|
|
De vork van Nietzsche
Op hoge leeftijd hadden Harald, Kurt en Erich - drie vrienden voor het leven - zich toch nog een mooie bril aangeschaft. Een bril met stijl betekende voor de tachtigers nog altijd een lorgnet opzetten. Op het einde van de negentiende eeuw waren zulke toneelkijkers erg gebruikelijk. Nu waren de fascinerende brillen enkel nog te vinden bij verzamelaars van juwelen, op veilingen, bij antiquairs of in familiecollecties. Dat laatste was bij hen het geval geweest.
Elk van de lorgnetten was anders. De vorm en de tekeningen op de vernuftige kijkertjes stemden overeen met ieders eigen leefwereld. In elk van de monturen waren diamanten verwerkt. Zo had Kurt een opvouwbaar lorgnet kunnen bemachtigen waarvan het oculair afgebiesd was met fijne witte diamanten. Door een krans van diamanten de wereld bekijken gaf ook een precieze leefwereld weer. Het handvat van het lorgnet was een staafje, deels gemaakt uit lapis lazuli, deels uit amber.
Erich had dan weer iets helemaal anders uit de familieverzameling verworven. Een heel eigenaardig lorgnet, voor het overgrote deel met paars email afgewerkt, dat twee brillen bevatte. De ene diende om ver te kijken, de andere om beter te kunnen lezen. Op de voorkant stonden in het email, met fijne diamanten geschreven, de initialen EHB. Dat de drie letters de beginletters van zijn volledige naam waren, had de doorslag gegeven. Toeval bestond volgens hem niet.
Harald ten slotte had een gouden lorgnet met een rechthoekig handvat van agaatsteen. Wanneer hij het lorgnet dichtvouwde om verder te kunnen kijken, dan verkreeg hij een nieuw brandpunt van twee glazen over elkaar. Meteen werd het een vergrootglas. Ver kijken werd met een dichtklappende beweging dichterbij kijken, en dichtbij kijken veranderde met een druk op het gouden knopje weer in ver kijken. Voor een man als Harald was dat heel praktisch: hij was gesteld op controle van het kleine en het grote.
Op de vraag waarom ze zich alsnog een dergelijk voorwerp hadden aangeschaft, antwoordden de drie in koor: ‘Om beter te kunnen zien.’
Door drie verschillende brillen kijken, betekende vanuit drie verschillende standpunten naar hetzelfde kijken maar toch iets helemaal anders zien. Daarom begrepen de drie vrienden elkaar hoe langer hoe minder. Hun jarenlange vriendschap brak in drie stukken. Harald, Kurt en Erich spraken, al sinds hun laatste uitstap naar het Nietzsche-Archief, geen woord meer tegen elkaar. Een bezoek aan het gebouw met de vork van Nietzsche was er te veel aan
* * *
Het was een zin die je eindeloos kon lezen. Begin en einde gingen zo in elkaar over. De zin had nooit zijn punt gehaald. Harald vroeg zich af of de ronde gevel, waar de fractuurletters diep in waren uitgespaard, de uitspraak had geselecteerd, of dat de inhoud van de zin de vorm had bepaald van het gebouw. De architectuur was een kopie van het Pantheon in Rome, weliswaar kleiner, en ook, in tegenstelling tot het Romeinse bouwwerk, speciaal ontworpen, maar niet voor goden. Centraal in het gebouw werd, op een prachtige stenen sokkel zonder beglazing, de vork van Nietzsche tentoongesteld. De afstand die het publiek tot de vork bewaarde, werd bepaald door een diepe, met water gevulde gleuf rondom het voorwerp. In de reflectie van het water viel de opening in de koepel heel erg op. Wanneer het door het gat regende, bleef de vork droog.
Vreemd! Naar de ware redenen voor het ontwerp van het gebouw en de opstelling van de vork had iedereen hier in Weimar het raden. Was dit paviljoentje, met de vork erin, een onderkomen geweest voor de Schotse filosoof Hume, dan was dat voor iemand die Hume grondig kende een duidelijke aanwijzing geweest. Maar voor Nietzsche-exegeten sloeg zomaar een gebouw wijden aan een vork, ook al was die dan van Hemzelf geweest, helemaal nergens op. Bij de algemene toegang tot het park, waar de rest van het Archief was gevestigd, stond op een plattegrond achter nr.18 enkel te lezen: ‘De vork van Nietzsche.’
Merkwaardig aan dit bouwwerk vond Harald ook de drie hoge toegangsdeuren. Door een ervan was hij zojuist naar binnen gestapt. Het leken wel openingen voor reuzen gemaakt. In elk geval waren de majestueuze gaten groter dan wat het belangrijkste mensenleven op aarde ooit zou verdienen. Toen Harald door een van de openingen naar binnen stapte, stond hij oog in oog met het voorwerp. Hij dacht: een vork op mensenmaat.
Op de binnenzijde van de muur was dezelfde zin geschreven als op de buitenmuur, maar nu met de wijzers van de klok mee.
Kurt en Erich stonden al geruime tijd weer buiten. Ontgoocheld bekeken ze het nieuwe bouwwerk. Om beter te begrijpen wat ze net hadden gezien, hadden beide heren nog maar eens hun lorgnet opgezet. Zo waren ze al een paar keer rond het gebouw gewandeld en het was geen bewondering die in de oude ronde glazen te lezen viel. Misschien omdat ze te weinig voeling hadden met filosofie en met Nietzsche. Maar vooral, dachten ze, omdat ze niet van het gebouw hielden en niet van lezen tegen de klok in. Alleen Harald, die langer was binnengebleven, kon uit de oude spelling opmaken wat er met de zin werd bedoeld:
‘De mensheid zou slechts één enkele keer een overeenkomst met zichzelf moeten sluiten en die zou zijn, dat er geen overeenkomst kon worden gesloten, en omdat er geen overeenkomst kon worden gesloten, kon ook dat idee niet worden gedacht’
‘Ja, de mensheid zou slechts één enkele keer een overeenkomst met zichzelf…Zo moet uit de mond van Nietzsche ongeveer het menselijk falen hebben geklonken.’ Harald zei het mijmerend nog eens na.
Aan hun grimas te zien, hadden de twee anderen er blijkbaar veel minder van begrepen.
Omdat het einde van de uitspraak overging in het begin, klonk de wedergeboorte ervan telkens weer als iets vruchteloos. Het bouwwerk werd zo een mausoleum met omgekeerde bedoelingen. Een vingerwijzing, niet ter nagedachtenis van de dode, maar bedoeld voor iedereen die het bouwwerk levend betrad.
Zekerder was wat de benen vertelden. Rondjes draaien, betekende vooral vermoeid raken. Vooraleer te beseffen dat de tekst en het gebouw een spel met hen speelden, belandden de drie vrienden op een van de bankjes die samen met het architectonische curiosum waren ontworpen.
‘Van al dat vorkengedoe krijg ik honger!’ zei Kurt, de dikste van de drie. De anderen knikten instemmend.
Kurt, Erich en Harald kenden elkaar ruim zestig jaar. De oorlog had hen bij elkaar gebracht. Zij vlogen in Heinkels, Görings Duitse trots, hoog aan de hemel. Voor Kurt, die navigator was geweest, gold het belang van een lens als heel groot. Harald was dan weer de leider. Piloot en majoor geweest. Hij had, misschien door de omstandigheden gedwongen, een fascinatie voor wolken ontwikkeld. Erich was goed in talen. In het ontcijferen van codes en geheime opdrachten was hij een van de beste van het eskader. Hij berekende wanneer de bommen gedropt moesten worden. Hij verzorgde samen met Kurt vooral de communicatie met de basis. Heinz, een ander bemanningslid, de man die de geschutskoepel bovenop bediende, werd tijdens een van de vluchten uit zijn positie weggeschoten. Behalve enkele bloedspatten was niets meer van hem over. Was hij blijven leven, hij zou zeker geïnteresseerd zijn geweest in mysterieuze verdwijningen. De drie overgebleven heren waren, ruim zestig jaar na de grote nederlaag, toch vrienden gebleven. In de tijd dat je elkaar nog levenslang trouw bleef, vielen die gewoonten niet erg op. Maar in het heden wel. Omdat de drie heren zich daarvan bewust waren, organiseerden ze elk jaar een reis naar een plek ergens binnen de landsgrenzen. Verleden jaar hadden ze nog het drielandenpunt aangedaan, waar België, Nederland en hun eigen land in één punt bij elkaar kwamen. Zij hadden elkaar daar tijdens de oorlog, op de vliegbasis van de Luftwaffe, voor het eerst ontmoet. In een bommenwerper werd hun vriendschap bezegeld. Iedereen leek in het toestel zijn taak te kennen. Ook de hiërarchie tussen de vrienden was duidelijk aan hun positie af te lezen.
Dit jaar zou het getal drie in de keuze van de reis weer een rol spelen. Kurt had in een magazine een artikel gelezen over het nieuwe paviljoentje in Weimar met de drie toegangen. Een vork van de grote filosoof gaan bekijken, dat leek hem wel de moeite waard. Van zo’n vork zou je wel vanzelf honger krijgen - en zo terug naar huis. Dat vonden de andere twee een meer dan prima idee.
* * *
In het restaurant, na het bezoek aan het paviljoen met de vork, bestelde ieder voor zich bier als aperitief.
Harald opende het gesprek en vond de uitspraak op het gebouw hoogst opmerkelijk.
‘Die Nietzsche toch, een prachtige man, ik denk dat ik niets van hem begrijp, maar je kunt wel eindeloos nadenken over die ene zin. Misschien moet ik toch nog maar eens iets van hem preciezer gaan lezen, nu dat met een lorgnet weer beter gaat.’
Kurt vond de vork dan weer een prachtig instrument om contact te krijgen met de culinaire voorkeuren van de filosoof.
‘Ik geloof echt dat hij een kookkunstenaar was, en afwassen dat deed hij volgens mij al even graag. Volgens mij is dat ook de reden waarom het water bij regen zo langs de vork loopt. Het gebouw zit boordevol symboliek en geheime boodschappen. Dat ik dat niet eerder heb ingezien. Heb je ook gemerkt hoe mooi de vork er nog uitzag?’
Erich vond iets beoordelen enkel mogelijk via zijn lorgnet. Ook de vork van Nietzsche en het omringende gebouw beoordeelde hij op die manier.
Hij zei ook: ‘Stel dat we ons geen lorgnet hadden aangeschaft, wat hadden we dan wel gezien? Jullie leken deze morgen al naar heel andere dingen te kijken dan ik.’
‘Nou, dat valt nog te bezien,’ zei Harald.
Erich zei dan weer.: ‘Ik heb door beide brillen gekeken om alles beter te begrijpen. Ikzelf had al de indruk twee werelden te aanschouwen, nog gezwegen van wat jullie allemaal hebben gezien.’
‘Dat het woord vork met een hoofdletter is geschreven, wijst toch op een soort verering?’
‘Waarom? In het Duits schrijf je toch alle zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter?’
‘Jawel, maar hier leek het iets anders te betekenen, iets buiten de grammatica.’
‘Man toch! Was Nietzsche niet de filosoof die zei dat God dood was? Wat zouden we dan Nietzsche vereren?’
Zo praatten ze door elkaar heen.
Kurt dacht na en zei: ‘Mijne heren, de hoofdletter heeft mijns inziens betrekking op de taal, de geest dus, maar tegelijkertijd op de behoefte van Nietzsche om iedereen voor te houden dat eten belangrijk is. En een vork is daarom het meest uitgesproken voorwerp om dat aan te geven. Een lepel heeft dat minder, een mes verwijst dan weer naar heel andere dingen. Ik vermoed dat de ontwerpers van het paviljoen wilden aantonen dat eten voor Nietzsche iets was dat boven filosoferen stond. Filosoferen is een culturele of religieuze bezigheid, eten is een behoefte die van veel groter belang is. Zonder filosofie ga je niet dood, maar zonder eten, neen, ook geen filosofie.’
‘Wat een dwaze discussie, ik, neen…voor mij gaat dit wat te ver. Als we onze lorgnetten niet hadden opgezet, dan hadden we gewoon niets gezien. Door niets te zien hadden we allemaal hetzelfde gezien. Een discussie zoals deze zou nooit ontaarden in speculaties over wat we deze morgen al dan niet gezien hebben: of dat nu filosofie was of gewoon een primitieve behoefte. Trouwens, is het jullie opgevallen dat sinds we beter kunnen zien, al onze discussies zich lijken te beperken tot wat we alle drie verschillend zien? Toen we niets zagen, spraken we, haast blindelings, dezelfde taal.’
‘Primitieve behoefte, ah, jij noemt dat zo, primaire behoefte bedoelde je waarschijnlijk. Maar los daarvan, man, jij hebt het leven altijd alleen maar bekeken door kleine cirkeltjes. Eerst was er dat navigatiesysteem aan boord van onze Heinkel, een paar kleine diametertjes waaraan jij je leven helemaal aan ophing. Nu is je perspectief vernauwd tot een oculair. Heb je dan altijd zo’n cirkelvormig kader nodig?’
Kurt werd heel erg kwaad: ‘Mijn cirkelvormig kader nu is een bord met eten en ik mag hopen dat je daar geen problemen mee hebt, anders stap ik hier meteen op!’
‘Zorg dan maar dat je zelf thuiskomt.’
Zonder een woord te zeggen, maar trillend van woede, vouwde Kurt zijn lorgnet op; hij stak het in zijn pochet en verdween. Aan de bar rekende hij zijn aandeel af. De ober bedankte hij met een wegwerpgebaar. Het tikken van zijn wandelstok verried grote ergernis.
‘Nou, Harald!, tevreden met het effect van je gelijkhebberij? Je zit niet meer in je vliegtuig, hè! Toen was iedereen het erover eens dat wat jij zei ook gedaan moest worden. Iedereen had zijn taak, elk deeltje was een radertje van één groter geheel. Maar nu, nee man, we leven niet meer binnen de wetten die dat vliegtuig ons oplegde. Ik kan eigenlijk het standpunt van Kurt goed begrijpen, en dat is dat iedereen hier zijn mening heeft: die brillen hebben zijn mening en mijn mening alleen maar versterkt, waar of niet?’
‘Onzin. Erich, de beste tijd was de tijd in het vliegtuig. En over brillen gesproken, wij droegen toen allemaal rubberen brillen. Allemaal dezelfde trouwens, iedereen gelijk! Dat was nog eens een tijd.’
Erich keek hem boos aan. ‘En Heinz dan? en de oorlog hebben we ook al verloren!’ Wat nu beste tijd?’
‘Heinz? Dat was jouw schuld, jij had die klep maar beter moeten instellen. We zouden nooit die Spitfire in de rug hebben gekregen. En wat de oorlog betreft, we hebben die verloren door mensen zoals jullie. Te veel verschillende gedachten, te veel anders kijken, nee, jullie hebben niets van de moderniteit begrepen. Nostalgie, brilletjes…het kan me allemaal gestolen worden. Het zal geen toeval zijn dat jouw lorgnet twee brillen bevat. Hoe kan iemand nu hinken op twee gedachten?’ En ademloos vervolgde Harald: ‘Dat doe je toch niet, wat heb je dan nog voor ogen?’
‘Onzin man, altijd dat grote gelijk van jou! Met twee perspectieven zie je tenminste de rijkdom in van het leven. En om dat grote gelijk nog wat meer te beteugelen: in de aarzeling zit de kans verscholen om te kiezen tussen verschillende gedachten. Vandaag de dag krijg je die kans om zelf te beslissen.’
‘Kans! Werkelijk, wat een onzin! Nooit gedacht dat het zo met jullie zou aflopen. Weet je wat, als je dan toch zo graag aarzelt tussen twee gedachten, dan kan je vanaf nu kiezen tussen mij of Kurt. Eens zien naar wie je voorkeur zal uitgaan: naar een piloot of naar een navigator.’
En Harald stapte op, maar niet zonder nog eens vernietigend naar Erich uit te halen. ‘Succes, ik heb heel erg met je te doen, en waarom we de oorlog hebben verloren, zie ik nu heel duidelijk: door mannen die niet goed weten of ze die bril moeten opzetten of een andere. Ik durf er wat op te verwedden dat je nog niet eens kunt kiezen welke bril je zult gebruiken om te zien hoe ik het restaurant verlaat. Wanneer jij kiest ben ik al twee stappen verder. Dat is de ware vooruitgang, kerel!’
‘Rot op!’ of ‘Modernist!’ Dat waren de twee scheldwoorden die Erich in gedachten had, maar niet uitsprak.
|