|
|
Koen Deprez
De ruimte doorbladerd
Hoofdstuk 1
Bericht uit het heelal
Sint-Pieters-Leeuw, 6 maart 2006
Van:
Koen Deprez
Galgstraat 127
1600 Sint-Pieters-Leeuw
België
Aan:
Adolf Loos
Beatrixgasse 26
III Wenen
Oostenrijk
Geachte Heer Loos, Beste Adolf,
Ik heb voor de gelegenheid dure pantoffels aangetrokken.
Het is al vijfentwintig jaar geleden dat ik voor het eerst heb kennisgemaakt met
je essay Ornament und Verbrechen. De eerste publicatie daarvan moet toen zowat
zeventig jaar geleden zijn gebeurd en blijft tot op heden een belangrijk
ankerpunt binnen de wereld van de moderne architectuur. Samen met die andere
gedenkwaardige uitspraak ‘architectuur is enkel kunst in het geval van het
grafmonument en het teken’ maakten beide beweringen bijzonder grote indruk op
mij. Dat u een onderscheid maakt tussen wonen en architectuur heb ik altijd als
een vondst beschouwd. Net zoals Wittgensteins boekje met een even geniale
beweging uit elkaar hield wat duidelijk kan worden gezegd en wat niet kan worden
gezegd – wat zich enkel toont. Ik had de neiging je te geloven en heb me daar
ook heel lang aan vastgeklampt. Maar dat lint is nu definitief gebroken en door
de val ben ik heel ergens anders terechtgekomen. Wat betreft het graf en het
teken ben ik het in extenso met u eens. Niet iedereen deelt dezelfde mening maar
dat hoeft ook niet. Tijden veranderen, en uitspraken die honderd jaar geleden
gemaakt zijn kunnen vandaag, in de adem van de uitspraak, heel anders aankomen
en zelfs op hun waarde of misbruik worden getest.
Laat ik er maar onmiddellijk mee beginnen. Het lijkt me rechtvaardig te stellen
dat Ornament en misdaad alle kenmerken van een moordwapen in zich draagt. Als
het functionele mes van de moderniteit werden ornament en misdaad, met de
scherpste kant, gebruikt om het overtollige vlees van een cultuur in ontbinding
weg te snijden. Het Wenen van de Habsburgers of het Biedermeier Wenen, dat ik
trouwens enkel ken van de vaal ingekleurde prenten bovenop de blikken
koektrommel die ik ‘s morgens bij het eten altijd weer op de tafel zag staan, ja
Adolf, daar was wat voor te zeggen. Elke speculaas doet me nu nog altijd aan
Sissie denken.
Veel van uw Weense vrienden uit het fin de siècle leken op het verval heel
uiteenlopend te reageren. Otto Weininger pleegde al vroeg zelfmoord en dat ging
toch nog gepaard met de nodige verwikkelingen. Sterven in de
Schwarzspanier-straβe, waar Beethoven was overleden en Weiningers smeekbede niet
eens had gehoord. Een pathetischer einde kan ik me nauwelijks voorstellen en een
groter baldakijn voor de gehate wereld, dat hebben zelf de doges van Venetië
nooit gehad. Freud was de keizer van het symbolisch verband en Klimt bevestigde
dat met verf. Wittgenstein schreef de Tractatus Logico-Philosophicus
hoofdzakelijk tijdens de eerste wereldoorlog, aan het front, en meende daarmee
voorgoed afgerekend te hebben met het gezwets binnen de filosofie.
‘Ornament en misdaad’ is binnen het denken over moderne architectuur uitgegroeid
tot een -isme met ongeziene kracht en dat kan nooit goed zijn. Wittgenstein deed
iets anders. Hij corrigeerde zich nog tijdens zijn leven op een moment dat de
Tractatus een instituut had kunnen worden. En nadat hij in 1929 voor zijn zuster
de woning aan de Kundmanngasse had voltooid, schreef hij dit: ‘Het huis voor
Gretl dat ik heb gebouwd is een product van een uitermate gevoelig oor en goede
manieren, een uitdrukking van groot begrip (van een cultuur enz.). Maar
oorspronkelijk leven, wild leven dat ernaar streeft in het vrije veld los te
barsten – dat ontbreekt. En derhalve zou men kunnen zeggen dat het niet gezond
is.’ Niet lang daarna stapte Wittgenstein terug over naar de filosofie ook al
nadat hij tot de conclusie was gekomen dat hij in de Tractatus ernstige fouten
had gemaakt. De stellige zekerheid van de Tractatus had nu plaats geruimd voor
een filosofie van vragen stellen. Dat resulteerde vele jaren later in de postuum
verschenen Philosophical Investigations, een erg onderschat boek met een zeer
origineel idee, dat van de taalspelen. Een terugkeer naar de filosofie die
samenviel met de beëindiging van de woning aan de Kundmanngasse, dat kon niet
toevallig zijn.
Adolf, wat is jouw uitspraak ‘ornament en misdaad’ nog waard in een heel andere
tijd zoals die van mij? En wat gebeurt er als datzelfde mes in handen van
hedendaagse architecten gebruikt wordt om op dezelfde manier in een heel andere
wereld te snijden?
Momenteel is die wereld een ruimte waar het goed staat te vertoeven tussen kale
muren. Alsof iedereen vandaag ascetisch is geworden, het echte leven nu pas
heeft begrepen. Als ik u een willekeurige afbeelding van zo een hedendaagse
ruimte zou opsturen dan weet ik zeker dat ik je heel erg blij zou maken, trots
dat ‘ornament en misdaad’ toch wel een heel erg secuur instrument is gebleken en
het lemmet voor de tijd lang genoeg was. Ook zou je versteld staan van de
zuiverheid van de opgestuurde foto. Geen vuiltje, een klinisch zicht. Vandaag de
dag beschikken we over digitale technieken om het geringste vuil weg te wissen.
Zoals jullie een Arabische gom gebruikten om plannen mee op te schonen zo
hanteren wij digitale middelen om net hetzelfde te doen. Maar een gom laat
sporen na en onze technieken niet meer. Wat digitalisering nu precies betekent
dat is vrij eenvoudig uit te leggen: het zijn in principe codes gemaakt van
streepjes en nulletjes die door ze in variabelen achter elkaar te plaatsen heel
complexe schema’s kunnen vormen. Een beetje zoals de rol welke ‘het raam wel,
het raam niet’ is toebedeeld binnen de gevelcomposities van Ludwig Hilberseimer.
Ja Adolf, mijn wereld ziet er heel erg anders uit, maar puin ruimen van wat we
menen verkeerd te zien dat blijven ook wij nog altijd doen.
Het ascetische ontwerp, een heiligverklaring voor velen is mijns inziens nu
verworden tot fetisjisme en lifestyle. Oneindigheid heeft nu een oud gezicht
gekregen. En ligt daar niet de paradox van jullie hele opzet? In navolging van
zijn architect heeft de moderne bewoner als de papegaai van dienst zijn bek vol
over het minimale, het zuivere, het ‘minimale omgekeerd’ tot het maximale en de
less is more gedachte is nog steeds een bestseller. Maar Adolf, er komt
tegenstand tegen al deze gedachten en eigenaardig genoeg van de bewoner zelf,
niet zozeer op het niveau van zijn bewust-zijn maar wel op het niveau van het
vlees waaruit hij of zij is gemaakt, in de richting waarin het Weininger is
vergaan. Het lichaam van de moderne mens, waar de twintigste eeuw zelf al zoveel
had in gekerfd, komt in opstand en dat wordt zichtbaar aan de oppervlakte van
zijn huid. Het tatoeëren op het menselijk lichaam wordt vandaag gebruikt als het
tekenblad voor gecodeerd protest. De nieuwe architect is de schrijver die tekent
op rauw vlees, tegelijk blijft het een tekenaar met naald en inkt. Alsof de
bewoner met de huid-als-blad, een allerlaatste troef, zichzelf nu helemaal op de
tekentafel werpt. De individuele schriftuur van tatoeages is mijns inziens te
lezen als een hedendaagse roman. Die roman is te lezen als één van
zelfverminking en zelfverminking is tegelijk het masker en de waarheid van de
afgelopen eeuw. Met monsterlijke wezens, demonische vlinders, uitspraken tussen
de bilspleten of joekels van tekens op genitale plaatsen, strategisch allang in
stelling gebracht, probeert de bewoner met het vlees der wanhoop en met de enige
architectuur die hem nog rest, die van de huid, op te komen tegen de
onmondigheid van de ascetische architectuur. Die architectuur heeft hem
bedrogen, die tot voor kort nog pretendeerde hem of haar in bescherming te nemen
tegen al wat niet waar was. Het vel van vlak cement waar de architectuur van de
leegte is mee gemaakt en de sprakeloosheid die dergelijke muren uitademen: die
heeft het vlees nooit echt verdragen. Net zoals het teveel aan licht dat het
moderne bouwwerk nodig heeft om te kunnen overleven het vlees nooit heeft kunnen
uitstaan. Elke hoek in de moderne woning wordt gestofzuigd met natuurlijk licht.
Het teken, de oriëntatie verdwijnt door een te veel aan licht. Het karakter van
de donkere hoek krijgt ook al een ijzeren masker opgezet, wordt een
architecturaal verbod, krijgt de rode kaart en mag bijgevolg niet meer
meespelen. Door grote ramen, ontdaan van de overtolligheid van het overgordijn,
verslikt de moderne woning zich elke zomer, keer op keer, in een onbegrensde
gulzigheid naar nog meer licht en lijdt ze door haar opengesperde glazen bek in
de winter onnoemelijke kou. Het omliggende landschap wordt elke dag verslonden
en uitgespuwd en verse fotonen worden uit de omgeving gezogen als was het een
dagelijks menu.
Drie jaar geleden las ik het boek ‘De God Denkbaar, Denkbaar De God’ van de
Nederlands schrijver Willem Frederik Hermans. De achterkant van de eerste druk
toont een foto van een naakte vrouw met de rug half afgewend. Gehurkt en over
haar hele lichaam getatoeëerd lijkt ze het ook nog behaaglijk te vinden. Met
gecodeerde en dubbel gecodeerde tekens, symbolen, cijfers en doorweven met
ongrijpbare uitspraken, boosaardige koppen, op een lichaam om u tegen te zeggen.
Niets erop is begrijpbaar. De architectuur van de vrouw in de hoedanigheid van
een tatoeëring. De vrouw op de foto bleek later in Hermans’ roman een
politieagente te zijn die halverwege het verhaal wordt gevild. Haar getatoeëerde
huid werd in de openbaarheid tentoongesteld en vervolgens met heliumgas
opgeblazen tot een volume dat haar duizendmaal vergrootte. Hermans’ roman als
geheimschrift en samengevat op de huid van een vrouw. Dit bleek later, toen ik
het boek gebruikte als uitgangspunt om architectuur te bedrijven. Hele passages
en pagina’s tekst werden door mij gevild, ontdaan van elke aarzeling het boek
van een ander te accepteren als een wereld van vrijheid, met regels en afspraken
die enkel luisterden naar de roman. ‘Functionaliteit’ voor het plan lag
verborgen binnen de structuur en het verhaal van de roman. Conventies van
buitenaf bestonden niet, enkel in het boek en die waren strikt. De roman trekt
zich niets aan van wat buitenaf wordt afgesproken. De hedendaagse roman maakt op
geen enkele manier afspraken met zijn buitenwereld, hij heeft genoeg aan
zichzelf. De aard van de roman is solipsistisch.
Wat ik van de hedendaagse roman heb geleerd is dat hij het masker van de
moderniteit van zich afrukt. Dat hij veel meer dan de moderniteit het gezicht
van onze tijd toont.
Zo werd het boek De God Denkbaar, Denkbaar De God beetje bij beetje opgeblazen
tot een plan Denkbaar. Helium werd algauw zuurstof en functie werd door fictie
gezuiverd. De opgeblazen literaire huid, getatoeëerd met tekens en boodschappen
en vingerwijzigingen naar verborgen werelden, leunde nu zacht aan tegen de
binnenmuren van de architectuur. En geloof me Adolf, het was een natuurlijke
aanraking, geen tour de force, linkerhand omhelsde nu rechterhand en niemand
maalde erom.
Hoogachtend,
Hoofdstuk 2
Bericht uit het huis
De onderstaande tekst geeft een omschrijving van fragmenten uit het huis dat in
Izegem (België) werd gerealiseerd. Een aantal van die ruimtes werd hier voor de
gelegenheid gepresenteerd als werd er een deel van de roman voorgelezen. Het is
mijn mening dat Hermans’ roman De God Denkbaar, Denkbaar De God ook in deeltjes
kan worden begrepen. De fragmenten waarvan deze bijdrage een toelichting is,
drukken uit wat binnen de opzet van het huis nog verder ontwikkeld is. Van
Hôtel-Dieu over de grote Witte Ruimte, Prudence, de kamer van Goud-Denkbaars
bureau, een wintertuin, het Zwaard, Schoppen afgetroefd of het gedenkteken voor
Denkbaar, dat verwerkt werd in de straatstenen van Izegem.
Beelden veranderen naarmate men in het project rondwandelt, maar de strategie om
daarmee om te gaan wijzigt niet. Het ontwerp voor het huis legitimeert zich door
de roman. In die acceptatie schuilt mijn vrijheid. Het is een rechtvaardig
ontsnappen aan de dwangmatige manier waarop vandaag te vaak architectuur wordt
beoefend. De roman verbetert de wereld niet, dat is helemaal niet zijn zorg. Hij
schuift er enkel een andere wereld voor in de plaats. En indien het plan voor
Izegem toch tot een romaneske ruimte is verworden, dan dankt ze dat ook aan
kwaliteiten binnen de architectuur die de afgelopen eeuw waren afgeplat door een
teveel aan licht. De romaneske ruimte is denkbaar. En wat denkbaar is, is ook
mogelijk.
De God Denkbaar, Denkbaar De God is geen verhaal, maar een velodroom vol
woorden. Woorden die zich los fietsen van hun betekenis. Met analogieën die kans
zien te ontsnappen uit het peloton van de logica. Met een verhaallijn die als
een kortsluiting boven een woordenstroom heen hangt. En een hoofdpersoon die
‘Denkbaar’ heet en een boek waarin alles denkbaar wordt.
Hermans moet bewust dit circulair ovaal voor ogen hebben gehad toen hij het boek
schreef – geen begin geen einde, enkel een onophoudelijk relaas van feiten, keer
op keer. Lege Lege Lege Relege ! Zou Hermans dat ook werkelijk hebben bedoeld?
Middenin dat ovaal een luidruchtige fanfare, het masker van de stilte, een
pistool en een eindschot dat nooit kwam!
Het altijd opnieuw terugkomen en van daaruit weer opnieuw vertrekken was een van
de basisprincipes waarop het plan Denkbaar structuur heeft gekregen. Net zoals
het boek dit aantoont. Een circulair verloop met helemaal aan het einde terug
het begin. Sleutel en slot gaan in elkaar over. Niet de architectuur maakt een
omschrijvende cirkel, dat doet de bewoner. Geen bewoner, geen ovaal. Geen lezer,
geen boek. In het centrum van de woning bevindt zich een gang. De Gang der
Analogieën, het laatste station, een stopplaats – geen transit en gewijd aan de
stilte na de taal.
De Gang Der Analogieën is om en bij de vijfentwintig meter lang en kerft het
plan in het hart. Links in de gang een anamorfose, een beeld op kamerhoogte dat
leesbaar wordt als je er rakelings langsloopt. Het tafereel verhaalt ‘Amerigo
Vespucci ontdekt America’. Dit beeld zou ook Hermans hebben gefascineerd. De
prent laat Vespucci zien die aan land gaat en vreemde dingen ziet gebeuren.
Althans iets wat hem niet bekend is. Om dit euvel op te lossen onderneemt hij
een poging om alles wat hij niet kan thuisbrengen met de taal der gewoonte toch
te begrijpen – doch dat mislukt. Hermans zegt over het boek Denkbaar: ‘Dit boek
is vooral geschreven om aan te tonen dat we heel veel in ons dagelijks leven
niet begrijpen, terwijl we doen alsof we dat wel begrijpen’. In de
anamorfose-wand bevinden zich kleine deurtjes, haast onzichtbaar, op gelijke
afstanden van elkaar. Eens geopend worden verticaal georiënteerde deurgrepen
zichtbaar. Deurklinken die mogelijkheden bieden om andere deuren te openen en
soms toegang verlenen tot aanpalende ruimtes. Deurklinken die kleine etsen half
verbergen en door het opgepoetst geel koper, weer anamorfoses vormen. In dit
demonisch spel worden 15 taferelen uit de Mutus Liber zichtbaar. De Mutus Liber,
Het Stomme Boek. Een rechtstreekse verwijzing naar het boek. La Muette, vormt in
de roman het laatste station. Het eindpunt van de taal? ‘Over dat waarover niet
gesproken kan worden moet men zwijgen.’ Wittgensteins uitspraak die analoog de
Mutus Liber volgt, maar dan aan de overzijde van de gang. Tegenover dat immense
gegeven een even grote glazen wand met daarin een reeks kasten. In de
transparantie van de plint, goed leesbaar, de zeven hoofdzinnen uit de
Tractatus. In de architectuur vormt de plint de eeuwige derde, het ontbrekende
stuk – de overgang van horizontaal naar verticaal. Binnen de wereld is de
Tractatus het boekje dat de schakel vormt tussen dat wat duidelijk kan worden
gezegd en dat wat niet kan worden gezegd, maar zich enkel toont: het mystieke.
De Tractatus als plint. Dezelfde plint is het sluitstuk voor de glazen wand die
nu een immense kast blijkt te zijn. Doorheen de reflecterende sluier van de
overkant zien we binnenin nog kasten, maar dan van een heel vreemde soort. De
zwarte bar! Het zijn in stukjes gesneden contouren van een bar die werd
gereconstrueerd met gegevens uit het boek en daarna weer deskundig versneden tot
dwarsdoorsneden van kasten. Een kast gemaakt voor een kast zoals deurtjes
gemaakt voor andere deuren. Tractatus versus Mutus Liber in één analoge gedachte
vervat. Zowel Altus als Wittgenstein hebben het binnen het eigen vocabulaire
over begrenzing van taal en beiden eindigen met dezelfde metafoor van de ladder.
Het plan voor het Denkbaar-project laat van bovenuit zien dat De Gang Der
Analogieën in casu een liggende trap voorstelt met broze treden van glas. We
zien vanuit die positie nu ook dat de gang lapis lazuli of zwart is gekleurd en
doorvloeit naar de aanpalende ruimtes: de kleine slaapkamer en het Cabinet de
Réflexion. In de verbinding tussen De Gang, het Cabinet en het kleine
slaapkamertje een tollende geestelijke met mijter en staf. Tatoeëringen op
linnen, beweging geeft richting. Elke maatvoering in het plan ‘Denkbaar’ is
deelbaar door drie. In het boek heeft dat getal een bijzondere functie: ‘de
volledigheid van staat’. Opnieuw van bovenuit bekeken zien we nu heel duidelijk
twee andere kleuren en een materiaal dat het plan met de kamers verder weet te
ontwikkelen. Het rood in de ruimte staat voor het hondenasiel in het boek. De
kleur wit verwijst ontegensprekelijk naar de witte bar en het gele koper
fungeert als het ‘valse goud’. Het plan lijkt binnen die configuratie Jan Van
Eycks schilderij Madonna met Kanunnik Joris Van der Paele op te roepen.
Trouwens, dat doet dit boek ook, bruggetjes maken tussen dat wat in het geheugen
al lang geen bestemming meer had. Tekst als masker van het beeld. Op Van Eycks
schilderij zijn de kleuren voor het interieur Denkbaar getoetst. Zwart/blauw,
rood en wit zijn drie trappen uit de alchemie en Van Eycks geschilderd paneel is
daar een overtuigend bewijs van. Het schilderij kan je lezen zoals een boek, van
links naar rechts. Blauw, rood, wit en geel koper als enige materie in de rol
van de opgepoetste soldaat uit Denkbaars leger. In de marge, verworden tot kader
van het schilderij, zitten tekens en vraagtekens.
Van de ene ruimte in de andere stapt men in het plan Denkbaar via deuren uit
glas. En bij het aanraken van de geelkoperen deurklinken gebeurt er wat in de
palm van je hand. Deuren openen staat in het plan Denkbaar gelijk aan ‘daad en
gedachte’. Een stempeltje in de klink wordt zonder dat je daar erg in hebt in je
vlees gedrukt. Het vlees herstelt zich en de tatoeëring verdwijnt. Denkbaars
stempel als amulet is naast Denkbaar zelf de onbetwiste hoofdrolspeler binnen
het boek. De bewoner wordt van de ene kamer naar de andere gesleept. Het openen
en dichtdraaien van deuren fungeert in het plan als een blad dat wordt
omgeslagen. De ruimte wordt doorbladerd. Een kamer verlaten is in het plan
Denkbaar net hetzelfde als naar een volgende pagina overstappen.
Iets gelijkaardigs gebeurt in het Cabinet de Réflexion. In dit kabinetje zingen
begrippen zich los van hun betekenis. Tevens is de kleine ruimte een goed
voorbeeld van hoe functie door fictie wordt gezuiverd. Het woord V.I.T.R.I.O.L.
staat bovenaan in de marge en voluit in het plafond uitgespaard. Het
toiletdeksel is in één beweging te openen, van rechts naar links, zoals een
boek, en met de anus als alziend oog starend in de duisternis. De spiegel,
vormgegeven zoals de toiletbril van daarnet, fungeert hier als zichzelf, als een
spiegeling. Dubbel: het Griekse diploê, in de betekenis van dubbele zaak. Niet
voor niets is Denkbaars voornaamste tegenstander de diplomaat van een dubbele
wetenschap.
Van de zwarte/blauwe zone overgaan naar de rode. Opnieuw een stempel, maar het
vlees herstelt weer. Rechts daarvan bevindt zich een overgordijn, met onderaan
een motief in kant. Het is het insigne van uitgever Van Oorschot. De gespannen
relatie tussen schrijver en uitgever is genoegzaam bekend. De functie van het
teken is samengebracht met het roodfluwelen gordijn en geeft het rood nu iets
stroefs. Het gordijn lijkt onderaan weg te vloeien. Op een wijze zoals Van Eycks
madonna op het schilderij haar ogen afwendt.
Sint-Pieters-Leeuw, 7 maart 2006 |