|
|
Jan Braet
EEN ZEER BIJZONDER ONDERWIJS
Thomas Hirschhorn palmt een vleugel van het Bonnefantenmuseum in met een
‘anarchistische’ school. Absolute vrijheid is de zin van zijn kunstenaarschap.
Een museum is ook een school. Wat er wordt bewaard, vinden we niet alleen mooi,
we leren er ook uit. Althans, zo wilden het de grondleggers van het moderne
publieke museum in de late achttiende eeuw. Wie wel eens een museum bezoekt,
weet dat hij er nooit alleen zal zijn. Altijd zullen schoolkinderen, in het zog
van klasleraar of gids, zijn pad kruisen. In het tabaksmuseum, het museum voor
oude kunst of het schoolmuseum. Daar representeren zorgvuldig geselecteerde
objecten al het memorabele uit het verleden. Een museum voor actuele kunst kan
dat per definitie niet. Wat vandaag gemaakt wordt, kan over tien jaar misschien
niet meer de moeite waard gevonden worden. Dat blijkt pas duidelijk wanneer de
trend van de dag eenmaal overgewaaid is.
Het Bonnefantenmuseum in Maastricht bezit een collectie oude kunst waarin Rubens
en Van Dyck, Jordaens, Pieter Aertsen en Pieter Brueghel de Jonge de rijkdom van
de Zuid-Nederlandse schilderkunst van de vijftiende tot zeventiende eeuw
etaleren. De consensus dat het om belangrijke kunstenaars gaat, is algemeen. In
de collectie ‘hedendaagse’ kunst horen al enkele vaste waarden thuis. Marcel
Broodthaers en Joseph Beuys, die al dood zijn. Bruce Naumann, Richard Serra en
Luciano Fabro, die het leeuwendeel van hun oeuvre voltooid hebben.
Internationaal betwist haast niemand hun artistieke waarde, noch hun plaats in
het museum. De vragen rijzen bij de jongere generaties. Van Fons Haagmans, Roman
Signer of Joëlle Tuerlinckx kocht en toont het Bonnefantenmuseum omvangrijke
ensembles. Dit terwijl de discussie over het belang van hun werk nog in volle
gang is.
Dat zovele musea voor actuele kunst met een nijpend tekort aan depotruimte
kampen, komt niet alleen omdat installaties meer plaats vragen dan schilderijen,
maar ook omdat er zoveel gekocht wordt. Als we wachten tot de kunstenaar
renommee heeft, kunnen we zijn werk niet meer betalen, zo luidt vaak de
verdediging van die kooplust. En ook dat is nu eenmaal waar. Musea met actuele
collecties vertonen in de regel de neiging om riskante dingen te doen. Hun
keuzes zijn nogal eens ingegeven door kortstondig enthousiasme, niet door de
wijsheid van afstandname.
Maar hoe kan het anders? Dag in dag uit bezig met het volgen en tonen van de
gevoeligheden van het moment, happen ze toe als ze de kans schoon zien. Het is
sterker dan henzelf. En ze beseffen het wel. Ze weten dat ze zondigen tegen de
klassieke opvatting van kwalitatief kiezen, de historische selectie van het
waardevolle, het nastreven van consensus en universaliteit. Ze dromen van een
uitgepuurde opstelling van uitgelezen esthetische objecten in smetteloze
ruimtes, en komen voor de dag met flauwe compromissen. Behalve dan, soms, in
tijdelijke tentoonstellingen. Maar daar heb je geen museum _ toch in de eerste
plaats een bewaarplaats van objecten _ voor nodig. Een kunsthal volstaat daartoe
ruimschoots.
Mateloosheid
Thomas Hirschhorn (48) behoort tot het slag van internationaal gereputeerde
kunstenaars die al bij voorbaat zelf hun plaats in het museum op de helling
zetten. Ze wijken radicaal af van de standaardverwachtingen inzake
kunstproductie en musealisering. Hun aanwezigheid in het museum is dan ook
meestal slechts van voorbijgaande aard. In een buitengewoon energieke campagne
produceerde Hirschhorn onlangs een enorme janboel waarmee hij voor de duur van
vijf maanden (tot 11.9) maar liefst 1000 m2 tentoonstellingsruimte in het
Maastrichtse Bonnefantenmuseum opeist. Zijn Anschool ziet er op het eerste
gezicht uit als een ietwat oubollige maar niettemin modieus antiglobalistische
of anarchistische school. Daarin recycleert hij 15 ‘installaties’, gemaakt
tussen 1992 en 2004, op een productieve manier.
De in Parijs levende Zwitser streeft niet in de eerste plaats naar kwaliteit,
naar uitgelezen objecten in waardevolle materialen, laat staan naar een
uitgepuurde opstelling ervan in smetteloze museumruimten. Hij wil dat zijn werk
bovenal energie uitstraalt, en lucht geeft aan zijn ‘woede en opstandigheid over
de menselijke staat’. Voor elk nieuw werk, resultaat van een denk- en
vormgevingsproces, brengt hij een massa objecten samen in goedkope materialen.
Eigen en geciteerde teksten, foto’s uit tijdschriften, in folie verpakte
sculpturale vormen en alledaagse voorwerpen, video’s en dia’s. Een massa tape
houdt de boel aan elkaar. Sommige onderdelen zijn gelinkt door een web van
blinkende, zilverkleurige, rode of blauwe tentakels. Ze doen aan de contouren
van een tekening in de ruimte denken. Kunst- en realiteitsgehalte botsen er op
elkaar, en komen erg confronterend over op het publiek. De opstelling ervan
berust op een overdadige maar erg uitgekiende lay-out, de vorm verkeert in een
precaire staat. Als ‘installatie’ gebonden aan een bepaalde plaats en tijd, kan
het werk later eventueel gerecycleerd worden op een nieuwe plaats, gedurende een
zekere tijd.
Tekst, beeld en plastische vorm grijpen in elkaar, en brengen nieuwe, overdadige
productie op gang. ‘Ik wil vorm geven’, schrijft Hirschhorn, ‘vorm geven is mijn
artistieke engagement. Kunst is voor mij een werktuig, een werktuig om de wereld
te leren kennen, een werktuig om de werkelijkheid te ontdekken, een werktuig om
het verstrijken van de tijd te ervaren. Ik vraag me niet af of mijn werk
functioneert. Ik denk dat het om utopisch te blijven niet moet functioneren. Ik
wil niet werken voor de waan van de dag. Schoonheid dient gevrijwaard te blijven
van kapitalisme. De waan van de dag zet aan tot een vlucht in het persoonlijke,
het particuliere, het geselecteerde, het uitverkorene, de
pseudo-zelfbeschikking. De waan van de dag weerspiegelt de angst voor
identiteitsverlies. Ik wil mijn werk verrichten als een strijder. Alles moet van
binnenuit komen, uit mijzelf in confrontatie met mijzelf. Ik geloof in het
verzet in de kunst. Ik wil werken met wat van mij is en ik wil vrij blijven.’
Hirschhorn heeft een dialectische verhouding met het wereldkunstcircuit, dat hem
sinds 1992 adoreert als een star zonder ooit vat op hem te krijgen. Op de
Documenta 11 in 2002, Kassel, koos hij als enige onder de 116 kunstenaars om
buiten de officiële expositieruimten te blijven. Hij construeerde zijn Monument
voor Georges Bataille in een migrantenwijk in het noorden van de stad, in nauwe
samenwerking met de jonge bewoners. In plaats van een klassiek beeld op een
sokkel, rees er een nederzetting van houten barakjes uit de grond. Die bestond
uit een lokaal tv-station, een bibliotheek- en exporuimte, een eet- en
drankstalletje en een sculptuur van hout, karton, kleefband en plastic. De fors
opzwellende, organisch-abstracte vormen van de sculptuur op het pleintje, leken
de geest van de in 1962 gestorven Franse filosoof met zijn leer van
mateloosheid, verlies en seksuele losbandigheid, goed weer te geven.
Vergelijkbare, precaire monumenten had Hirschhorn al opgericht voor Spinoza _ in
1999, in de Amsterdamse rosse buurt _ en voor Gilles Deleuze, in 2000 in een
sociale woonwijk in Avignon. Dit laatste werd al snel door vandalisme
geteisterd, waaruit de kunstenaar het besluit trok dat zijn werkwijze een
constante aanwezigheid vereiste. Het geplande monument voor de Italiaanse
politieke filosoof Antonio Gramsci is nog niet opgericht. Waarom filosofen? ‘Ik
maak monumenten voor filosofen omdat ze iets te zeggen hebben’, verklaart
Hirschhorn. ‘Filosofen kunnen de moed geven om te denken, het genot om te
reflecteren. Ik hou van de sterke zin in filosofische geschriften, de vragen
over het menselijk bestaan en hoe mensen kunnen denken. Ik hou van fulltime
denken. Ik hou van filosofie, al snap ik een deel van hun reflectie niet. Ik ben
geboeid door niet-moralistisch, logisch, politiek denken. Ik ben geboeid door
ethische kwesties.’
Noodbibliotheek |