Writers

<< BACK TO JAN BRAET

 

 

 

Jan Braet
 

Een mondje Pools


Met bloemen, planten en dieren reactiveren jonge Poolse kunstenaressen de Tieltse stadstuin De Brababandere. Een ontmoeting in het groen, bij de tiende editie van Beelden Buiten.


Haar vader had gejaagd en het wild na de jacht op het gras uitgestrekt. Ze was hem als klein meisje naar het bos gevolgd, en bewaart de herinnering aan haar angst en fascinatie voor de dieren. Ze zagen er mooi en vredevol uit, alsof ze sliepen. Het was een vreemde schoonheid, omdat ze dood waren. Dagdromend probeerde ze hen te volgen, in levende lijve. Rusteloos als de zeekapitein, haar vader, verliet ze de vertrouwde bossen van Szczecin toen ze zeventien was. Een jaar, doorgebracht in Amerika, bezorgde haar een cultuurschok, maar maakte haar ook sterker. Ze belandde op de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en maakte van de fotografie het medium waarmee ze als kunstenaar wou werken. Eer ze er erg in had, waren zeven jaar verstreken en had ze in Amsterdam wortel geschoten. Bij de stof die zich vanzelf aandiende, zaten de herinneringen uit de kindertijd, de echte en de imaginaire. Monika Wiechowska en de dode herten.
‘Lange tijd kon ik de manier niet vinden waarop ik ze wou fotograferen. Ik kad het gevoel dat mijn foto’s meer met het jagen te maken hadden dan met de dieren zelf. Toen ik op een dag een foto negentig graden draaide, scheen het me toe dat het hert levend werd, rennend door een paradijselijke tuin. Zo kon ik in de kindertijd terugkeren.’ Een staand hert van Monika, een billboard zo hoog als een huis, is aangebracht tegen de gevel van de Europahal in Tielt. Het is het symboolbeeld voor de tiende editie van Beelden Buiten in de nabije stadstuin De Brabandere. Na het jaren anders geprobeerd te hebben, komt men opnieuw uit bij kunst uit een gastland, in dialoog met kunst van hier. Misschien lag het voor de hand dat ooit Polen aan de beurt zou komen. Acht Poolse soldaten op het kerkhof van Tielt, gesneuveld tijdens de bevrijding van de stad door de brigade van Stanislaw Maczek in 1944. Een Poolse zusterstad, Szamotuly, waarmee de contacten hartelijk en regelmatig zijn. De Tieltenaren verstaan graag een mondje Pools.
Magda Kardasz, curator aan de kunsthal Zacheta in Warschau, koos het beeld op de billboard om de expositie een smoel te geven, ‘om iets te zeggen over de nauwe verstrengeling van de idee van schoonheid en dood’. Een hoog-romantische idee, die iets dubbelzinniger wordt omdat Magda hem inpaste in een verhaal over de reactivering van een tuin (planten en dieren). Dat betekent in het Pools Powrot do ogrodu (rosliny i zwierzeta): of, waar een einde is, is ook een nieuw begin, dat in het vage gewikkeld blijft. Onbeschermd tegen de lange baksteenmuur in de tuin hangen Monika Wiechowska’s foto’s van in het donker oplichtende herten en van paddestoelen in het bos. Planten en dieren, in een droom gezien, verschijnen in de werkelijkheid van de tuin. En ze lijken de werkelijkheid, de tuin en de toeschouwer terug in de droom te willen duwen, omdat ze te kwetsbaar zijn. Hoeveel krassen en kwetsuren zullen ze oplopen, blootgesteld aan weer en wind en menselijke vernielingsdrang? Hoe flets en afgebladderd zullen de prachtig oplichtende beelden aan het einde van de tentoonstelling zijn (10.9), als ze die al halen?
Niet het stoffelijke omhulsel zal bewaard blijven, maar het ongrijpbare beeld daarachter, met zijn lading onvergetelijke herinneringen. Zo werkt Wiechowska altijd. Het volstaat, op het net of in albums, ander werk van haar te bekijken. Net als de herten voeren de lege kamers haar terug naar de kindertijd. Een van de foto’s is vanonder het bed genomen.
_ Was je achtergelaten in de kamer?
_ Nee, ik had me onder het bed verstopt.
_ Omdat je bang was?
_ Eerder bij wijze van spel. Toen ik de ruimte onder het bed herontdekte, ging ik instinctief fotograferen, omdat ik iets herkende uit het verleden. Maar ik hou ook erg van het claustrofobische aspect van deze foto.
In Amsterdam voelt Monika Wiechowska zich afgekoppeld van Polen, maar zoekt manieren om er met haar werk naar terug te keren. Dat kan haar ook elders brengen, zoals in Tbilissi in de republiek Georgië , waar ze een eenzelfde soort esthetiek (van het communisme?) aantrof als in het Polen van twintig jaar gelden. In de streek van de koolmijnen rond Katowice, ooit het rijke, geïndustrialiseerde hart van communistisch Polen, kwam ze niet zo lang geleden in een groot ontspanningspark aan. Gebouwd in de jaren zeventig, straalde het met zijn zoo, carrousels, relax- en genotszones nog de welvaart van die tijd uit. Sinds de koolmijnen sloten, kwam er hoge werkloosheid en armoede.
De sfeer in dit zuidelijk deel van Polen werkt erg deprimerend, ‘alles valt uiteen, zonder geld raakt alles in verval,’ zegt ze. Ook het pretpark bleef niet ongedeerd. Het is in geen jaren gerenoveerd, de speeltuigen roesten, en Monika Wiechowska begon te fotograferen. ‘Het is een zeer vreemde combinatie van verval en vermaak, van ontspanning, geluk en vormverlies.’ Het entertainmentpark met zijn specifieke jaren zeventig-architectuur, is gedoemd om elk moment te verdwijnen, of in iets anders te veranderen. Voor onbepaalde tijd is het een zone tussenin, waar de tijd gestopt lijkt. ‘Ik ben gefascineerd door dingen die langzaam verdwijnen,’ zegt ze.
MARGRIET
Af en toe stapt Malgorzata Markiewicz uit haar kleren, en legt ze in de vorm van een bloem op de grond terecht. In Tielt deed ze het vele malen, de tuin De Brabandere ligt er vol van. In alle kleuren en in vormen die de verbeelding prikkelen, niet het minst de erotische. Meisjes zijn bloemen? De kunstenares uit Krakow draagt zelf de naam van een bloem. Malgorzata betekent margriet in het Pools. Curator Magda Kardasz koos haar voor Tielt omdat de flowers van licht damestextiel passen in een levendige benadering van een beeldententoonstelling in de open lucht. Bij zoverre dat de tuin zelf erdoor gereactiveerd wordt: powrot do ogrodu (rosliny i zwierzeta). En net als bij de herten van Monika schuilt onder de schoonheid een notie van verval en dood. Er was nog maar een nacht over de ontkleedpartij en het bijhorende bloemschikken gegaan, of de konijntjes hadden al aan de kleren gezeten.
De grootste, de mooiste bloemen in het open midden van de tuin, zagen er in de eerste dagen nog quasi aangeroerd uit. Enkele exemplaren, in het donker tussen de struiken, lieten al uitschijnen dat ze er in afzienbare tijd vies, bepoteld en uiteengerukt bij zullen liggen. Wel, bloemen verwelken, en misschien is ook de erotische verbeelding soms niet te vertrouwen. Malgorzata: zegt: ‘De bloem is alleen voor een tijdje mooi. En dan wordt ze ouder, snel, als een vrouw, ja? De schoonheid van de vrouw wordt bewonderd door de kerels, maar die vernielen haar ook vaak met zeer groot gemak …’ In een Romeinse galerie toonde ze in mei grote kleurenfoto’s van de op de vloer gespreide Flowers . Maar in Tielt combineert zij de bloemen al met een idee dat aan een ander project ten grondslag ligt: ze is bezig met een reeks foto’s van achtergelaten kleren, schoenen en spullen die zij in parken en op publieke terreinen vond. Ze zal iemand vragen om de komende twee maanden af en toe in de tuin De Brabandere de werken te fotograferen. Zo zal ze het proces kunnen documenteren, van iets wat gaandeweg verandert van een textiele bloementuin in een zielig hoopje her en der verspreide vodden. Als het goed is, zullen de foto’s deel uitmaken van het project.
Malgorzata Markiewicz werkt graag met wat het dichtst bij het lichaam ligt. ‘Kleren nemen de geur van het lichaam over, ‘ zegt ze, ‘ het zijn gezellen, getuigen van wat ermee gebeurt. Ze veranderen met ons en als we ze hebben afgelegd, brengen ze de vorm in herinnering van het lichaam dat ze gedragen heeft. Ze zijn als een sculptuur zonder het lichaam, een negatieve vorm. Ik hou van textiel omdat het de vorm van het lichaam herhaalt, zoals een format.’ Opmerkelijk voor iemand die een opleiding genoot in de beeldhouwkunst, verstrekt door ‘professoren, sterke mannen die grote monumenten maakten. Naast hun werken zagen de mijne er zacht en fragiel en feminien uit.’
Het vege lijf inspireert haar even goed als het sociale lichaam. Voor haar 100% recyclage project in Lille en Krakow (2004) stelde ze uit tweedehandskleren van verschillende mensen nieuwe pakken samen met superlange mouwen _ verwijzend naar onze relaties waarin we ons soms als slaven gevangen voelen, maar ook naar de consumptiecultuur die ons dwingt om dingen snel weg te gooien. De bezoekers werd gevraagd om de gerecycleerde kleren aan te trekken, erin rond te lopen en aan anderen door te geven. Velen wilden ze kopen. Nog in Krakow in hetzelfde jaar linkte ze in het project Warm-koud het renaissancepaleis in het hart van de stad met de vunzige metrohalte aan het spoorwegstation, toevluchtsoord van daklozen. De ruimtes tussen de zuilen van het paleis vulde ze met afgedragen kleren ‘om de ruimte te verwarmen’, zoals daklozen dat doen. Ooit breide ze een reusachtig spinnenweb (Cobweb), waarin ze zelf plaatsnam. Als vlieg of als spin, het antwoord bleef in het midden, maar in elk geval dacht ze aan indianen in Zuid-Amerika die geloven dat de grootmoeder-spin heel de wereld gecreëerd heeft.
Zoals wel meer kunstenaars van haar generatie, ligt het doen _ het proces _ haar nauwer aan het hart dan het resultaat. Eigenlijk gaat het bij Malgorzata Markiewicz zelfs om een therapie, een manier om door tijd en energie opslorpende projecten in het reine te komen met zichzelf, anders te gaan leven en anderen uit te nodigen om dezelfde weg op te gaan. Dat was erg duidelijk in de actie in Oddychaj (ademen) in Krakow, toen ze _ ondanks de weigering van de overheid _ op alle mogelijke dragers de publieke (en een deel van de private ) ruimte wilde bestrijken met de boodschap “ademen!”. Malgorzata bedoelde haar oproep voor ‘mensen die gehaast zijn en kreunen onder de stress. ‘We kunnen vergeten te eten, te kopen, ergens naartoe te gaan, maar we moeten ademen om te leven. Maar mensen slagen erin om zelfs dat nog te vergeten.’ Zij kon het weten, want ze verkeerde in hetzelfde geval, en dat was ook de oorzaak van de problemen die ze met anderen had. Tot ze yoga ontdekte, een manier om zuurstof in overvloed te krijgen, juist te ademen, zich te ontspannen, geestelijk gezond te worden en een plaats te vinden ‘in de stad en in het leven.’
BOOTTREKKERS
. Julita Wojcik had het gevoel dat ze als Poolse in Tielt vriendelijker behandeld werd dan andere vreemdelingen. Vanwege de bevrijder van Tielt, Stanislaw Maczek, wiens naam op de rode papaver slaat, lievelingsbloem voor wie oorlogsslagvelden in ere houdt? Op straat ontmoette ze drie Poolse meisjes, en ze hoorde dat veel Polen hier komen om het kerkhof met de acht gesneuvelde landgenoten te bezoeken. Van de immigratie van Poolse arbeidskrachten in ons land, bespeurt Tielt alsnog niets. Maar men is waakzaam.. ‘De mensen denken dat we in België komen werken, en in zekere zin is het nog waar ook,’ zegt curator Magda Kardasz. Voor Julita Wojcik geldt dat nog het meest. Haar bijdrage voor Beelden Buiten vereiste immers een aardig stukje tuinieren. In een stil hoekje van de tuin heeft ze haar Model voor een nuttige parksculptuur geïnstalleerd. Zijn dubbele functie als lezenaar en compostbak demonstreerde de kunstenares uit Gdansk tijdens de openingstoespraken. Gehuld in een zelf ontworpen bi-functionele dress (voor officiële gelegenheden en om te tuinieren), harkte ze blaadjes bijeen. Op het geschikte moment opende ze de lezenaar om er het bijeengeharkte samen met een zak wormen in te deponeren..
‘De lumbricus-wormen zijn cosmopolitiete dieren, omdat zij geen grenzen kennen. Ik was van plan om een aantal Poolse wormen mee te brengen, maar ik reisde per vliegtuig, en de luchtvaartautoriteiten vonden dat te gevaarlijk, en ik ook’, bekent Julita Wojcik. Terloops wijst ze op het bestaan van de Europese Unie, waarin we tenslotte allemaal ‘snel en ongehinderd bij elkaar kunnen komen.’ Het werk van de regenwormen zet het afval om in waardevolle natuurlijke bemesting. Zo wordt het biologische leven in de grond geactiveerd en de plantengroei bevorderd. Ook het decoratieve, kunstzinnige aspect vergat Julita niet. Rond de lezenaar legde ze geometrische perkjes aan. De witte en rode bloemetjes verwijzen naar de Poolse vlag. De combinatie van gele en blauwe heeft geen speciale symboliek, wat in het eengemaakte Europa toch niet noodzakelijk hoeft, zo vindt ze.
Niet voor het eerst houdt Julita Wojcik zich bezig met het revitaliseren van een park. Dat was exact wat ze deed in een verarmde en wat ongure wijk van Gdansk in 2002. Het Schopenhauerpark, zo genoemd naar de Duitse filosoof die in Gdansk/Danzig werd geboren, lag er verwilderd bij. In het kader van het kunstenproject City Transformers bedacht Julita er een oplossing voor. ‘Het was er nogal smerig en er waren woekerende struiken, hoog opschietend gras, vervuild water’, vertelt ze. ‘Dus huurde ik drie geitenjongen om het park te reinigen.. Geiten zijn bijzondere dieren omdat ze alles kunnen eten. Er kwam nieuw leven in het park, van een andere sociale samenstelling dan voorheen: de bier drinkende mannen bleven weg, en er kwamen kinderen om met de geiten te spelen en ze te voederen. Nu hoefden de geiten het gras niet meer, want ze kregen kool en appels van de kinderen. Het park werd er niet properder op, maar ik had de manier veranderd waarop het werd gebruikt.’
Het had wat voeten in de aarde eer Julita Wojcik wist wat ze wilde. Na haar opleiding sculptuur in de kunstschool kon ze drie jaar lang geen kunst meer zien: veel te ernstig en te gesofisticeerd. Voor een muziektheater hield ze zich bezig met computergrafiek. In contact met gelijkgezinde Oost-Europese kunstenaars van haar generatie, vond ze ten slotte haar manier om aan kunst te doen: met humor en relativeringsvermogen. ‘Mensen op een andere manier doen denken, hen doen lachen. Geiten zijn om te lachen, en ook de combinatie van wormen met officiële vernissagesprekers kan best grappig zijn’, zo meent Julita. Haar curator Magda Kardasz spreekt over ’acties in het alledaagse leven, die altijd een sociale dimensie hebben.’ Aardappelen schillen in het museum, haakwerkjes maken met cryptische motieven en natuurlijk tuinieren. Haar allereerste project was ooit het aanleggen van een bloemenperk in een braakliggende zone tussen twee drukke straten in Gdynia in de streek van Gdansk waar ze vandaan komt..
‘Ik werk graag op verwilderde en vuile plekken; niet in de smetteloos white cubes van de kunstwereld,’ zegt ze. En als het even kan, ook graag in de buitenlucht. In het kader van een Europees kunstenproject verzeilde ze onlang in Riga, gelegen aan beide oevers van de Daugava bij haar monding in de Oostzee. De overheid wil het historische hart van de stad op de ene of andere manier verbinden met een geheel te renoveren stadsdeel aan de andere kant, waar de haveninstallaties zijn. Daar, op het terrein van een afgedankte scheepswerf, waar nog altijd boten en kranen zijn en straks een ontspanningscentrum moet verrijzen, begaf Julita zich te water: ‘Ik was er een kajakmeisje en voer over het water. Tussen mij en de grond was een touw gebonden. Kajakkend probeerde ik de grens te verleggen, het nieuwe en het oude stadsdeel dichter bij elkaar te brengen. Dat was uiteraard Sisyfusarbeid. Wie Ilja Repin kent, zag zo diens schilderij Boottrekkers van de Wolga voor zich.’
Magda, Monika, Malgorzata en Julita hebben de Tieltse tuin, zijn planten en dieren, gereactiveerd. Powrot do ogrodu (rosliny i zwierzeta). Nu moet de natuur zijn werk doen. Jammer alleen dat de twee Belgische kunstenaars in de tuin _ Francis Denys en Wim Wauman _ zich niet in het verhaal lieten verweven. Misschien hadden ze niet genoeg aan een mondje Pools.

TOP