|
|
Jan Braet
Gorgel
Het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten riskeert zijn hachje met een naar de
keel grijpende tentoonstelling actuele kunst. Vrouwen nemen het museum over met
Gorge(l), een demonstratie van beklemming en verademing in ‘matrixiale’ kunst,
van Frida Kahlo tot Alda Snopek.
Het is een invasie van vrouwelijk inzicht en sensibiliteit in het Koninklijk
Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. De eerste landing vond plaats op 21
september, toen op het uitgestrekte voorplein de Diepe Fontein van Cristina
Iglesias in werking trad. Uit een spleet in de grond welt water naar boven en
verspreidt zich over een bed van 2700 koperkleurige, cementen bladstengels. Als
het bed helemaal bevloeid is geraakt, trekt het water zich langzaam opnieuw
terug in de centrale sleuf. Dat geeft een verschil in aanvoelen met de meeste
fonteinen, die op een mannelijke manier krachtig spuiten. Diepe Fontein was een
gunstig voorteken voor de grote groepstentoonstelling Gorge(l). Ze rolde als een
vloedgolf door de zalen toen Merlin Spie, Pé Vermeersch en Alda Snopek op de
openingsavond met totale overgave lichaam en geest naar de hoogste vorm van
bewustzijn persten: de beklemmende passage van de adem door de keel naar de zee
of de kosmische oneindigheid. Het museum ligt er voor drie maanden als een
overstromingslandschap bij, onbetreedbaar voor wie zich niet nat wil maken en
duiken.
Met voorbedachten rade sloeg curator Sofie van Loo, kunsthistorica, filosofe en
archeologe in dienst van de culturele vrouwenorganisatie Gynaika, elk veilig
tentoonstellingsmodel in de wind: een thema of concept had ze niet nodig, een
trend, generatie of chronologische orde al evenmin. Ze koos voor kunst die haar
hevig had geraakt en die een buitengewone intensiteit aan de dag legt: een bol
weerbarstige energie tussen beklemming en verademing. Drieënhalf jaar lang
gingen een aantal werken als vanzelf aan elkaar klitten in haar geest. Geen
intelligent mens is zo dwars of hij probeert zelfs voor zijn meest intuïtieve
keuzes een kader te vinden, en een paar medestanders als het kan. Sofie van Loo
kreeg Azetta maar niet uit het hoofd gezet, de in raadselachtig mooie patronen
geweven kunst van Berbervrouwen, waarmee Paul Vandenbroeck in het Brusselse PSK
(2000) uitpakte. Hij had ze verbonden met de trillingssporen en drijvende
kleurvegen _ paars, grijs, zwart _ op de abstracte schilderijen van Bracha
Lichtenberg Ettinger. De Israëlisch-Franse kunstenares en psychoanalytica
realiseert die vaak tijdens psychoanalytische sessies met haar patiënten in het
atelier, vandaar de reële mogelijkheid dat ze als beeldende registratie van het
genezende gespreksritueel gezien kunnen worden.
Sofie van Loo wist wat haar te doen stond: ze spon de kunstwerken die haar
hadden aangeraakt in het web dat ze met het intellectuele raamwerk van
Vandenbroeck en Ettinger aangereikt kreeg, en doorweefde het geheel met haar
persoonlijke kijk op beklemming/verademingsprocessen in kunst. Zo krijgen we in
Gorge(l) te maken met een eigen variant op Ettingers definitie van matrixiale
kunst: ‘De kunstpraktijk die een grensverbindende en heelmakende
lichaam-psychekoppeling is, die een verbinding mogelijk maakt tussen een
beklemmende en verademende gewaarwording (…)’. Matrixiale kunst heeft een
‘verdiepend-fragiliserend’ effect en heeft tot doel het immuunsysteem op te
bouwen.
Immuniteit waartegen? We stellen ons voor, tegen de vooral in feministische
literatuur gevreesde ‘fallische blik’ _ de mannelijk actieve, beheersende,
uitkledend-inbezitnemende en ordenende blik, die ook van toepassing zou zijn op
veel kunst (en kunstenaars). De matrixiale of ‘baarmoederlijke’ blik daarentegen
komt bijna neer op een ‘blind’, een ‘zijdelings’ of ‘ruggelings’ kijken, wat een
heel speciaal soort inzicht geeft: _ voelende kennis. Ze drukt zich bij voorkeur
uit in een beweeglijk abstracte beeldtaal, die per definitief generatief is. Dat
betekent dat ze de potentie heeft om andere beelden in zich te laten groeien.
Daarmee bevindt de ‘matrixiale’ kunstenaar zich, in de westerse
cultuurgeschiedenis, in een tussenzone: even ver verwijderd van het conceptuele
(de ratio) als van het romantische (de overdreven emotie). Kunst in de
tussenzone werkt zich naar het moment waarop de dingen gaan kantelen, ‘wanneer
de spanning die in de lucht hangt naar beneden daalt en (on)draaglijk wordt’.
Het kantelen wordt vastgehouden, want mentaal is men ‘voorbij het vallen’, zegt
Sofie van Loo.
PIETER BRUEGEL
Een persoonlijke tocht door Gorge(l) verdient een sensitieve benadering, zonder
noodzaak om het ‘matrixiale’ begrippenarsenaal per se toegepast te willen zien.
Het volstaat ruimschoots om zachte analogische verbanden te maken tussen het
geziene, het gevoelde of onbewust aangeraakte, en zich gewillig op de stroom te
laten meedrijven, op het gevaar af in een draaikolk van onbenoembare sensaties
terecht te komen, gevolg van de blootstelling aan de intensiteit van het ‘hangen
tussenin’, ‘tussen iets dat opkomt en weer wegtrekt, tussen een inademing en een
uitademing, tussen iets op- en neergaand (…)’ (Van Loo).
De aanhef van de tentoonstelling is als een onmiddellijk opstijgen en landen in
een imaginair poollandschap dat op het eerste gezicht door Pieter Bruegel de
Oude bedacht, getekend en ingekleurd had kunnen zijn. Het cyclorama in 360° dat
zich aan de binnenkant van een op ooghoogte opgehangen hoepel ontvouwt, laat
ongerepte bergen defileren, naakte rotsen en een massa roerloos water, te midden
waarvan ijsschotsen drijven. Wilde vogels en paarden nemen reusachtige vlaktes
in bezit en een stuk onbenoembare vegetatie. Wat op een evocatie van een
onbekend Antarctica lijkt, verandert tijdens het kringlopend kijken in een
tableau van een bevroren beschaving in haar eindfase, net voor of nadat ze werd
ontdooid.
Een dun doorzichtig vlies is over een ijsschots in het water blijven hangen als
het overschot van een valscherm; in een kleine baai verrijst de hiëratische
gestalte van een solitair mensachtig wezen op een sokkeltje in het water. In de
verte hangen schuine sluiers over de oceaan, als van plensbuien of witte zeilen.
De titel die Marilou van Lierop aan haar cyclorama gaf, opent horizonten: de
Ediacarans waren bizarre, vriendelijke levensvormen, het midden houdend tussen
planten en dieren, die miljoenen jaren geleden uitstierven, maar in fossiele
vorm bewaard gebleven zijn. Door barrières van ruimte en tijd heen brekend, komt
Van Lierop tot haar vreugde opnieuw Pieter Bruegel tegen. Ze maakt van zijn
Toren van Babel de hare, door hem te bekijken vanuit de hemel en hem als een
raket knal boven het witte wolkendek uit te laten priemen.
De herkenbaarste lijn door Gorge(l) vertrekt van een poging tot vrouwelijke
zelfidentificatie en leidt naar zelfoverstijging en bevrijding. In dit proces
duwen de kunstenaressen hun leven dicht tot aan de grensverbinding met de dood
of de oneindigheid (de zee) aan. In enkele gevallen lijkt een ritueel offer
noodzakelijk om de borderlinking te realiseren. Bij de grote vrouwen met de
ontregelde ogen en blote, Parmigianino-achtig uitgelengde halzen op de
indringende tekeningen van Ans Nys, heeft het drama zich al voltrokken. De keel
is doorgesneden of moet althans die indruk geven. De radicale zelf-expositie in
de houding van de geslachtofferde, getuigt van onverstoorbaarheid en van de moed
om de onsterfelijke goden met ongelijke wapens tegemoet te treden. Nys verdraagt
goed gezelschap, omringd als ze hier is door enkele baanbreeksters van een
soevereine vrouwelijke kunst. Met inbreng van surrealisme en goochelarij bij
Louise Bourgeois, primitieve krachtsoverdracht via maskerade bij Frida Kahlo en
soms wreedaardige volkscultuur bij Ana Mendieta.
Mendieta verschijnt zelf op een foto van haar allereerste performance, waarbij
ze naakt een pas gekeelde kip vasthoudt en een siddering ondergaat die haar in
transhistorische verbondenheid brengt met de wortels van haar Cubaanse cultuur
van origine. Een heel eind verderop verschijnt dan een ander facet van Mendieta
op de muren. Ze had zich tussen strand en branding ingekuild en maakte nadien
een bedwelmend mooie fotoreeks van de langzame overspoeling van haar open graf
door de vloed. Op een wat onverwachte manier aan haar verwant, toont zich de in
Brussel levende Ierse kunstenares Orla Barry in haar video Foundlings. Ze maakt
een lange, lijzige pendelbeweging tussen jubelende woorden die de keel uit
komen, de hardheid van zwerfkeien op het strand verwerven en uitzwermen over de
wijde zee in Ierland. Hun tegenhangers, jammerende woorden van half of niet
verteerde herinneringen, worden door Barry veroordeeld tot gevangenschap in een
donkere kerker van het museum, waar ze eindeloos tegen de hoge muren kaatsen,
niet kapot te krijgen (I give you five rings).
Dat Ana Mendieta op een gewelddadige manier aan haar einde kwam _ in 1985 viel
of sprong ze uit het raam van haar appartement, of werd ze eruitgeduwd door haar
echtgenoot, de Amerikaanse conceptuele kunstenaar Carl Andre (die werd
vrijgesproken bij gebrek aan bewijzen) _ verandert niets aan het feit dat haar
grensverbindende kunst in essentie een verheviging van de vitale kracht beoogde
en een bewustzijnsverruimend inzicht opleverde: ze kon (haast letterlijk)
uitstromen in de zee. Voor hetzelfde geld echter kan de ‘borderlinking’ tussen
het leven en de dood uiteindelijk leiden tot een toestand tussen hangen en
wurgen, waaruit geen uitweg meer is. De hoge intensiteit blijft dan helemaal in
de strot (keel, Gorge(l)) steken, met de zelfdood als enige bevrijding. Een
klassiek voorbeeld kent de literatuur in de figuur van Ophelia, de geliefde van
Shakespeares Hamlet. De ene drenkelinge op het gebald expressieve schilderij van
Marlene Dumas en de andere op het pijnlijk verbrokkelde en doorboorde doek van
Pascale Gijsemans, doen er onvermijdelijk aan denken. Berlinde de Bruyckeres
monumentale naaktsculpturen _ de Jelle Luipaard als de meedogenloos vervormde
gehangene, en de in zelfbescherming ineengedoken C. Reybroeck met de als een
sleep de grond vegende haren _ ze mogen ons door de nabootsing van
levensechtheid even op het verkeerde been zetten, in essentie zijn het
doodsklachten, elegieën.
Francesca Woodman, die op jonge leeftijd aan haar suïcidale neigingen toegaf en
er ten slotte aan bezweek, leek heel onschuldig te flirten met haar zelfbeeld.
Ze bracht zich in ijle situaties tussen verschijnen en verdwijnen in beeld,
totdat haar ongetwijfeld lucide zelfmoord de lectuur van haar werken drastisch
deed veranderen: ze had de hele tijd, licht en elegant, met de schaduw van de
dood gedanst. In haar meest geïnspireerde momenten opende ze zich op een
delicate, subliminale manier voor een ander: de geëxposeerde foto waarop ze een
glazen ketting met een onleesbare boodschap door de wijd open mond laat glijden
( Self-portrait talking to Vince) is een mooi liefdeskunstwerk.
VERSLUIERING
Bij een belangrijke groep van getoonde werken vallen de intensiteit en de
verdiepend-fragiliserende werking niet langer rechtsreeks af te lezen uit
lichaams- of gelaatsexpressies. Het verwijlen in de tussenzone van samenkrimpen
en opleven, leidt tot een langzaam abstraheringsproces dat volop beademd blijft,
nooit doordrongen raakt van een orthodox-conceptuele droogte. De geboren
Iraanse, in Antwerpen werkende Maryam Najd leerde de kunst van het versluierend
onthullen _ en omgekeerd, van het revelerend omzwachtelen _ in haar land van
herkomst, maar moest eerst de gevolgen overwinnen van een zware cultuurschok
vooraleer ze er in haar nieuwe wereld een adequate beeldtaal kon beginnen op te
bouwen. Zo langzaam als het meditatieve proces dat aan het schilderen
voorafgaat, zo snel brengt Najd in tere akkoorden een schilderij tot stand. Nu
eens laat ze bewasemd abstracte, vale vlekken door een monochroom veld van zacht
oranje heen schemeren (Spots). Dan weer neemt ze zich voor om de harde kleuren
van nationale vlaggen (Iranian Flag, Chinese Flag, Russian Flag) en het
simplistische idee daarachter te verzachten, door ze te versmelten tot een huid,
veelkleurig beweeglijk en transparant. In haar schijnbaar meest onthullende
(figuratieve) Self Portrait, lijkt ze zich onkennelijk te hebben gemaakt, het
bedrog maskerend met een vale mistsluier.
Door intuïtie gestuurd, interageren verfmaterie en kleur bij Ido Bar-El als in
een uitvergrote microkosmos, bij Christophe Denys als in een gecomprimeerde
macrokosmos. Nauwelijks uit de verfkluiten gewassen figuurtjes op een
schilderijtje van Ellen Vrijsen verdringen zich in een samenscholing van
autisten, die een beklemmend enge ruimte met elkaar moeten delen. Sofie van Loo
koos ook werken in het abstracte register omdat ze een generatief potentieel
bezitten, en dus bij uitstek matrixiaal (baarmoederlijk) functioneren. De
aanwezige beeldpartikels zijn in staat om, traag groeiend, andere beelden voort
te brengen, in hun vermenigvuldigingsdans enkel gestopt door de beslissing van
de kunstenaar. Peter Buggenhout laat stof- en organische afvaldeeltjes
samenklitten tot even afzichtelijke als aandoenlijke volumes met een soms
geweldige sculpturale présence. Maar in Gorge(l) laat hij voor het eerst ook een
reeks van tekeningen zien, gevoelige en extreem gelaagde registraties van de
lineaire vormen waarin hij een beeldvisioen naar Bruegels Blinden leiden de
Blinden, langzaam liet dichtgroeien.
Voor generatieve kunst laat Van Loo ook de interactieve installatie City Lights
IV van Erki De Vries en Tim Vets doorgaan. De over drie elkaar kruisende
kabelbanen door een donker labyrint van karton glijdende TL-lampen en de
begeleidende elektronische klanken vertonen immers telkens een lichtjes ander
patroon omdat ze reageren op de bewegingen van wie zich in de ruimte begeeft.
Veruit de snelste en meest complexe generativiteit produceert de experimentele
film Grau _ van Robert Seidel. De virtuoze aaneenschakeling van bewegende,
brekende, groeiende, klevende partikels, ‘strings’, kristallen en smeuïge
klodden, lijkt aan te sturen op een creatieve mix van twee tegenstrijdige
theorieën over het ontstaan van het universum: zowel partikels als ‘strings’
fungeren bij Seidel als bouwstenen. Spoort dat met zijn statement dat het leven
niet uit zwart en wit bestaat maar uit de tonen in de zone daar tussenin, grijs
dus? In het begin van de film regeren bonte kleuren de wereld, waarna alle kleur
wordt weggezogen, paars als laatste.
Er bleek, ten slotte, ook plaats voor enkele niet evident matrixiaal werkende
kunstenaars. Waarschijnlijk gewoon omdat ze zo sterk op het ‘matrixiale’
reageren. De verzuchting ‘Was je maar ondoordringbaar geweest’ waarmee Thierry
de Cordier zijn Mama Vagina-tekening begeleidt, spreekt boekdelen. En dat doet
ook Constant Permekes Vissersvrouw (1920). Gebiologeerd door de zone onder haar
zware rokken, maakte de schilder er meteen maar een kolossale zwarte driehoek
van. Om James Ensors aanwezigheid _ met de Verdrijving van Adam en Eva uit het
Aards Paradijs _ op de tentoonstelling te legitimeren, moest Sofie van Loo al
een beroep doen op een Bijbelpassage over ‘goddelijk inzicht’, en dat is
misschien van het goede te veel. Maar het gaf haar wel de kans om een zwarte
spin van Louise Bourgeois dicht tegen Ensors oogverblindende visioen te laten
aankruipen. De reusachtige poten van de spin versmelten in de blik met de
verzengende vuurtengels van de straffende engel. De confrontatie zorgt voor een
krachtig dubbelbeeld: beklemmend, zeker, verademend alleen voor wie vindt dat
het er in het aards paradijs volmaakt onmenselijk aan toe ging. |