Koen Deprez

<< BACK TO KOEN DEPREZ

 

 

 

 

 

De ring van Freud



Twee jongens speelden verstoppertje langs een boomrijke laan. De ene gehurkt, bewegingloos, verborgen achter een volle haag. De andere, het voorhoofd geleund op zijn gekruiste armen, tegen een huisgevel aan. Hij telde tot tien. Verderop zat een man met een slordige baard tegen een zonbeschenen muurtje. Zijn ontblote bovenlijf blonk van het zweet.
   Op een in de laan geparkeerde bestelwagen was een foto van een glimlachend meisje te zien. Helemaal naakt maakte zij reclame voor exotisch fruit. Een moderne Hoorn des Overvloeds bedekte haar schaamstreek.
   De rij bomen aan de kant van het trottoir vormden door hun eindeloos repeteren een wand die de rest van de laan voor een voetganger onzichtbaar maakte. In de takken speelde allang het vleugje wind niet meer, dat het wandelen eerder nog tot een aangenaam tijdverdrijf had gemaakt. In de laan leek niets meer te zullen bewegen.
   De man met de warrige baard, de geparkeerde bestelwagen, de spelende kinderen, het roerloos boomlof, het meisje van het exotische fruit, alles was hier te gering – leek dood - stond in ieder geval stil. Ook ik. Ik die daarnet nog kwam aangewandeld, kon eigenlijk geen kant meer uit.
   Licht, alsof hij door de lucht zelf langzaam werd verdergedragen, zo zweefde een speer in mijn richting. In de laan had niemand behalve ik het drama zien aankomen. Hoewel ik me daar volkomen bewust van was, bleef ik toch als versteend staan. Uiteindelijk doorboorde de punt moeiteloos mijn lichaam. Recht in de hartstreek leek de speer zijn eindbestemming te hebben bereikt. Na lang vallen lag ik roerloos op het trottoir.
   Op straat bekommerde zich niemand om mij. Zelfs toen de draagberrie naast me werd neergezet in afwachting van de lijkschouwer, die nog met wat papieren bezig was, kwam niemand in de laan dichterbij; niemand richtte een vraag tot de mensen rond mij, niemand wierp ook maar een bik op mijn met bloed besmeurde lichaam. Het was of ik voor de andere wereld veel minder belang had gekregen.

* * *

Laat ik het anders stellen. Enige tijd geleden ben ik, om welke reden dan ook, in Hampstead met een speer uit vroeger tijden genadeloos neergestoken. Zelfs een modern mens zoals ik overleeft een dergelijke aanval niet. Om precies te weten wat me toen is overkomen, probeer ik reconstructies te maken van de feiten, in de hoop om voor mezelf toch nog de juiste antwoorden te krijgen. Omdat alle gebeurtenissen elkaar in snel tempo opvolgden - ik vermoed dat het binnen een seconde met me was afgelopen - waren mijn eerste impressies veel te vlug voorbij. Nu ik hier in het mortuarium van Hampstead lig, tijd te over heb, dwing ik mezelf me alles voor de geest te halen. Doordat ik de feiten steeds weer ophaal, duurt een fractie van een seconde inmiddels een minuut. Elk fragment dat ik uit mijn herinnering haal kan ik vanuit verschillende hoeken bekijken. Ik kan me bijvoorbeeld al losmaken van mijn positie van slachtoffer. Ik kan op een andere manier kijken naar de speer-in-mijn-richting. Ik merk op hoe de zijkant van het projectiel eruitziet. Ik overweeg of het werptuig ook nog voor andere aanslagen is gebruikt. Of op de gouden speer misschien nog andere sporen van gebruik te vinden zijn. Kortom, ik heb het voor mezelf mogelijk gemaakt uit ‘het’ moment te ontsnappen, maar toch als het ware binnentijds terug te keren. Op de plaats van het delict is alleen de positie van de speer veranderd. Die is, gedurende mijn korte afwezigheid, een aantal meters in mijn richting opgeschoven. Had ik mijn omgeving toen even traag kunnen overzien als nu, dan was ik helemaal niet overleden.

* * *

Ik begin dus opnieuw, maar trager, trager…veel trager.

Ik liep in Hampstead, in Maresfield Gardens, door een boomrijke laan. Ik was op weg naar mijn psychiater. In de laan stonden aan beide zijden auto’s geparkeerd. De huizen waren gebouwd in die typisch Engelse cottagestijl. Conservatieve architectuur, in het belang van de gegoede burgerij. Met eenrichtingsverkeer creëer je zonder veel moeite een rustige wijk.
Langs de kant van de weg speelden twee jongens verstoppertje. De ene telde af, de andere probeerde zo lang mogelijk voor zijn vriendje verborgen te blijven. Achter een van de talloze heggetjes voor weer zo’n huis vond hij een strategische plaats. Vandaaruit had hij een goed zicht op degene die hem nooit zou vinden.
   Op de drempel van een ander huis zat iemand buiten deze tijd.  Met een wilde en warrige baard en met een gouden kroon op zijn hoofd. Hij droeg een prachtige pauselijk paarse mantel, die zijn dijen voor een groot deel bedekte, verder niets. Zijn gespierde lichaam blonk in het zonlicht. Hij hield een prachtige scepter in de hand. Op de top ervan zat een levende arend met prachtige veren, als sluitstuk van het vreemde tafereel. De roofvogel, veel te groot voor dit straatbeeld, keek rustig voor zich uit.
   Een beige bestelwagen parkeerde in de schaduw onder de bomen. Op de zijkant: een foto van een prachtig naakt meisje. Net onder haar blote voeten, in een hedendaags lettertype:

           Marmelade, Cheese&Wine import Greece/Italy Ltd.

Maar ondanks de letters, ondanks de moderne Hoorn des Overvloeds ter hoogte van haar middel, deed het meisje aan een sepiakleurige prent uit het verleden denken.
   Nu ik de trage tijd eindelijk aan mijn zijde heb, zie ik iets dat ik toen niet onmiddellijk had opgemerkt. Aan de overkant van de laan wandelde een vrouw over het trottoir met enkel wat linnen om haar lenden. Ze had duidelijk een doel voor ogen. Op haar hoofd droeg ze een vreemde helm, één enkele krul van haar rode haren sprong eronderuit. Ze hield een speer en een schild vast, ter hoogte van haar knieën. Ondertussen speelden de jongens aan de overkant nog steeds verstoppertje. Was hun tijdens het spelen dan echt niet de aanwezigheid van die vreemde  figuren opgevallen?

Ik wandelde door de laan. Sneller dan ik me bewust was, duwde een man een rode ring in mijn richting. Vreemd! Die man leek heel erg op mij. Dezelfde man, hetzelfde kostuum, ook het hemd met de rode das was hetzelfde. De schoenen blonken net zo mooi als die van mij. Ik keek naar een ring met een rode steen. Intussen had mijn dubbelganger het op een lopen gezet. Voor ik hem nog wat kon naroepen, verdween hij weer zoals hij was gekomen. Ik keerde me om. Op werpafstand versperde de vrouw die ik daarnet nog aan de overkant had gezien de weg. Zij, met haar speer in de aanslag.
   Vanaf nu bekijk ik die cruciale situatie almaar trager. Tot het moment waarop het filmische uiteindelijk bevriest tot een onbeweeglijk beeld. Ik zie de vrouw, de borsten helemaal ontbloot, de speer in een horizontale positie brengen. Traag, genadeloos traag glijdt de speer uit haar handen. Alsof iets in haar hoofd het ding al die tijd heeft willen tegenhouden, maar toen besliste: ‘Loslaten!’
   Ik zie de speer in de laan hangen. Een gouden naald in een schaduwrijk van bomen. Met uitzondering van de arend heeft niemand iets opgemerkt. Het dier boort zijn blik in de ontwikkelingen.

Het moment waarop de speer mijn lichaam zou bereiken, dat was iets voor later. Een speer in de ruimte, ik die een sprong naar rechts zou maken. Maar hier maakte ik een denkfout. Mijn lichaam bewoog even traag als de speer. Mijn geschiedenis zou ik dus nooit kunnen herschrijven. Het resultaat zou op termijn, hoe je het ook wendde of keerde, altijd hetzelfde blijven.
   Na een half uur opschuiven in de straat dan toch het moment waarop de punt van de speer mijn lichaam bereikte. Minuten duurde het toen de scherpe punt zich een weg door mijn borstkast baande. Een korte prik een hele tijd laten gebeuren is haast niet te beschrijven.
Bloed dat niet kwam, of toch. Een druppel die zich afvroeg of hij de sprong in de laan al dan niet zou wagen. Dan nog een, en nog een en nog... Alsof mijn gewonde lichaam nu in een droom van bloed voortzweefde. Het was heel bijzonder, op mijn eigen stervensfeest zo de dood in opperste glorie aan te kijken.
   De punt van de pijl moet nu de omgeving van mijn hart hebben bereikt. Nog wat wachten en het is weer eens voorbij. Ik zal binnen afzienbare tijd rond mijn as draaien. Als een vertraagde schroef in elkaar zakken. Voor het botsen op de straatstenen van Maresfield Gardens zou ik een ander woord kiezen. In ieder geval zou het vallen op het plaveisel geleidelijk gebeuren. Mijn blonde haren, in een allerlaatste romantische beweging, zouden mijn beschadigde hoofd voor altijd verbergen.

* * *

Aan de laatste klap op de straatstenen denken: dat valt samen met het moment waarop ik uit de vertraagde tijd ontwaak en mijn huidige positie, die van dood zijn, weer inneem. Met de reconstructie van de feiten kan ik weer van meet af aan beginnen. Tijdens de klap vermoed ik ook door mijn psychiater gewekt te worden. Ik zie hem met mijn opengesperde ogen hoog boven mij. Met zijn handen boven mijn gezicht. Nog een klap! Aan een van zijn vingers: een rode ring. Een intaglio! Een steen waarin een beeltenis van Zeus is gekrast, met een lange baard, rustend tegen een forse steen. Een scepter in de hand, een grote vogel op die scepter. Ook Isis Fortuna met de Hoorn des Overvloeds is erin gekerfd. Tot slot zitten mijn moordenares en ik elkaar aan te kijken. Ook zij is afkomstig uit de collectie mythische figuren, net zoals de anderen. Minerva! Zij is degene die mij de dood heeft ingejaagd. Ze houdt nu een schild voor haar schaamdeel, en de speer staat rechtop.

 

 

 

   
   

TOP