|
|
Jan Braet
DE NAGEL VAN DE REVOLUTIE
‘Visionair België’, Harald Szeemanns laatste tentoonstelling, ademt de geest
van Le Grand Macabre en van James Ensors skelet dat snuisterijen bekijkt.
België, een samenlevingsvorm voor gevorderden? Absoluut, onze federale
staatsinrichting wordt in principe alleen door primitieven voor onleefbaar
gehouden. Op het vlak van een als gemeenschappelijk te ervaren identiteit
evenwel, zien ook rijpere lui soms niet klaar. Het lijkt alsof elke gemeenschap
een eigen culturele logica ontwikkelt bij zaken die onder een Belgische noemer
gepresenteerd worden. In de praktijk worden de afwijkende logica’s alleen nog
werkzaam in tweetalige culturele of wetenschappelijke instellingen in de
hoofdstad. Bijvoorbeeld in Bozar, het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.
Bijvoorbeeld bij de tentoonstelling Visionair België. C’est arrivé près de chez
vous. Wat is daar nu concreet van aan?
In een Vlaamse, bij uitbreiding Nederlandstalige logica lijkt een historisend en
gepolitiseerd project als dit niet evident, bij gebrek aan enkele
basisaffiniteiten met de Belgische culturele identiteit. Die is immers opgebouwd
vanuit de historisch dominante cultuur, de Franstalige, bij uitbreiding Franse
cultuur. Dat met Visionair België de collectieve identiteitsmythologie van de
‘Belgitude’ opnieuw wordt opgerakeld, heeft evenwel niets te maken met
vaderlandslievende bedoelingen van Franstaligen aan het roer van Bozar. Het idee
was van de Zwitser Harald Szeemann en het werd eerst opgepikt door de Vlaming
Piet Coessens, de in duistere omstandigheden ontslagen voorganger van algemeen
directeur Paul Dujardin.
Op de keper beschouwd is de Belgitude een vrij vernuftige, zij het compleet
artificiële constructie uit het even eerbiedwaardige als potsierlijke
romantische tijdperk. Bovendien blijkt een niet onbelangrijke eigenschap van de
Belg er precies in te bestaan, de geloofwaardigheid van de hem aangemeten
identiteit ter discussie te stellen. Voeg daar nog zijn vermeende
hyperindividualisme bij, zijn anarchistisch getinte houding en een zeker gevoel
voor humor, en men komt tot de paradoxale conclusie dat de leefbaarheid van de
Belgitude afhangt van de mate waarop zij zichzelf weet te relativeren. Een
schoolvoorbeeld van werkzame deconstructie.
De tentoonstellingsmaker Harald Szeemann (1933-2005) was de derde Zwitser in
korte tijd die zich met Belgische toestanden mocht bezighouden. Op vraag van het
FDF had de Raad van Europa in 2001 Lili Nabholz-Heidegger, in opvolging van haar
landgenoot Dumeni Columberg, naar de zes Vlaamse randgemeenten rond Brussel
gestuurd om er over de zogenaamde schendingen van de rechten van Franstaligen te
rapporteren.
In tegenstelling tot de twee andere Zwitsers, kende Szeemann België al een halve
eeuw. Hij wilde er sinds lang ook een tentoonstelling aan wijden _ het derde
luik van een trilogie over visionaire landen. Daarbij kon of wilde hij een
aanvaring met de ijsberg van de Belgische politiek niet vermijden. Zo hebben het
Belgische koloniale avontuur in Congo, het pacifisme, het utopische denken, het
socialisme en de communautaire kwestie, elk een prominente plaats op de
tentoonstelling gekregen. Wellicht vond hij die thema’s bepalend voor de
visionaire capaciteiten van de Belgen.
In volle voorbereiding uitgeschakeld wegens de ziekte die hem enkele weken voor
de opening uiteindelijk velde, kan Szeemann niet voor honderd procent
verantwoordelijk worden geacht voor de concrete uitwerking van het project. De
inbreng van vele anderen, onder wie zijn zoon Jerôme, bleek nodig om het rond te
krijgen. Maar zijn eigenzinnige signatuur is wel degelijk aanwezig. Ze is vooral
merkbaar in de grondstructuur van de tentoonstelling als een gigantische
uitstalling van wijd uiteenlopende relicten (een spiegel van de Belg als
maniakaal verzamelaar) waar de geest van Le Grand Macabre los doorheen waait.
In dit stuk van Michel de Ghelderode (1935) komt Necrozotar, de Engel van het
Kwaad en van de Dood, het einde van de wereld verkondigen aan de inwoners van
Bruegelland. Iedereen is doodsbenauwd, maar er gebeurt niets. Het leven herneemt
zijn rechten en de oude visionair is daar zo ondersteboven van dat hij zelf
bezwijkt. Als video-opname van de operaversie door György Ligeti, die in 1997 in
wereldpremière ging in Parijs, is Le Grand Macabre dan inderdaad op de
tentoonstelling te zien. De Ghelderodes zin voor mysterie, folklore, het irreële
en zijn barokke fantasie hebben Szeemanns fascinatie voor België van het begin
af geprikkeld. (Veel van De Ghelderodes stukken werden eerst in een Nederlandse
bewerking gebracht door het Vlaamsch Volkstoneel).
Een rechtstreekse lijn van De Ghelderode naar de grimmige, gemaskerde wereld van
James Ensor als sociale parodie, ontging Szeemann evenmin. Aanvankelijk koos hij
voor De intrede van Christus in Brussel als opening van de tentoonstelling, maar
het Gettymuseum in Malibu gaf het werk niet vrij. Zijn keuze voor een kleinere
Ensor, Skelet bekijkt chinoiserieën, leverde uiteindelijk het centrale beeld op
van Visionair België: de fantoom-Belg, uit de doden opgestaan om de snuisterijen
die zijn levensobsessie vormden, nog eens goed te kunnen bekijken. De muffe en
‘very old fashion’-atmosfeer die het werk uitstraalt, is ook terug te vinden in
de lusteloze krokodillen-in-gevangenschap van Panamarenko en de door
modemaakster An Demeulemeester aangeklede nepharnassen voor de ingang van de
tentoonstelling.
Wereldtentoonstelling
Visionair vermogen of grootheidswaanzin? Een eerste zaal is van zoldering tot
vloer met de macabere Belgische driekleur bekleed. Vervolgens verrijst plots de
maquette van het Atomium, symbool van de wereldtentoonstelling ’58. De maquette
torent uit boven de duizenden steekkaarten van het Mundaneum (deze door een Belg
beoogde verzameling van alle bestaande kennis). Zou Szeemann in zijn rapport
over België een mengeling van megalomanie, geborneerdheid, kitsch, plantrekkerij
en brocanterie vastgesteld hebben? Uiterlijk in de zaal van het kolonialisme
worden de maskers afgerukt, die zo lang een geweldige honger _ naar geld, macht
en avontuur _ hebben verborgen. Op het toppunt van het ondraaglijke slaat de
stemming om en krijgt het poëtische een kans. Als wou zij het vuil van de
nationale driekleur wassen, de zielen in het vagevuur reinigen, dompelt Ann
Veronica Janssens de bezoeker van haar installatie onder in een gele, rode en
witte in plaats van zwarte rook.
Vanaf dat moment toont het parcours een drukke opeenvolging van confronterende,
contradictorische en complementaire opstellingen. Ze beantwoorden aan de hoogst
persoonlijke logica van de tentoonstellingsmaker, zoals hij die in een filmpje _
door Bozar als hommage opgenomen aan het eind van de tentoonstelling _ zelf
uiteenzet. We zien hem tijdens een zomerse rondleiding in het museum van de
utopieën op de Monte Verità in Ascona. Eerst zijn er de ‘Spinner’, de halve
garen, zegt hij. Kunstenaars voelen zich machtig door hen aangetrokken. Dan
verschijnen de bankiers, die op de kunstenaars afkomen als vliegen op de stroop.
Ten slotte maken de architecten hun opwachting. Ze verleiden de bankiers om al
het fraais in nieuwe, grootse bouwwerken onder te brengen.
Toegepast op Visionair België, komt elk van de vermelde categorieën ruim aan
haar trekken _ op de bankiers na, die meestal achter de schermen opereren. We
beperken ons tot enkele exemplarische gevallen. In Robert Garcet herkennen we de
bevlogen gek die de wereld verklaarde uit de geest van vuurstenen, en dat
concretiseerde in zijn eigenhandig gebouwde toren van Eben-Ezer, het
silexmuseum. Waarin verschilt zijn brein van dat van kunstenaar Patrick Van
Caeckenbergh, wiens fantastische kosmologie annex natuurfilosofie eveneens
uitgaan van waanzinnige premissen? Garcets vormen zijn primitief, die van Van
Caeckenbergh esthetisch geraffineerd, dat maakt een verschil.
De industrieel en steenkoolmagnaat Adolphe Stoclet was een man van het grote
geld die voor de bouw van zijn Palais Stoclet in Brussel zowel geniale
kunstenaars (Gustav Klimt) als een groot architect (Josef Hoffmann) carte
blanche gaf. De maquette ervan prijkt prominent op de expo, schuin tegenover die
van Victor Horta’s Maison du Peuple, zonder dat het verschil in bestemming _ een
luxewoonpaleis tegenover een luxe-volkshuis _ enige architecturale of sociale
spanning oproept. Pas in het filmkamertje, bij het zien van Misère au Borinage
van Joris Ivens en Henri Storck, komt het ongekend weelderige paleis van de
kolenmogol spontaan in gedachten. Daarvoor zorgen de documentaire beelden van de
brutale verwijdering van de mijnwerkers uit hun schier onbewoonbare huizen,
nadat ze in 1932 in staking waren gegaan uit protest tegen de ondraaglijke werk-
en levensomstandigheden.
Szeemann mag dan een anarchist geweest zijn, de enige revolutie waar hij ooit
reclame voor maakte, was de seksuele. ‘Ik ben een vechter, zonder iemand te
willen verwonden’, zei hij ooit. Te zijner ere sloeg Joëlle Tuerlinckx een grote
nagel hoog in de muur van het Palais des Beaux-Arts. En ze plakte er een
bevallige roze letter R bij. Ze noemde haar ingreep Objet perdu/le Clou de la
Revolution, 2005 (Harald Szeemann). Of het tot een tweede Portici komt, valt
echter zeer te betwijfelen. Visionaire Belgen moet een omwenteling van een
andere orde voor ogen staan. |