|
Hans Theys
Zelf een tentoonstelling van Tuerlinckx bouwen
In 1999 hield ik een reeks van acht lezingen over acht verschillende kunstenaars
in het Museum Dhondt-Dhaenens. Een van die kunstenaars was Joëlle Tuerlinckx.
Voor elke lezing bracht ik enkele kunstwerken van de kunstenaar in kwestie mee,
opdat de mensen mijn woorden zouden kunnen vergelijken met de werken. Toen ik
Tuerlinckx vroeg of ze mij enkele werken wilde meegeven, overtuigde ze mij een
echte tentoonstelling op te bouwen. Op een uur tijd leerde ze mij hoe ik een
dertigtal werken kon opbouwen, hielp ze me mijn bescheiden gezinswagen vol te
stouwen met tientallen voorwerpen: een pak wit kneedgips, een oranje en een wit
touw, lappen stof, gekleurde, papieren carnavalballetjes, metalen en plexiglazen
ribstructuren, etc. en vervaardigde ze een certificaat dat mij het recht
verleende die avond, voor de duur van de lezing, werken van haar voor authentiek
te verklaren.
Op dat ogenblik had ze nog nooit eerder iemand anders werken van haar laten
maken of opstellen. Toch gaf ze alles uit handen. In plaats van mij twee of drie
duidelijk afgebakende werken mee te geven, stuurde ze mij op pad met een grote
voorraad materiaal en een aantal instructies en regels. Zo begreep ik hoe haar
werk ontstaat door een samengaan van grote vrijheid en precieze regels.
Ik boorde een gat met een diameter van 1 centimeter in de muur en liet het
boorsel op de plint en de grond liggen. Achterin het museum stond een
verplaatsbare wand op wieltjes die maanden eerder, voor een
groepstentoonstelling, met krijt doorstreept door Tuerlinckx. Ik keerde de
gearceerde wand naar het publiek. Ik plaatste een sterke lamp waarvan het licht
tijdens de hele lezing langzaam aan en uit ging, zodat de geprojecteerde dia’s
constant minder of meer zichtbaar werden. Ik kleefde een stukje rode tape op een
episcoop en projecteerde die vlek in de buurt van de aan- en uitgaande lamp. Op
een witte sokkel legde ik een aantal rijtjes papieren cirkeltjes die ik uit de
perforator van de secretaresse van het museum had gehaald. De ‘cotillons’ wierp
ik tegen een plint, zoals bij het spelletje met geldstukken. Met het kneedgips
probeerde ik zo klein mogelijke kneepjes te maken. Ik bakende een grote
rechthoek af met het samengeknoopte, oranje touw en plaatste daarin een metalen
ribstructuur in de vorm van een kubus. Etc. Etc.
Terwijl ik die zaken over de vloer verspreidde, arriveerden de eerste
verzamelaars en verzamelaarsters, die ieder op hun beurt een werk verpletterden
of door elkaar schopten. Ik vroeg twee dames om de nieuwkomers aan de ingang te
vragen naar de vloer te kijken als ze het museum betraden. Het werkte. Er werden
maar twee of drie werken meer stuk getrapt. Ik voelde hoe moeilijk het was zo
snel zo’n precieze sfeer te scheppen. Ik voelde hoe het werk in het niets
dreigde te kantelen. Het zweet brak mij uit. Ik tapte een kop koffie uit mijn
thermos, werd weer kalm, en verwijderde alles wat niet strikt noodzakelijk was
om een beeld op te roep van het werk van Tuerlinckx. Ik begreep dat ik misschien
alles moest opruimen, behalve de aan- en uitgaande lamp, het gat in de muur en
de elf papieren rondjes op de sokkel. En eigenlijk klopte dat. De sokkel stond
in de buurt van de bar. Tijdens de pauze had ik alle tijd om te kijken hoe de
honderd verzamelaars omgingen met de tentoonstelling. Eerst gingen ze allemaal
een drankje halen en dromden ze samen rond de anderhalve meter hoge sokkel.
Daarna verspreidden ze zich over de ruimte. De meeste mensen liepen op hun tenen
rond, knielden af en toe of probeerden een werk voorzichtig te betasten. Maar
niemand merkte het sculptuurtje op de sokkel op. Toen ik het werk maakte had ik
geaarzeld, omdat ik vermoedde dat Tuerlinckx zo’n werk nooit op een sokkel zou
leggen. Maar toen ik zag dat niemand er ook maar de minste aandacht aan
besteedde, vond ik het mijn beste Tuerlinckx.
Montagne de Miel, augustus 2002 |