Writers

<< BACK TO JOHAN PAS     

 

 

 







Johan Pas

 

MARTIN MALONEY: MOVING WITHIN THROUGH AN INTERVENTION



moving from the private to the public
moving within through an intervention
moving from the public to the private

(M.M., Five days and five nights, 1971)

 

De kunstgeschiedenis is een zee met vele wrakstukken. Enkele daarvan drijven boven, de meeste liggen haast onbereikbaar verzonken op de zeebodem. Als kunsthistoricus kan je surfen op de golven, en en passant de bovendrijvende oeuvres oppikken, of je kan gaan diepzeeduiken in de hoop minder bekende en evidente kunstenaars te ontdekken. Zo moet je vandaag tot op de bodem gaan om in de literatuur de naam Martin Maloney (1938 – 2003) terug te vinden, en dan nog tref je er slechts losse fragmenten en vage sporen van een oeuvre aan. Nochtans stond deze Amerikaanse kunstenaar ooit mee aan de wieg van de conceptuele kunst, had hij nauwe contacten met ondertussen ‘klassieke’ conceptuelen, en nam hij deel aan een aantal cruciale tentoonstellingen van de late jaren zestig en de vroege jaren zeventig. In die periode werd hij vertegenwoordigd door de top-galerieën van de toenmalige avant-garde, zoals Seth Siegelaub (New York), Konrad Fischer (Düsseldorf), en Art & Project (Amsterdam). De man stak zijn kritiek ten opzichte van het artistieke establishment en zijn collega-kunstenaars echter niet onder stoelen of banken, en nam die zelfs uitdrukkelijk als vertrekpunt voor een aantal op postkaartformaat gerealiseerde en gepubliceerde ‘language pieces’ (‘Designation Deposits’ en ‘Reject Object Deposits’, 1967-2001). Deze weerbarstige en polemische kunstpraktijk, gekoppeld aan zijn radicale standpunten en zijn specifieke temperament, isoleerde de kunstenaar echter meer en meer van de artistieke context. Op het moment dat Martin Maloney op 65-jarige leeftijd in zijn Antwerpse atelier overlijdt, is hij materiëel verarmd en onderhoudt hij slechts sporadisch contacten met de kunstwereld. Maloney’s ‘eigenzinnige’ houding had uiteraard ook andere consequenties. Net door zijn (in grote mate) zelfgekozen isolement sneed hij zich af van de diverse kanalen die de kunstgeschiedenis construeren: galeristen, verzamelaars, critici, curatoren, conservators, kunsthistorici, collega-kunstenaars. Bovendien vernietigde hij zelf veel van zijn werk. Het gevolg van dit alles is dat hij nauwelijks voorkomt in de belangrijke canoniserende publicaties die sinds de jaren zeventig aan de conceptuele kunst gewijd zijn.. Door zijn radicale kritiek ten opzichte van de kunstwereld op papier te zetten, schreef Martin Maloney zichzelf letterlijk ‘weg’ uit de kunstgeschiedenis.

Na zijn ‘drop-out’ van de universiteit, vestigt Maloney zich in 1962 als kunstenaar in New York. Aanvankelijk koestert hij een grote belangstelling voor het werk van de naoorlogse New York School schilders als Ad Reinhardt, Barnett Newman, Mark Rothko en Jackson Pollock, maar gaandeweg verlegt zijn aandacht zich van de picturale naar de tekstuele en immateriële kunstvormen die vanaf het midden van de jaren zestig beginnen op te duiken. Hij deelt een studio met Lawrence Weiner en onderhoudt contacten met kunstenaars als Carl Andre, Joseph Kosuth en Dan Graham. In 1966 neemt Maloney deel aan de beruchte “25” groepstentoonstelling, georganiseerd door de jonge dealer Seth Siegelaub, die zich enkele jaren later tot de grote promotor van de conceptuele kunst zal ontpoppen. Maloney zal nog diverse malen bij Siegelaub exposeren, en via deze vooraanstaande galerist ook in diverse belangrijke Europese galerieën tentoonstellen. In die periode is de kunstenaar echter op zoek naar alternatieven voor de klassieke galerie-tentoonstelling. In vele gevallen gaan zijn solo-tentoonstellingen dan ook gepaard met, of nemen ze zelfs de vorm aan van een kunstenaarsboek. Voorbeelden daarvan zijn ‘Interguments’ (1969), ‘Fractionals’ (1970) ‘Reject Objects’(1971) en ‘Five days and five nights’ (1970). Dit laatste boekje verscheen op een oplage van 500 exemplaren naar aanleiding van Maloney’s one man show in de Brusselse galerie MTL. Maloney liet zich gedurende een week in de galerie opsluiten om er gedurende vijf dagen en vijf nachten aan een aantal poëtische statements te werken, die na de ‘tentoonstelling’ tot het betreffende boekje werden gebundeld. De conventionele presentatie van objecten in een ruimte maakt hier plaats voor de rechtstreekse communicatie van ideëen in drukwerk.

In zijn volgende tentoonstelling, die plaats vindt in de Londense Lisson Gallery (1971), zet Maloney nog een stap verder. Na de verspreiding van een door de kunstenaar ontworpen tekstposter, neemt Maloney plaats in de galerie en gaat er gedurende de looptijd van de tentoonstelling de directe confrontatie aan met zijn publiek. De door de contacten ontstane inzichten en frustraties schrijft hij in wit krijt op de zwart geschilderde muren van de kelderruimte. Na een kortstondig verblijf te Londen, verhuist Maloney in 1973 naar Amsterdam, waar hij de hardcore concept kunst achter zich laat en ondermeer minimalistische houtsculpturen en tekstschilderijen realiseert. Na vier jaar keert hij echter terug naar New York, om er zich gaandeweg terug te trekken in de beslotenheid van zijn atelier, dat een labo wordt voor talrijke installaties en presentaties. Van 1995 tot aan zijn dood verblijft hij te Antwerpen, waar hij in 2000 op uitnodiging van Flor Bex een muurschildering realiseert in het MUHKA. Maloney betrekt er een atelier/woonruimte in een bouwvallig pand aan de Jordaenskaai 13. In de zes kamers van Maloney’s Antwerpse werk- en leefplaats, vinden we, naast een aantal ‘language pieces’ en andere werken, nog de resultaten van zijn allerlaatste artistieke experimenten. Het zijn minimalistische ‘floorpieces’ en hoekstapelingen, samengesteld uit stukken neergevallen plafondplaaster, behangpapier, textielrestjes, jute en houten balkjes, afkomstig van de massief eiken deuren in het pand. Als een architecturale archivaris recycleerde en ordende Maloney de materialen van het aftakelende pand tot geometrische composities. Het lijken de materiële sporen van een secure en tijdrovende monnikenarbeid; alsof de rustige, repetitieve activiteit van de handen een noodzakelijke remedie vormde tegen de chronische onrust van de geest.

 

Johan Pas, Ekeren, januari 2004

TOP