|
Johan Pas
MINIMAL IS DEAD
Bij het werk van Sergio De Beukelaer
De ‘Vooruitgang’ behoort voorgoed tot het verleden. Ergens in de jaren 1970 kantelt de moderniteit in haar melancholische tegenpool, de nostalgie.Voor kunstenaars die nu rond de dertig zijn, is het modernisme dan ook geen herinnering meer, maar geschiedenis. Zij (her)kennen de brokstukken, fragmenten en sporen ervan in musea, naslagwerken en overzichten. Die retrospectieve blik op moderne kunst, architectuur en design resulteert vandaag in een haast weemoedige omgang met de vormentaal van het utopische modernisme uit de decennia na WO 2. Net zoals de renaissance haar posthume verderleven kent in het behaagzichtige maniërisme, en de barok in de excessen van de rococo, zo kennen de producten van het moderne uit de vorige eeuw hun ‘wedergeboorte’ in het werk van een aantal jonge kunstenaars die naar believen grasduinen tussen de relieken van de avant-garde. Deze retro-avant-garde tendens vinden we zowel bij internationale kunstenaars (denk ondermeer aan Ugo Rondinone, Tobias Rehberger en Jorge Pardo) als bij een aantal jonge Belgen.
Zo lezen we bijvoorbeeld sporen van het (neo)constructivisme in de architecturale interventies van Jan De Cock, aspecten van de minimal art in de sculpturale environments van Boy Stappaerts, strategieën van de conceptuelen in de informatienetwerken van Nico Dockx en diverse echo’s van radicale abstractie in de schilderijen en installaties van Steve Van Den Bosch. Elk van deze jonge kunstenaars opereert op een volstrekt persoonlijke manier binnen een kader waarin het modernisme geen expliciete ideologie of attitude meer belichaamt, maar gereduceerd is tot een stilistische inspiratie of een historische referentie. Deze ‘afrekening’ met de avant-garde is bij ander inzien definitiever dan die van de neo-expressionisten en neo-conceptuelen van de jaren 1980, voor wie het modernisme immers nog de kracht bezat van een te neutraliseren opponent. Voor de jongere, ‘post-post-moderne’ generatie is het moderne echter geen reële vijand meer, maar een mythe. Net de perverse revival van de modernistische stijlstrategieën in hun werk impliceert de definitieve bijzetting ervan in de geschiedenis. De naoorlogse modernen mogen opnieuw openlijk vereerd worden en zijn dus eigenlijk morsdood. Hun kritische rol is immers voorbij, hun mythische is begonnen.
Ook in het werk van Sergio De Beukelaer (°1971) lijkt de posthume revival van het moderne een feit. Bij nader inzien zit die renaissance echter vol defecten, manipulaties en tegenspraken. De avant-garde van de jaren 1950-1970 komt in zijn schilderijen en sculpturen als het ware terug tot leven, maar niet zonder kleerscheuren. De Beukelaers flagrante modernisme heeft dan ook een hoog zombie-gehalte.Hij hanteert naar hartelust diverse codes uit de laat-moderne schilderkunst van de jaren vijftig en zestig zoals geometrische abstractie, radicale monochromie, shaped canvas technieken en hard-edge precisie, maar hij doet dat met een aan het vrijblijvende grenzende speelsheid die onverzoenlijk lijkt met de orthodoxie van de meeste minimalistische en fundamentele kunstenaars. Een blauwe monochroom wordt ‘verstoord’ en tot illusionair realisme gedwongen door er een witte pijl en ‘Deurne, 1500 m’ op te zetten. De Beukelaers eclectische adaptatie van laat-modernistisch jargon en zijn stijlsimulaties zijn ten dele ironisch, maar vormen geen ‘kritiek’ op het werk van voorgangers uit pop, op, minimal en concept art.
Het lijkt er De Beukelaer integendeel eerder om te doen de schilderkunst in ere te herstellen, haar te ontdoen van haar muffe en melancholische post-conceptuele imago en haar te voorzien van een energiek ‘rock ’n roll-gehalte’. Zijn sampelen van (vooral angelsaksische) avant-garde codes en termen is wel eens vergeleken met het werk van een d.j..Er valt inderdaad een zekere parallel te bespeuren tussen de muzikale bricolage-tactieken van de hedendaagse sampler en De Beukelaers behendige surfen op de golven van de modernistische schilderkunst. Zijn citeren vormt echter geen postmodern doel op zich, maar is een onderdeel van zijn masterplan het schilderij nieuw leven in te blazen door krachtige beelden te creëren. Daarvoor put hij zowel uit zijn persoonlijke suburbane biografie als uit de naoorlogse kunstgeschiedenis. Bij nader inzien blijken de schijnbare tegenstellingen van esthetiek en kritiek, high en low art, ambacht en serieproductie, abstractie en figuratie, tekst en beeld, vlak en ruimte, schilderij en sculptuur, concept en compositie elkaar te besmetten én te bevruchten. Een resultante van deze kruisbestuiving is bijvoorbeeld de ‘fat canvas’, die, met een vette knipoog naar de shaped canvas van de jaren 1960, van de wand stapt en in de ruimte treedt.
‘The location of the painting is the painting’ noteert De Beukelaer op een van zijn werken. Het schilderij is voor De Beukelaer niet enkel de cruciale plaats waarin het zichzelf manifesteert, maar vormt tegelijkertijd de plek van waaruit elk discours over schilderkunst zich ontvouwt en waar het tot terugkeert. De fysieke geste van het schilderen en de conceptuele reflectie over het schilderij gaan bij De Beukelaer naar eigen zeggen hand in hand. Elders omschrijft hij de schilderkunst dan ook ‘als een propagandamiddel voor zichzelf’. (1) De Beukelaer is zich bijzonder goed bewust van de historiciteit van elk kunstwerk. Tegelijkertijd kan hij niet aan de verleiding weerstaan die historische gebondenheid via de directe impact van krachtige beelden te ontkrachten. Die paradox vormt misschien wel de motor van zijn werk. Zo draagt een recent schilderij, een soort hard edge stilering van een stuk autosnelweg, het opschrift ‘MINIMAL IS DEAD’. In de marge van een voorbereidende schets voor dit werk, noteerde De Beukelaer echter: ‘There’s only one minimalist: BARNETT NEWMAN’. Postmoderne kritiek maakt hier plaats voor onvoorwaardelijke verering. De helden van de avant-garde komen opnieuw tot leven en staan wankelend op uit het graf. De moderne kunst is dood. Leve de moderne kunst.
Johan Pas, Ekeren, september 2003
(1) zie: ‘Johan Pas in gesprek met Sergio De Beukelaer en Hugo Duchateau... over schilderijen, tentoonstellingen, schilders, helden, Abba en Bach’, in cat. (At random), Provinciaal Museum Hasselt, 2001. |