|
|
Jan Braet
Zen en de truken van de foor
In 1969 zag hij een kapot lampje op de Leie drijven, en hem ging een licht
op: uit het combineren van twee tegenstrijdige dingen kan iets nieuws ontstaan.
Onder het motto ‘elke dag een nieuw idee’, werkt Leo Copers aan een groot en
ongrijpbaar oeuvre. Een gesprek, bij zijn zomerexpo in Middelheim.
Het kasteel in het park behoort eindelijk het museum toe. Aan de gevel hangt een
vlag met een omgekeerd doodshoofd. Hij lijkt op de vlag die in 1979 kort aan het
S.M.A.K. wapperde, voor de politie hem liet verwijderen. Aan officiële gebouwen
alleen dito vlaggen. In Middelheim kwam het nog niet tot een proces-verbaal.
Omdat de vlag vaak in een ijzeren draad verward raakt? In een lege zaal van het
kasteel zit Leo Copers (62). ‘Die doodskop is oud, maar door hem omgekeerd te
hangen wordt het een nieuw werk’, zegt hij. ‘Ik heb hem ooit gemaakt voor een
tentoonstelling van Jan Hoet. Maar sindsdien zijn er al veel doodshoofdvlaggen
opgedoken. Op andere plaatsen, in musea en kunstinstellingen waar ik niets mee
te zien had.’
Het doodshoofd was in 1979 een oude en versleten icoon. Net daarom had Leo
Copers het gemaakt. En nu het weer helemaal in is, vond de Gentse kunstenaar dat
hij het ondersteboven moest hangen. Jammer dat niemand het opgemerkt heeft.
Alsof men blind afgaat op wat er in 1979 over gezegd is, ziet iedereen er weer
piraterij in, protest tegen de gevestigde orde, tegen het kunst- en museumbeleid
en tralala. ‘Dit is geen piratenvlag, hij heeft zelfs geen gekruiste beenderen.
Deze vlag is een anatomische studie van een schedel. Door hem om te draaien wil
ik ook af van mijn epigonen.’ Gedaan met zeerovertje spelen, Leo Copers vaart
onder de vlag van de vergankelijkheid en de dood. Vanitas vanitatum, et omnia
vanitas. Bij het afscheid, het afdalen van de trap, een blik uit het balkon naar
de slappe, in regen en wind gegeselde vaan. ‘Het is maar een kopie,’ zegt hij,
‘de echte is van batik’. En ligt elders veilig geborgen. Wat we zien, is een
bedrieglijk spelletje.
Zijn verhaal begint tegen het eind van de jaren zestig, het ochtendgloren van
een nieuwe tijd. Op Sint-Lucas in Gent zien de professoren het Vlaams
expressionisme als het summum van moderniteit. Picasso of Dali bestaan niet.
Stilaan krijgen de studenten het op hun heupen. Marcel Duchamp, Magritte en de
surrealisten houden hen bezig. En de kunst van hun eigen tijd, popart en
constructieve kunst. Met vrienden vormt Copers de Nieuwe Rococco, een popgroep _
van schilders welteverstaan. Hij kiest een rockende artiestennaam, Loe Copers.
De rococco’s bekladden samen een eindeloze papieren rol met psychedelische
motieven. De rol raakt toegekleefd, en werd pas onlangs weer losgemaakt, niet
tot onverdeelde vreugde van Copers. Om iets bij te verdienen klopt de student
aan bij iemand die een autoscootertent uitbaat. ‘Loe’ gaat er de dekzeilen en
tussenwanden van beschilderen: behalve racewagens (Matra, et cetera) ook de
portretten van Frank Zappa en Mick Jagger, een opgespoten regenboog om de zeilen
met elkaar te verbinden.
‘Loe’ Copers sluit zijn opleiding af bij de concurrentie, de Gentse academie.
‘Ik ben een gediplomeerd theaterdecorbouwer en scenograaf,’ zegt hij plechtig,
met zelfspot, ‘de eerste in België op dat gebied.’ Om direct toe te geven dat
het voor hem een doodlopende weg was. Een kortstondige medewerking aan de Studio
Herman Teirlinck leerde hem dat de vernieuwing in de theaterwereld nog niet aan
de orde was. Eén gelukt, gezamenlijk examenwerk met Bert Verminnen, de in
dramatische omstandigheden overleden broer van Johan, is hem bijgebleven. Als
kunstenaar goochelt hij met rolmodellen. Magiër, illusionist, alchemist,
schilder, kleine uitvinder, sculpteur, hogepriester, moralist, komiek. Ook
decorateur past in het rijtje. Maar dat vindt hij een te pejoratieve term. ‘Ik
maak sculpturen, je kunt ze ook installaties noemen’, preciseert hij. Wel dan?
In 1981 presenteert hij zich voor het laatst als ‘Loe’ Copers, wanneer hij in
het Paleis voor Schone Kunsten ontwerpstudies en tekeningen naar oude meesters
toont _ een hoedje à la Jheronimus Bosch, de achtergrond van de Mona Lisa, een
engelenvleugel naar Fra Angelico. ‘Nu je het zegt, ja,’ monkelt Copers, ‘wij
waren van de stad naar de buiten verhuisd. Een landelijke zone, nu parkzone,
tussen Wetteren en Laarne. Dan zie je een heleboel andere dingen, die je in de
stad niet vindt. Dode vogels, allerlei. Hoe ik nu op dat idee van die
engelenvleugel gekomen ben, weet ik zelf niet meer. Maar ik had al engelen
gemaakt _ kleine motortjes met een pluim op. Die motortjes en die pluimen, ja,
die draaien dan rond. Een soort combinatie van twee verschillende dingen: iets
wat uit de natuur komt, iets wat techniek is. Vanuit die engeltjes moet dan een
engelenvleugel ontstaan zijn: als je een veertje hebt, en je hebt er veel, dan
kun je een vleugel maken. En dan ga ik kijken bij Fra Angelico: een
engelenvleugel, hoe ziet dat eruit? Als er één specialist is die weet hoe een
engelenvleugel eruitziet, dan wel Fra Angelico. Vandaar die studies naar hem.
‘De achtergrond van de Mona Lisa had ik ook nodig. Ik heb een persiflage
gemaakt, twee werken met de Mona Lisa die eigenlijk samen horen. Het ene is een
miraculeuze Mona Lisa, die echt huilt, een werk uit 1974. Het is een reproductie
die ook in een lijst zit. En ze huilt hè, het water loopt op de duur in de lijst
en op de grond. En daarnaast, als tegenwicht, een verticale video waar ik zelf
in de positie van de Mona Lisa zit. Ik zie er heel serieus uit, mooi opgekleed,
zoals de Mona Lisa, maar volgens de mode van de jaren zeventig. Het is een vast
beeld, ik probeer niet te bewegen. En na ongeveer tien minuten hoor je opeens
een stom gelach, grèhèhè, als uit een machine. Om die video te kunnen maken had
ik de achtergrond nodig van het schilderij van Da Vinci. Ik heb hem
nageschilderd, liet een witte vlek op de plaats waar de Mona Lisa zit en ben
ervoor gaan zitten.
‘Ten slotte was er Bosch. De bespotting van Christus ken ik al van toen ik heel
klein was en met mijn vader op zondag naar het museum in Gent ging. Een van die
mannen op het schilderij heeft zo’n raar hoedje op. Ik heb gewoon dat hoedje
nagemaakt, maar in plaats van omgebogen is het recht; ik maakte het met de spoel
van een weefgetouw. Het is als een sculptuur op zichzelf bedoeld. Ik was van
plan om het groot te maken, maar ik denk dat het goed is dat het klein gebleven
is. Dan heb ik nog eens een detail van een Rembrandt nagemaakt, en Van Gogh
geschilderd met twee afgesneden oren.’
WATERLAMP
De fut gaat langzaam uit de Nieuwe Rococco, wanneer Copers in 1969 op de Leie
een kapot peertje ziet drijven. In zijn verbeelding gaat het plots op het water
branden. Waterlamp wordt het eerste van een aantal werken waarin hij twee
tegenstrijdige principes in harmonie met elkaar brengt. Zo ontstaan kleine
wonderen die maar een kortstondig bestaan beschoren zijn. Water en
elektriciteit, hitte en ijs, vuur en gesteente: op basis van tegenpolen ontstaan
in de jaren zeventig vergankelijke kunstwerken die de kern uitmaken van de
zomertentoonstelling in het beeldenpark Middelheim (tot 17.8). Met een beetje
geluk ziet de wandelaar het lampje branden in de gracht van Middelheim; als het
niet opnieuw stukgesprongen is en voor een algemene kortsluiting heeft gezorgd
in de kantoren.
Vlak voor de ontdekking op de Leie zoekt de kunstenaar al naar middelen om met
licht te schilderen. In gelakte panelen zaagt hij gaten en gleuven waarvan het
lijnenspel oplicht door gekleurde lampen erachter. Dit alles enigszins op de
wijze van Lucio Fontana. ‘Hoogstwaarschijnlijk, indien ik die werken met
elektrisch licht niet gemaakt had, zou ik dat lampje op de Leie kapot gezien en
kapot gelaten hebben. Veel mensen hebben dat lampje op het water zien drijven,
veronderstel ik. Ik ben de enige die het opgemerkt heeft om er iets mee te
maken.’ Wat deed hij er dan precies mee? ‘Met dát lampje, niets natuurlijk. Maar
ik heb gewoon een peerlampje genomen, dat in een bakje water gelegd en gemaakt
dat het aan kon zijn. Daar zijn een heleboel andere werken uit voortgekomen.’
Bij de opening van de tentoonstelling in Middelheim wordt de kunstenaar door een
oud-medestudent aan Sint-Lucas herinnerd aan de pionierstijd: ‘Weet je het nog,
dat onze leraar Gaspard De Vuyst altijd reclameerde, omdat de zekeringen
sprongen als jij bezig was?’ ‘Ik weet het al niet meer. Het zal wel, zeker.
‘Ik ben niet erg theoretisch ingesteld. Het ene werk komt voort uit het andere
en uit de omstandigheden. Op zien en denken komt het aan. Als je niet kijkt, kun
je geen kapotte lamp zien liggen in de Leie. En als je niet denkt, kun je ze in
je gedachten niet laten branden.’ Op die manier is ook de Korintische zuil
ontstaan, denkt Copers. De Oud-Griekse beeldhouwer Phidias moest eerst zijn oog
op een mand met druivenbladeren laten vallen, om er dan het motief voor zijn
zuil in te ontdekken. Het combineren van niet bij elkaar horende dingen tot iets
nieuws, heeft een rijke traditie. De middeleeuwse alchemisten deden niet anders,
in hun queeste naar goud. Copers zweert dat hij zich pas onlangs met alchemie
ging inlaten, ter voorbereiding van de Biënnale van Hasselt volgend jaar. ‘Mijn
werk zal in het Jenevermuseum zijn. En de alchemisten hebben per ongeluk jenever
uitgevonden, schijnt het.’
Maar er is ook het surrealisme, waaraan Leo Copers in het Braempaviljoen van
Middelheim herinnert met zijn video De begrafenis van René Magritte (een tuba
gaat in vlammen op). En zo is er ook de arte povera, in het beeldenpark present
door de marmeren Baadsters van Luciano Fabro. Ze staan in de vijver waarvan
Copers beide oevers verbonden heeft met een keten van brandende tl-lampen. Het
gevoel voor plaats en ruimte maakt dat tussen wildvreemde werken een band kan
ontstaan. Ook in Middelheim, zo blijkt. Elke dag om 14.14 uur, het hoogtepunt
van de zon, daalt vanonder de deur van het bootshuis witte rook of nevel de trap
af (een reconstructie van een werk van Copers uit 1977). Daarbij streelt hij
bijna de tekst van Lawrence Weiner op de achtergevel van het kasteel aan het
water: ‘Iron & Gold in the Air, Dust & and Smoke on the Ground.’ Die wonderlijke
coïncidentie ontging ook Copers niet. ‘Je zou bijna zeggen, het is de wil van
God.
‘Het beeld en het idee ontstaan simultaan in mijn hoofd’, zegt hij. Elke dag een
idee, zo nam hij zich ooit stellig voor, om nu vast te stellen dat ‘met het
ouder worden de bron iets minder opwelt.’ De uitvoering hangt af van de plaats,
het toeval en de omstandigheden. Zijn werk is niet zuiver conceptueel, omdat de
uitvoering even belangrijk is. Anders had hij wel geen moeite gedaan om enkele
vuursculpturen, die alleen als ontwerp bestonden, eindelijk te realiseren. Een
tastbare, materiële vorm hoeven de ideeën evenwel niet altijd aan te nemen. Zo
laat hij in 1988 in de stationshal van Lyon omroepen: ‘Dit is een
veiligheidsoproep. U wordt verzocht voortdurend over uw ideeën te waken. Gelieve
u ook niet bezig te houden met andermans ideeën.’ Het vervolg van de tekst mag
niet worden omgeroepen: ‘Achtergelaten ideeën zullen door de veiligheidsdiensten
worden vernietigd.’
MESSEN TREKKEN
Het moet gezegd, Leo Copers gaat geen gevaarlijke ideeën uit de weg. Dat heeft
hij onder andere gemeen met Filippo Tommaso Marinetti (1876-1944). In het
Braempaviljoen heeft hij een fragment uit diens Futuristisch Manifest
opgehangen. Daarin heeft de Italiaanse futurist het over de schoonheid van de
oorlog, zijn droom van een mens met een stalen lichaam, vlammende orchideeën en
de stiltes tussen het kanonnenvuur. Voldoende voor Copers om in 1974 diverse
varianten voor een Marinettimonument te bedenken. In een ervan wordt de bezoeker
in een ruimte opgesloten met drie fop- en één echte dynamietstaaf naast een
doosje lucifers. Kunstliefhebbers kunnen al dan niet het vuur aan de lont
steken. Het ding treedt nooit in werking. Het in Middelheim uitgevoerde
Marinettimonument bestaat in een geluidstape met machinegeweervuur. Het kan de
bezoeker onverhoeds in het park overvallen. Waar het de futurist bloedige ernst
was, lijkt Copers zich op z’n eigen wat lijzige manier ook altijd te vermeien in
de ‘truken van de foor’. Een kruising van Marinetti en Buster Keaton.
Bovendien schuilt, diep in hem, een soort moralist. Hij zegt: ‘Als je het werk
met de dynamietstaven ziet in het licht van hoe de mensen met elkaar omgaan en
elkaar met alle mogelijke middelen proberen van kant te maken, is dat natuurlijk
maar klein grut. Een keer een museum opblazen, een paar mensen dood. Niet erg,
toch? Het is natuurlijk wel erg, maar het is door dat voorbeeld te stellen dat
je de vinger kunt leggen op de echte wonde.’ Net nu hij zich bijna verkoopt als
een pacifist, volgt de omslag, die de dubbelheid in zijn werk blootlegt. Hij
zegt: ‘Ik kan Marinetti goed begrijpen. Kijk, toen die vliegtuigen in de Twin
Towers vlogen, belde ik naar vrienden in New York die het gezien hadden. En ze
hebben mij gezegd dat het zeer mooi was. Niettegenstaande alles. Veel van die
dingen zijn nu eenmaal mooi. Een ontploffing is ook mooi. Het is natuurlijk
minder mooi als je daarbij zelf uiteengereten wordt.’
Nooit vielen slachtoffers te betreuren bij een van zijn installaties, zo luidt
het. ‘Bijna een keer in het ICC, toen die vent die messen trok’, valt Martine
Kint in. De fotografe en partner van de kunstenaar is erbij komen zitten. Het
gebeurde in 1980 in het Antwerpse kunstencentrum ICC. ‘Ik had een werk dat nu in
het MuHKA is’, begint hij. ‘Twee messen zijn verbonden aan een motor, en zwaaien
rond, in een cirkel, ongeveer op gemiddelde keelhoogte. Ik stond al klaar met
mijn kap op mijn hoofd, om een tekst voor te lezen. En toen was er iemand die
een van die messen afgetrokken had. Dan ben ik met mijn kap op mijn hoofd naar
die man gegaan, en ik heb hem gezegd: “Kom, geef mij dat mes maar.” En hij heeft
mij dat mes gegeven. Ik gaf toen les in het Bijzonder Onderwijs en ik had van
mijn directeur een heleboel schoolmeestertruken geleerd, hoe je met kinderen die
vervelend zijn, kunt omgaan. Ik heb gewoon een van die truken toegepast en dat
heeft gelukkig gewerkt.’ Vandaag werkt hij nog voor 30 procent in het onderwijs.
Hij is gastdocent aan de academie in Gent, waar hij atelierbegeleiding geeft in
de afdeling Beeld en Installatie.
Zijn oeuvre is eindeloos, en eindeloos divers. Makers van een retrospectief of
een oeuvrecatalogus staan voor een schier onmogelijke opdracht. Middelheim koos,
begrijpelijk, voor de vroege ‘vuurwerken’ na 1969. Een mooi idee ware ook, een
overzicht van de motoren. In het boek Once upon a time (Toohcsmi uitgevers,
2006) beschrijft hij hoe hij in 1988 in de oude overdekte Vleeshal van
Middelburg in elke nis een draaiende elektrische motor plaatste. Het geluid
weerkaatste tegen de gewelven, op elke plaats in de ruimte klonk het anders.
‘Dat zorgde voor een zen-achtige ervaring’, schrijft hij. Een sleutelzinnetje,
achteloos ingepast tussen de rest? ‘Zen.... Het zijn ook absurde gasten’, zegt
hij aan het eind van het gesprek. ‘In de zen wordt er ook op een andere manier
omgegaan met het sérieux en de zwaarte van de wereld.’
U hebt zenboeken gelezen!
‘Nee, het is niet waar! Misschien maar één, Zen en de kunst van het
motoronderhoud. Ik weet niet of er nog andere zijn. Maar ik geloof dat cultuur
ook genetisch doorgegeven wordt, en dat er over de hele mensheid een
verwantschap in een manier van denken bestaat, met allemaal verschillende
accenten.’ Martine Kint vult aan: ‘Die motors hebben iets van boeddhistische
gezangen.’ ‘Ja,’ zegt Copers, en begint te gonzen, ‘het zijn cadeaus die je
krijgt als kunstenaar. Maar je kunt maar een cadeau krijgen als je eerst iets
gedaan hebt. Het effect van de motoren op die gewelven was niet voorzien. Maar
toen alles aanstond, was het daar.’ |