak, weg van het traditionele perspectief, grenst aan het afgrondelijke.
Soms hallucinant.
De koninklijke weg
In een opwindende tentoonstelling in het SMAK werd ruim drie jaar geleden werk
van De Keyser getoond samen met schilderijen van Luc Tuymans. Het publiek raakte
in de war door de gesmoorde spanning die van het ene oeuvre naar het andere
oversprong als een virus. Zo’n troebele sfeer, waarin sterk gereduceerde beelden
oprijzen uit een mist van vale tot stralende, giftige kleuren in uiterst
gedifferentieerd geschilderde zones. Objecten in een schemergebied.
Schilderkunst op een toppunt van raffinement en uitstraling, geladen met extreme
ambivalentie die elke betekenis weliswaar raadselachtiger, maar ook rijker en
sterker maakt. Waar ze dicht bij elkaar hingen, raakten de doeken betrokken in
een intieme dialoog, viel hier en daar een aanzet tot versmelting te bespeuren.
In de ruimten waar ze elk voor zich spraken, weken beider werelden dan uiteen.
Bij Tuymans dienen gebruikte fotoreproducties vaak als vertrekpunt om een
schilderij te maken met historische, politieke of psychologische implicaties. De
link naar grote, niet zelden taboegeladen thema’s, is onmiskenbaar. De Keyser
gebruikt geen documenten of andere filters om naar de realiteit te kijken, of
het ware zijn eigen bril. Al het optisch observeerbare kan grondstof zijn, aan
geschiedenis of zedenleer heeft hij geen boodschap. Dingen uit de ‘kleine’
realiteit vormen een aanleiding of een alibi om te schilderen. Niet meer, niet
minder. Met z’n neus dicht op een blad papier of een stuk blank linnen gedrukt,
geeft hij die materiële dragers gauw genoeg hun eigen autonome statuut: object,
afgebakend veld in plaats van spiegel van de werkelijkheid. Ook lijnen en
kleuren, vlekken en vormen, kerven en klonters gaan hun eigen leven leiden.
Opgelet, voor willekeur is helemaal geen plaats, alle elementen van de
compositie moeten bijna in evenwicht gebracht zijn eer er van een schilderij
sprake kan zijn. Dit quasi-evenwicht is complex en precair. In een oogwenk zou
het verstoord kunnen worden, terwijl het een lange kijktijd nodig heeft om
überhaupt te worden waargenomen.
Op een episode in de jaren tachtig na, toen hij - geconcentreerd op het
interieur van zijn kamer - vlakken als schermen in coulissevorm opstelde, heeft
hij nooit met perspectief gespeeld. De ruimtelijkheid in zijn werk komt van het
doorschemeren van verschillende geschilderde lagen, die soms het gevoel geven
van een benauwende opstapeling aan het oppervlak, soms van een peilloze diepte.
Tot de particulariteit van De Keyser behoort dat de onderste laag in meer dan
één geval bestaat uit een werk van vroeger dat hij simpelweg overschilderd
heeft. In de verhouding tussen de lagen zit een sterke spanning, omdat ze op
elkaar inwerken. Dat draagt bij tot de onuitsprekelijke bewogenheid in het werk.
En, volgt men eenmaal de kleinste bewegingen van de brede verfbanen op de voet,
dan kan men niet anders dan de sterke emotionele lading ondergaan van het
eindeloos uitrafelen van de randen, het kwetsen en balsemen van de uiteinden,
met de borstel, onder het mes. Pijn en genot liggen, als in het leven, dicht bij
elkaar in de kunst van De Keyser. En ze worden in volstrekte stilte en
eenzaamheid ervaren, zoals dat gebeurt met ieder die van schilderen houdt om het
schilderen zelf.
Inzake kleurstelling is er een feilloze intuïtie werkzaam. De heldere of matte
kleuren in vele mogelijke nuances die hij tegen elkaar afweegt, versterken
elkaar altijd. En dat is maar goed ook. Elke kleur, verbonden met een veeleer
fysieke of gegeometriseerde vorm of met iets amorfs, moet immers op het
schilderij de actie maken, die tot meditatie leidt. Elke actie laat zich
betrekken in het spel van meervoudige of minstens dubbelzinnige betekenissen die
in het werk besloten liggen. Ook de allesbehalve willekeurige titelkeuze
verhoogt de betekenisassociaties. Titels als Zinkend, Zeilen heuvels, Clochard
of Surplace maken de betreffende schilderijen gericht suggestiever.
De rest is waarachtig een kwestie van persoonlijke smaak, en van affiniteit
tussen de schilder en de kijker. Houdt de schoonheid van sport, poëtische
mijmering en schilderkunst je al langer in de ban, dan ontdek je gewoon meer in
een werk van De Keyser. In de vervlogen dagen voor hij zich voltijds met
schilderkunst bezighield, was hij niet alleen secretaris van de rector aan de
Universiteit Gent, maar berichtte hij ook voor de krant over voetbal en kunst.
Het mag dan niemand verbazen dat in de ouverture van de retrospectieve bij De
Pont doelpalen, speelvelden, krijtlijnen en clubkleuren aan de orde zijn. Maar
aan het eind van het parcours, na zo’n zeventig schilderijen, is het zonneklaar
dat de koninklijke rol in dit indrukwekkende oeuvre weggelegd is voor het thema
en motief van de schilderkunst zelf, in zijn verkende en nog onverkende
mogelijkheden. |