|
Jan Braet
Terug op de antieke weg
Over Luciano Fabro
Luciano Fabro (1936-2007) maakte eigentijdse beelden tegen een klassieke
horizon. ‘De Zuil van Genk’ werd zijn allerlaatste werk in opdracht.
‘Eeuwenlang bouwde een volk schoonheid om zich heen, gemaakt van licht, van
maat, van harmonie, later werd een generatie tot slaaf gemaakt door haar eigen
broeders, en in de hel gegooid, donker en vormeloos. Vandaag verenigt zij zich
om haar antieke weg te hernemen.’ Deze boodschap staat gegrift op de dekplaat
van De Zuil van Genk. De Genkenaars, allicht in overenstemming met de
kunstenaar, kennen er een specifieke betekenis aan toe.: de slavendrijvers waren
de mijnpatroons die uit arme regionen van een rijk land arbeidskrachten haalden
en veroordeelden tot zware arbeid onder de grond. De marmeren zuil van het
statische, Dorische type, wordt in het midden doorboord door een vormeloze,
zwarte steen. De verwijzing naar de delfstof die de arbeidsslaven van Beringen
tot Winterslag moesten bovenhalen, ligt voor de hand.
Genk heeft geen historische stadskern, de Genkenaars ontlenen hun identiteit
vooral aan hun wijken, lezen we bij Thérèse Legierse (Creatie als opdracht/Kunst
in Genk 2004-2006). De Zuil van Genk moet in oktober haar plaats innemen op het
herin te richten stadsplein. Dat is de plek waar de stedelingen hun feesten
vieren, van carnaval en 1 mei tot het voetbalkampioenschap.Voorlopig staat het
beeld opgesteld op een binnenplaats van het Maastrichtse Bonnefantenmuseum. Een
verweesde indruk geeft het vooral aan wie weet dat de ontwerper ervan in het
begin van deze zomer onverwacht overleed. De Zuil van Genk was het laatste werk
van Luciano Fabro (1936-2007), de Italiaanse kunstenaar uit de Arte
Povera-generatie _ ‘povera’ of arm veeleer zoals in de houding van Franciscus
van Assisië, ontdaan van overtolligheden, rechtstreeks communicerend met de
natuur.
Fabro onderhield een langjarige, intense relatie met België. Zowel in het SMAK
in Gent, het Middelheimmuseum in Antwerpen als in het MAC’s in Le Grand Hornu
zitten belangrijke werken van hem. In Hornu werd hij verwacht op de opening van
de tentoonstelling Sur un fil tendu, waar hij met de sculptuur I Prigioni
(gevangenissen) vertegenwoordigd is, toen het bericht uit Milaan over de hem
fataal geworden hartaanval arriveerde. I Prigioni bestaat uit twee marmeren
platen met een profiel dat aan naakte menselijke figuren herinnert. Ze zijn met
een koord vastgebonden aan een boomstam die tot aan de zoldering reikt. De
onfortuinlijken doen denken aan kompels-slaven zoals bij De Zuil van Genk. In de
vroegere steenkoolsite van Hornu zijn die natuurlijk eveneens op hun plaats. Het
werk laat zich ook lezen tegen een renaissance-achtergrond: voor het
grafmonument van paus Julius II ontwierp Michelangelo vier ‘Prigioni’, naar het
model van enkele ‘Schiavi’ (slaven-) beelden die hij in zijn atelier had staan.
De hedendaagse kunstenaar Fabro maakt evenveel aanspraak op monumentaliteit en
op een (boven)menselijke dimensie als Michelangelo. Hij onderscheidt zich vooral
van zijn illustere voorganger in het minimalistische en conceptuele gehalte van
zijn vormentaal. De Europese kunst vanaf eind de jaren zestig assimileerde de
gebaldheid van de Amerikaanse ‘minimal’ en ‘conceptual art’ in haar eigen taal,
zonder de geschiedenis als thematisch referentiekader af te wijzen. De ‘tabula
rasa’ van de Amerikanen namen ze nièt over.
Hoe goed bepaalde hoofdwerken uit de minimal art en de Arte Povera niettemin met
elkaar kunnen harmoniëren in dezelfde ruimte, is in het Bonnefantenmuseum te
zien. In de ronde torenzaal met cupola van architect Aldo Rossi vullen een
ruimte-omvattende Wall drawing van Sol LeWitt en Fabro’s sculpturale installatie
Prometeo elkaar perfect aan. Terwijl LeWitts doorlopende witte lijn als een
spiraal opklimt tegen de zwarte wand en daarbij een geometrisch streven naar
absoluutheid affirmeert, bakenen kleine marmeren kolommen van Fabro op de grond
een geometrisch afgemeten rampenzone af. Daarbinnen toont ‘de mens van
Tsjernobyl’ zich even fataal vermetel als de antieke figuur Prometeus, die het
vuur stal bij de goden. Ongewild werd de koepelzaal van het Bonnefantenmuseum
dus tijdelijk een mausoleum, gewijd aan twee grote kunstenaars uit het laatste
kwart van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw.
|