|
|
Hans Theys
DE RUIMTE DOOR HET CULTUURLOZE LANDSCHAP GETROKKEN
Enkele woorden over het werk van Koen Deprez
Koen Deprez is een gedreven man. Hij is alert, aandachtig, gevat, terzake. Hij
kan beslissingen nemen, maar hij kan zich ook laten verzinken in een trage tijd.
Hij woont in het zuiden van Brussel, in een zelf ontworpen huis dat voorlopig
half afgewerkt is gebleven. Je voelt dat hij het op een dag zal afwerken, maar
dan wel in één ruk. Hij woont samen met zijn Monique Verelst, hun dochtertje
Lune en een dalmatiër. Toen ik hem leerde kennen woonde er nog een tweede hond,
een boxer, maar die is intussen overleden.
Het werk van Deprez (architectuur, interieur-architectuur,
tentoonstelingsopbouw, sculptuur, meubelontwerp) is een gericht dwalen voorbij
de moderniteit. Zijn manier van werken is radicaal, helder, uitgemeten poëtisch,
dwars. In een brief aan Adolf Loos eist hij het recht op niet-ascetische ruimtes
te bedenken, die hij onder andere vorm geeft door literaire werken door ruimtes
te duwen, zodat er onvoorspelbare, schijnbaar decoratieve ruimtes en vormen
tevoorschijn komen, uitgevoerd door ambachtslieden die werken met de mooiste
materialen.
Wat mij hierin boeit is het besef dat elke strategie die tot nieuwe vormen kan
leiden een goede strategie is. Het modernisme van Loos, dat zijn
Biedermeier-context is ontgroeid, is verworden tot een zielloos snijdend mes.
Deprez remplaceert dit door het pistool uit een moordverhaal van Stefan
Themerson dat mij doet denken aan het zelf gesmede pistooltje van Benvenuto
Cellini, waarmee die van op honderd pas een duif tussen de ogen schoot.
Wat mij hier ook in boeit is de bloei van een nieuwe barok, als een gestileerde
overstroming van losgeslagen zinnebeelden, klanken en texturen die werelden
oproepen die op een nieuwe manier zowel radicaal als dandyesk zijn.
HET CULTUURLOZE LANDSCHAP, DE RECHTE LIJN EN ZELFNAVIGATIE
De kunstenaar vertelde mij drie verhalen over zijn ervaringen bij het leger als
Kandidaat Reserve Officier, waar hij werd ingedeeld bij een Bataljon
Pantserinfanterie.
Koen Deprez: ‘In het leger willen ze je twee dingen bijbrengen: hoe je
onzichtbaar moet blijven en hoe je de systematiek van de tegenstander kunt
achterhalen en daarna ontregelen. Daarvoor hebben ze verschillende technieken,
die veel weg hebben van een soort van hogere studies in de stedenbouwkunde.
Eigenlijk komt het hierop neer dat het terrein waarover je je beweegt ontdaan
wordt van culturele afspraken. De ruimte wordt niet meer politiek of cultureel
verklaard. Een straat is niet meer beladen met wat daar gebeurt. Een boom wordt
niet meer bepaald door wat je er al dan niet mee mag doen. Programma’s werken
niet meer en functies worden geabstraheerd of opgeheven, vooral in stedelijk
gebied. Je staat dus in een landschap dat compleet van jou is en compleet niet
van jou is. Het is een omgeving waar je geen rechten op hebt, waar je alleen
maar doorwaadt, doorloopt, zoals een wolf, die nergens thuis is, maar het zich
overal gezellig maakt. Hoe meer je afstand kan nemen van de conventionele manier
van kijken, hoe groter je overlevingskansen zijn.’
Het eerste verhaal gaat over FTX, een grootscheepse, Europese legeroefening aan
de Oost-Duitse grens, nabij de rivier De Wezer. Deprez bevindt zich in een AIFV,
een licht pantservoertuig. Samen met drie andere pantservoertuigen, die zich
buiten zijn gezichtsveld bevinden, rijdt hij door het landschap. Ze communiceren
met behulp van kaarten en radioverbindingen met keelmicrofoon. Als Deprez zijn
tankvoerder de opdracht geeft zich naar een bepaald punt te begeven, krijgt hij
de schok van zijn leven. In plaats van de hoofdstraat van een dorpje te
gebruiken om bij de kerk te geraken, rijdt de chauffeur door de achtertuintjes
van de huizen die aan deze straat palen. Deprez ziet hoe een man, die het gras
aan het maaien is, halsoverkop zijn huis in duikelt. De tank verwoest alles,
rijdt alles plat, en arriveert op een onverhoedse manier achter de kerk.
In het tweede verhaal vertelt de kunstenaar hoe hij in het leger heeft geleerd
‘echte’ perspectieven te maken.
Koen Deprez: ‘In de architectuur maak je altijd perspectieven met een
vluchtpunt. Je snijdt in de wereld en je tekent wat je belangrijk vindt, wat
voor jou van belang is. Elk perspectief vertrekt bij een selectieve, beperkende
dwarsdoorsnede van de wereld. Ik stelde mijn studenten vaak voor ook te tekenen
wat zich achter hen bevond. In het leger is dat normaal. Ze leren je daar
schetsen waar je bent. Je krijgt of vervaardigt basisschema’s met concentrische
cirkels en daarop schets je de wereld rond je. Jij bent het centrum. De cirkels
zijn niet op schaal. Hun onderlinge afstand is afhankelijk van afstanden die je
zelf inschat. Je tekent alleen zaken die van belang zijn om je te kunnen
oriënteren. Je maakt geen selectie van waar je wel naar kijkt en waar niet. Je
neemt geen sectie van de omgeving. Je probeert de hele omgeving tegelijk te
vatten. Je ziet in de verte een merkwaardig huis. In de buurt daarvan blaft een
hond. Dat wordt op je tekening het blaffende huis. Of de grote boom. Of de gele
rivier. Zo krijg je een reconstructie van een landschap dat zich 360° rond jou
uitstrekt, zonder dat je bepaalt welke elementen in je tekening je al dan niet
persoonlijk raken.
Op elke plek waar om tactische redenen wordt haltgehouden, moet je zo’n schets
maken, zodat alle leden van je peloton kunnen communiceren via deze schetsen.
Samen, met de rug naar elkaar gekeerd, kunnen ze het hele landschap in het oog
houden, zodat iedereen precies weet wat er achter zijn of haar rug gebeurt. Je
wordt een vliegenoog. Iedereen neemt een spie van de taart voor zijn rekening.
Je leert de anderen vertrouwen. Je rekent erop dat iedereen het nodige doet.
Zonodig weet iedereen ook precies in welke richting gekeken moet worden. Mensen
die geen architectuur gestudeerd hebben kunnen dat ook heel goed. Die kunnen ook
zeggen: het blaffende huis. Die bewegen mee in dezelfde, surrealistische wereld.
Het is fascinerend om 360° rond je te kijken. Allerlei punten in de verte vallen
samen en vormen een nieuw landschap. De relaties die je legt tussen de
verschillende elementen van dit beeld, los van elk programma, elke functie, elke
politieke, sociale, culturele of persoonlijke context, creëren nieuwe,
onvermoede vormen.’
Het derde verhaal gaat over een oefening, waarbij Deprez zich moest oriënteren
met behulp van gefotokopieerde (kleurloze) stafkaarten waar gaten in waren
gebrand.
Koen Deprez: ‘Onze eindbestemming bevond zich op een plek in een van de gaten.
In principe doe je dat door ‘azimut te lopen’: je in rechte lijnen te bewegen,
geleid door een kompas. In het begin is dat moeilijk. Je moet leren je kompas te
vertrouwen en je denken in functie daarvan in en uit te schakelen. Tijdens je
bewegingen in rechte lijnen maak je schetsen van de omgeving. Eigenlijk breng je
het gebied zelf in kaart. Je maakt een kaart die niet uitsluitend gebaseerd is
op topografische gegevens en beter werkt. Anderen volgen andere lijnen, maar het
resultaat komt op hetzelfde neer. Alle lijnen behoren tot hetzelfde landschap.
De verzameling van alle lijnen is het landschap. Het landschap is beheersbaar
door verschillende verzamelingen van lijnen, een beetje zoals taalspelen,
waarbij de verzameling van alle taalspelen de taal is.
Terwijl je dit doet moet je natuurlijk onzichtbaar blijven. Om je te kunnen
oriënteren beweeg je bijvoorbeeld over hoge gedeelten van het landschap, maar
nooit op de top, omdat je dan goed te zien bent door het tegenlicht. Je staat of
loopt ook niet in dichte groepjes. Mijn tactiek om deze opdracht op te lossen
bestond erin over de rand van de kaart te rijden, wat voor de oefening ten
strengste verboden was. Het gebied buiten de kaart was ook een gat.
Toen ik later de kans kreeg een onderwijsprogramma samen te stellen voor een
kunstschool, heb ik onder andere gebruik gemaakt van mijn ervaring in het leger.
Het lesprogramma beschouwde ik als het verplichte landschap dat de student moest
doorkruisen en dat we op een bewuste manier konden voorzien van gaten. Ik dacht
aan de manier waarop wolven een landschap doorkruisen. Die volgen loxodromen,
terwijl de rest van de wereld in de vorm van concentrische cirkels met hen
meebeweegt. Na een tijd veranderen ze wel van richting, maar dan volgen ze
opnieuw een loxodroom. Zo zigzaggen ze door het landschap. Ze worden geleid door
een innerlijk kompas. Volgens mij hebben studenten ook zo’n innerlijk kompas.
Zodra ze hun eigen richting gevonden hebben, die volledig kan ingaan tegen het
landschap van het lesprogramma, worden ze gelukkig. Ik noem dat zelfnavigatie.
Doorgaans wordt er in het onderwijs van uitgegaan dat de student tabula rasa
moet maken. Hij of zij moet alles vergeten wat hij of zij voordien wist en dan
kan het professionele werk beginnen. Ik zag dat anders. Volgens mij beschikken
alle studenten al over alles wat ze nodig hebben. Ze hebben een onzichtbare
rugzak bij waarin al die schatten opgeborgen zitten. De docenten moeten hen
alleen helpen alles op een voorzichtige, bruikbare manier uit die rugzak te
halen. Het gaat niet om je studierichting, maar om je levensvorm. Hoe kunnen we
het innerlijk kompas van elke student zoveel mogelijk ruimte geven? Als je
consequent doordenkt en je laat de studenten in rechte lijnen lopen, hun
innerlijk kompas volgend, dan is er natuurlijk een grote kans dat ze hun
zogezegde vakgebied verlaten. Ze zulen terecht komen op een ander stukje kaart
rond de kaart. Dan kan je hen terug op de kaart duwen of gewoon laten afstuderen
op een andere kaart. Het sluitstuk binnen elke vorm van onderwijs is het examen.
Met dat instrument zorgt de school, het instituut, er automatisch voor dat
iedereen op de kaart blijft. In ruil daarvoor krijg je een diploma met daarop
een cijfer. Dat cijfer kan je plaatsen op de kaart. Het examen is wat de
deurklink, het slot en de sleutel voor de deur zijn. En de deur voor de
architectuur.’
OMKERINGEN EN MORMELS
In 1989 werd Deprez, op voordracht van Jan Mot en ter gelegenheid van de eerste
editie van het festival Ars Musica, uitgenodigd om in het Flageygebouw een
tentoonstelling op te bouwen rond het werk van de architect Joseph Diongre, die
onder andere het Flageygebouw heeft ontworpen. Het budget was minimaal. Deprez
voorzag een op tachtig centimeter hoogte zwevende, witte camembert die aan vier
kabels werd opgehangen in de toren van het gebouw (een zeven verdiepingen hoge
vide) en die diende als sokkel voor een maquette van het oude NIR-gebouw. Zes
stoelen van Diongre wilde hij tentoonstellen op een tweede, zwevend, wit
platform, dat rustte op windverbanden van staalkabels die tussen zes staande
balken opgespannen zouden worden. Toen hij met zijn stalen profielen arriveerde,
bleken ze echter te kort te zijn om ze tussen de vloer en het plafond te
spannen. Daarom besloot hij de zes stoelen van Diongre te gebruiken als
verlengstuk voor de rechtopstaande balken. De stoelen stonden ondersteboven
tegen het plafond, ondersteund door de balken, die op hun beurt omhoog geduwd
werden door middel van vijzels. Het ‘tentoonstellingsmateriaal’ werd deel van de
‘tentoonstellingsinfrastructuur’ en omgekeerd: de zwevende sokkel ging deel
uitmaken van een autonoom, vormelijk manifest.
‘Door de stoelen ondersteboven te hangen kwamen ze los van hun functie en kon je
hun vormgeving veel beter onderscheiden,’ vertelt Deprez. ‘Later heb ik nog veel
tentoonstellingen vormgegeven, waarbij ik geen onderscheid heb gemaakt tussen
het tentoongestelde voorwerp en wat je gebruikt om het tentoon te stellen, zodat
de tentoonstellingsinfrastructuur op de voorgrond treedt, als sculptuur of
architecturale ingreep, en de tentoongestelde voorwerpen lijken deel uit te
maken van de achtergrond.’
Dit soort omkeringen keert voortdurend terug in het werk van Deprez. Een
prachtig voorbeeld is de manier waarop hij op dit ogenblik een tentoonstelling
over het werk van Willem Frederik Hermans aan het voorbereiden is. De voorbije
jaren heeft Koen Deprez alle huizen en appartementen opgemeten waarin Hermans
ooit heeft gewoond. Uit de muren van elke woning heeft hij een driedimensionale
sectie gelicht die hij op ware grootte heeft gereproduceerd. Het resultaat is
prachtig. Niet alleen leidde deze werkmethode tot onvoorspelbare vormen, je kan
er bijvoorbeeld ook uit aflezen hoe de financiële situatie van Hermans
evolueerde. Hoe ouder hij werd, hoe dikker de muren (tot hij aan het eind van
zijn leven in Brussel kwam wonen, daar waren de muren minder dik dan in Parijs).
Uiteindelijk zullen deze gereconstrueerde secties gebruikt worden als sokkels om
manuscripten tentoon te stellen in de Brusselse Koninklijke Bibliotheek.
Een van Deprez’s eerste ‘omkeringen’ was het ontwerp van een lamp. Gaandeweg was
hij er tijdens zijn opleiding van overtuigd geraakt dat hij niet aan
interieurarchitectuur kon doen zonder zich ook met de grote schaal bezig te
houden. Zo was het ontwerp van een slaapkamer uitgemond in een pretpark in de
Ardennen, in Trois Ponts, waar vliegtuigen toekwamen en vertrokken. De
slaapkamer zat onder het ijs, er waren pinguïns en je had broodroosters nodig
om warm te kunnen eten.
Toen een aantal leden van de Rode Brigades werden gevangen genomen, ontwierp
Deprez celdeuren waarvan de klinken aan de kant van de scharnier zaten. ‘Ik had
de indruk dat ik met een heel klein ding een heel systeem kon uitdrukken of
ondermijnen,’ vertelt Deprez, ‘tenslotte zijn de deur en de klink de kleinste
delen van de gevangenis die ook het idee ‘gevangenis’ uitdrukken. Als je een
deurklink aan de kant van de scharnieren zet kan je niet meer naar binnen,
alleen maar naar buiten. Je kan wel nog duwen, maar trekken wordt te zwaar.'
Zo is hij er gaandeweg toe gekomen wel met het interieur te werken, maar niet
aan designinterieur te doen. ‘Ik wilde geen nieuwe designlampen maken zoals je
ze kan vinden in grote meubelwinkels: van dat afgekalfd modernisme. Ik heb dan
wel een lamp gemaakt, maar dan een lamp die niet in een huis kan. De
standaardhoogte van een interieur is 260 centimeter. Mijn lamp was 290
centimeter hoog, zodat ze niet binnen kon in een normaal interieur. Daardoor
ging ik haar zien als een schaalmodel. Een schaalmodel voor een monument voor
het heelal, voor het grootst mogelijke. Een soort van neoliberaal manifest.
(Lacht.) Die lamp draaide. Zoals het licht van vuurtorens, natuurlijk, maar ook
zoals het draaiende Mercedes-teken op de Martini-toren. Ik heb van die lamp een
grote tekening gemaakt waarop ik haar tussen werk van Koolhaas en Leonidov
plaats, zodat je ziet hoe ze functioneert tussen architectuurtekens in een
stedelijke context. Dat was om de schaal aan te geven. Door die tekening werd de
lamp een schaalmodel voor een stuk architectuur.’
Het enige meubel dat Deprez ooit heeft ontworpen en laten uitvoeren, was een
driehoekige, marmeren tafel met drie poten. ‘Een tafel met drie poten is veel
stabieler dan een tafel met vier poten, omdat vloeren nooit perfect waterpas
zijn,’ vertelt Deprez. ‘Een tafel met vier poten gaat wankelen een tafel met
drie poten niet.’ Oorspronkelijk maakte de tafel deel uit van een installatie
waarin twee vormen van perspectief gecombineerd werden: een klassiek, ruimtelijk
perspectief dat vorm kreeg in de spits toelopende tafel, en het elektronische
perspectief van een televisiescherm dat zich aan het uiteinde van de spits
bevond. Op dit scherm waren laag overvliegende, in de richting van de kijker
opstijgende vliegtuigen te zien, die een derde, virtuele diagonaal toevoegden
aan de installatie.
Tot nog toe heeft Koen Deprez weinig meubels ontworpen, omdat meubels doorgaans
beperkt worden door hun programma. Zo vertrekken alle meubels van de
veronderstelling dat ze op een horizontale vloer terecht zullen komen. Deprez
vindt het fascinerend zich aan dat soort beperkingen te onttrekken. De tafel met
drie poten is een eerste, voorzichtig antwoord op de dictatuur van de zogenaamd
horizontale vloer. Deprez denkt na over meubels die de mensen niet tot een
bepaald gedrag dwingen, maar mogelijkheden creëren voor verschillende vormen van
gedrag. Een goed voorbeeld hiervan zijn de met antislipmateriaal beklede
schabben op borsthoogte (135 centimeter hoog) die deel uitmaken van de nieuwe
inrichting van de foyer van de Brusselse Ancienne Belgique. De vorm van deze
tafeltjes wordt bepaald door de richting waarin de mensen geëvacueerd worden als
er brand uitbreekt. De mensen gebruiken ze om hun glazen op te zetten, maar ze
leunen er ook op met hun ellebogen of ze gaan er aan hangen.
Koen Deprez: ‘Een stoel moet een brug slaan tussen mijn lichaam en de wereld. In
hun organisatie zijn stoelen veel te vast. Ze zetten ons vast in een situatie en
in een handeling ten opzichte van de ruimte. Ik heb een aantal studenten eens
gevraagd een week lang hun ouders te fotograferen om samen te kunnen bestuderen
hoe die mensen hun woonruimte gebruikten. Zoals verwacht gebruikten ze de ruimte
en de meubels op tal van manieren die niet stroken met de programma’s die aan de
basis liggen van hun ontwerp. Mensen liggen ondersteboven in hun zetel, ze
gebruiken de driezit om spaghetti te eten voor de televisie. Ze ontmoeten elkaar
aan het fornuis in de keuken, waar ze zonder het te weten rondjes draaien.
Tijdens het telefoneren tasten ze met hun vingers de knobbel van de trapleuning
af. Interieurs zijn voor de helft a-architecturaal, ze gaan er tegenin.
Opdrachtgevers proberen dit conflict vaak te beschrijven. Ze worstelen ermee,
maar ze kunnen het niet verwoorden. Ontwerpers die vasthouden aan strikte
programma’s kunnen alleen maar aan vormgeving doen. Wie verdergaat dan het
programma, kan meer doen dan vormgeven.
Rietveld zei: “Als je wil weten hoe ver je staat als ontwerper, moet je een
stoel maken”.
Op bepaalde feestjes zit iedereen na drie uur op de grond. Maar als iemand
meteen na het binnenkomen op de grond zou gaan zitten, zou dat onbeleefd
gevonden worden. Zelfs mensen met dassen zitten na drie uur op de grond. Na drie
uur mag het. De dassen worden ook losgemaakt en uitgetrokken. Eigenlijk hebben
we hier te maken met een soort van transgressie; je overschrijdt geen grens,
maar de grens wordt collectief meegetrokken. “La transgression ne transgresse
pas la loi,” zei Blanchot, “elle l’emporte avec elle”.
Door met meubels te werken zet je mensen vast in een structuur. Daarom probeer
ik meubels te maken die de bestaande structuren en verwachtingspatronen
ontkrachten. De voorbije vier jaar heb ik gewerkt aan een mormel dat zich niks
aantrekt van de dictatuur van de horizontale vloer. Het wordt een meubel dat
zonder probleem ook op een schuine of oneffen vloer kan staan. De vorm ervan zal
geen enkele vooraf bepaalde of zichtbare zit- of lighouding suggereren, net
zoals een rotsblok die je mee naar huis hebt genomen: de manier waarop je hem
hebt neergelegd wordt bepalend voor de manier waarop je ernaar kijkt en ermee
omgaat. Bij het schetsen van die mormels ga ik een strijd aan met mezelf. Ik
maak een schets van een zithouding en draai mijn blad om, zodat de
voorgeprogrammeerde vorm onzichtbaar en onbruikbaar wordt. Elk beeld dat
aangeeft hoe het meubel gebruikt moet worden belet de ontwikkeling van vormen
die verschillende zithoudingen mogelijk maken. Het wordt een mormel met
verschillende geledingen, zonder onderkant, bovenkant, zijkant, voorkant of
achterkant. De droom is dat je de vorm niet begrijpt wanneer je de ruimte
betreedt, maar dat je er – al was het maar uit verveling – gaandeweg en onbewust
een relatie mee aangaat. Als de vorm bekleed is met leer, zal de gebruiker
vermoeden dat het een zacht voorwerp is. Het uiterlijk zal dus wel een bepaald
gedrag uitlokken, maar het niet dicteren. Het is zoals de ruimte tussen twee
wortels van een grote boom in een bos. Je voelt direct of je achterwerk ertussen
zal passen of niet. Zo’n effect wil ik bereiken met een zitelement.
Belanden we daardoor in een chaos? Helemaal niet. We komen alleen terecht in een
wereld met een eigen wetmatigheid. Sommige mensen zullen het meubel gebruiken om
op te gaan zitten, anderen zullen er hun voet op zetten om hun veters te
strikken, iets wat we niet mogen doen met een klassiek meubel.
Ik wil een firma vinden die een perfect leren meubel kan maken, met perfect
gestikte naden en heel weinig verschillen in de afwerking, zodat het grootste
verschil tussen de verschillende exemplaren zal berusten in de manier waarop de
verschillende elementen gekanteld worden. Hoe utopischer het project, hoe
realistischer het voorgesteld moet worden. Het concreet realiseren van zo’n
meubel is een vak apart. Dat heeft iets rauws in zich, als je die koeienvellen
ziet liggen en je bedenkt dat die deel gaan uitmaken van iemands interieur. Dat
is een stuk platgetrapte koe, bijna.
Mijn pogingen een zitmeubel te ontwerpen dat zich onttrekt aan een heldere
lezing, aan een herkenbare, culturele signatuur, heeft te maken met mijn
overtuiging dat elke cultuur bestaat uit een verzameling taalspelen die gebruikt
worden om om te gaan met een indifferente werkelijkheid. Dat is mij bijvoorbeeld
heel sterk opgevallen in Sarajevo. Sarajevo is een lineaire stad die zich in een
dal bevindt en waar drie culturen samenwonen. De bergen die de stad omringen,
vormen voor elke cultuur andere gegevens. Toch zijn het dezelfde bergen. De kern
van mijn werk bestaat erin dat ik het cultuurloze landschap probeer te beamen om
tot nieuwe, minder tirannieke vormen te komen.’
DE DUBBELE WAND EN HET OVEREEN LEGGEN VAN PROGRAMMA’S
De drie poten van de driehoekige tafel die hierboven ter sprake kwam waren
afkomstig van een project voor strandcabines dat Koen Deprez net voordien had
afgewerkt. Op uitnodiging van de architect Alfons Hoppenbrouwers, mocht Deprez
in 1987 meedingen in een ontwerpwedstrijd voor strandcabines voor de Belgische
kust. ‘De organisator was een verffabrikant,’ vertelt Deprez, ‘je kon met je
ellebogen aanvoelen dat het met veel kleurtjes moest zijn.’
Deprez had pas een tekst van Mario Merz gelezen over alle verborgen zaken die
zich achter gevels afspelen en niet noodzakelijk beantwoorden aan de
vooropgestelde programma’s. Hij bedacht hoe die strandcabines gebruikt worden
voor allerlei oneigenlijke doeleinden, zoals seksuele ontmoetingen of de opslag
van wapens of drugs en ontwierp strandcabines die de vorm aannamen van gesloten,
metalen cilinders die op drie poten van twee à drie meter hoog stonden. De
cabines, die zowel aan paalwoningen als aan middeleeuwse ridderhelmen deden
denken, hadden maar één raampje, meer een klein kijkgat, dat geen uitzicht gaf
op zee, maar terugstaarde naar de gebouwen op de dijk. Zo ontstonden twee stomme
rijen van soldaten, die roerloos naar elkaar keken, een dubbele wand, twee
spiegels, een lange gang voor spitsroedenlopers. ‘Ineens werd het strand een
ruimte,’ vertelt Deprez, ‘nu bloedt de ruimte weg’.
Drie maquettes van deze strandcabines werden tentoongesteld in het Oostendse
PMMK. De toenmalige directeur van dit museum, Willy Vandenbussche, beschouwde
Deprez als een gek, omdat hij mensen ‘s zomers in niet geïsoleerde stalen kokers
wilde steken.
De ingang van de cabines bevond zich onderaan. Bij eb bereikte je ze door middel
van een laddertje, bij vloed bereikte je ze al zwemmend.
Als alternatief had Deprez nog een tweede soort cabines ontworpen: stoomwolkjes
die het mogelijk maakten je ongezien om te kleden. (Luc Deleu stelde als
oplossing een naaktstrand voor.) ‘De wolkjes deden denken aan rook,’ aldus
Deprez, ‘zodat je de indruk kreeg dat het landschap in brand stond. Een beetje
zoals in IJsland, eigenlijk.’
Het beeld van een dubbele, doorzichtige wand keert terug in tal van projecten,
bijvoorbeeld in Europakruispunt, een uit de jaren tachtig daterend
stedenbouwkundig wedstrijdontwerp voor het voorplein van het Brusselse Centraal
Station. Niet alleen omwille van de aanwezigheid van een doorzichtige wand, die
verschillende programma’s elkaar laat overlappen, maar ook omwille van dit
overlappen zelf.
Koen Deprez: ‘Eigenlijk is het voorplein van het Centraal Station een overdekte
kuil. Ik stelde voor deze kuil af te dekken met een platte, betonnen plaat
waarop uitgelichte sportinfrastructuren waren aangebracht, zodat je er zowel ’s
nachts als overdag kon sporten. Ondergronds werd één wand van de spoortunnel
vervangen door een glazen afscheiding. Op een tekening zie je een basketbalkorf
die aan deze glazen wand bevestigd is. Op de achtergrond zie je een perron. Het
ontwerp was geïnspireerd door een vluchtige ontmoeting met Carl Lewis in de
Kruidtuin. Hij was daar aan het trainen voor de Memorial Ivo Van Damme. Het had
mij als student getroffen dat deze atleet lak had aan het eigenlijke programma
van dat park, dat niet ontworpen is voor de training van topatleten. Daarom
wilde ik een plek creëren waar de levens van allerlei verschillende soorten
mensen elkaar zouden kruisen. Je hebt de mensen die toekomen met de trein, die
gaan werken en die ’s avonds weer vertrekken. Dan heb je de plaatselijke
bevolking, de toeristen en de bezoekers van plaatselijke musea, concertzalen en
bibliotheken. Al die mensen kwamen samen op één tablet, zoals ik dat noemde. De
programma’s van een station en een parkeerplaats werden gecombineerd met het
programma sport. De sportactiviteiten vonden niet plaats op afgezonderde
plekken. De hele locatie was beschikbaar om aan sport te doen. Overal zag je
mensen sporten.
Het project werd verworpen, omdat het geen rekening hield met een aantal lelijke
gebouwen die er al stonden. Ik was ontgoocheld, ik was ervan uitgegaan dat ik
zou winnen. Ik was twintig toen. Uiteindelijk kwamen er twee tentoonstellingen
die georganiseerd waren door de Leuvense universiteit. Er werden 18 projecten
geselecteerd. Het mijne stond erbij. Ik was blij dat de architectuurwereld mijn
ontwerp als architectuur beschouwde, terwijl ik de architectuur toch zoveel
mogelijk had willen vermijden, omdat vooral de sport mij interesseerde.
Jaren later maakte ik kennis met het werk L’Invention du quotidien van Michel de
Certeau, waarin betoogd wordt dat de mensen op hun eigen manier de weg in een
stad vinden en dat we raar zouden opkijken als we een reconstructie zouden maken
van hun bewegingen. De mensen zijn niet gek, zei hij. Zijn werk scheert
rakelings langs de taalspelen van Wittgenstein. De vorm ervan deed mij erg
denken aan de betrachtingen van Europakruispunt.’
EEN SPEL VAN VORMEN, HET PROGRAMMA EN DE FUNCTIE VOORBIJ (‘AGRESSIEPARK’ EN
‘HUIS VOOR DRIE MANNEN’)
Een constante in Deprez’s werk komt hierop neer dat hij bij het ontwerpen niet
vertrekt vanuit functies, maar vanuit vormen en concepten. Eén van de meest
consequente toepassingen hiervan is Agressiepark uit 1984. Dit park bestaat uit
een dubbele wand die een ring vormt over de hele aardbol, een beetje zoals een
holle, Chinese muur. Binnen deze dubbele wand, die ook enkele politieke
probleemgebieden doorkruist, is alles toegestaan. Er gelden geen wetten.
Iedereen kan er zijn lusten botvieren en zijn twisten uitvechten. Bij dit
project hoort een tekening waarop Deprez een fragment van deze lineaire
‘stadstaat’ heeft uitgetekend, op een manier die hem aan de ‘écriture
automatique’ doet denken: De tekening ontstond in een diagonale beweging van
onder naar boven en van links naar rechts, waarbij de ene figuur de andere
opriep. Je herkent onder andere een half basketbalveld en een half tennisveld
die aan elkaar gekleefd werden.
Een andere mooi voorbeeld van Deprez’s werkwijze is het Huis voor drie mannen.
Dit ‘huis’ is eigenlijk een module, een balkvormige, in het midden geknakte
huls, die je kan bekijken als een soort van leegstaande vuurtoren of berghut,
die tijdelijk benut wordt als atelier. De constructie is een schuilplaats. Je
kan er werken of er vertoeven, maar er langdurig wonen is niet mogelijk: er is
geen elektriciteit of verwarming en er zitten geen ruiten in de gaten in de
muren. Deze gaten zijn klein, zoals in al Deprez’s ontwerpen. Binnen vind je het
chiaroscuro van Romaanse kerken of bunkers. Bovenop de constructie bevindt zich
wel een doorzichtige koepel. ‘Als alles gesloten is, heb je de neiging naar
boven te gaan, naar het licht. Zoals in de barok. Die had ook de intentie van
ons naar boven te nijpen,’ vertelt Deprez. Verder kan je stellen dat de
constructie uiteenvalt in heldere, geometrische volumes, waarvan het
buitenaanzicht geen functies of programma's vertaalt.
Huis voor drie mannen is een schuilplaats, maar tegelijk wil het ook zichtbaar
zijn, als teken, als oriëntatiepunt. Tekenend in dit verband is dat de jonge
Koen Deprez ooit Rem Kolhaas heeft uitgenodigd om in Brussel te komen kijken
naar het draaiende Mercedes-teken bovenop de Martini-toren. Deprez vertelt dat
Koolhaas onder de indruk was van het architecturale effect van dit
reclame-element. ‘Het was zeker niet de grootste building in Brussel,’ vertelt
Deprez, ‘maar wel de building met de grootste architecturale impact.’
Dit verhaal vertelt ons iets over de gedrevenheid van deze kunstenaar. Koen
Deprez is een man van rechte lijnen. Hij denkt in termen van muren (in de zin
van dubbele wanden) en gaten. Het gat bepaalt de muur. Het gat is levend
geworden, geredde ruimte. Het gat duidt op een opportuniteit, op een beslissing.
De holte in een rotswand of de kom tussen de wortels van een dikke boom nodigen
ons uit om plaats te nemen. We schikken ons naar de beschikbare holtes. Het doel
van de ontwerper is holtes te maken. Tal van tekeningen zijn opgebouwd uit
minstens twee lagen. Het lijkt alsof de ontwerper zijn tekenblad één, twee of
drie keer in de diepte duwt om een gat voor zichzelf te creëren. Ademruimte.
Beweegruimte. Renruimte. Wetteloze ruimte.
Aan de andere kant wordt Koen Deprez aangetrokken tot het obstakel, dat ons kan
vrijmaken. Het Mercedes-teken wordt een oriënteringspunt. De Martini-toren wordt
een vuurtoren. Een Empire State building. Huis voor drie mannen, het schuiloord,
is zichtbaar van ver. Het is kwetsbaar. Het toont zich. Het reveleert ons niets
van wat zich binnen afspeelt. Zelfs de mannen die vanuit de koepel de omgeving
kunnen overzien zijn vanop de begane grond niet te zien. Vanuit louter
strategisch oogpunt gezien is de opzichtige plek van het ‘huis’ een blunder. De
mannen bevinden zich weliswaar in een soort van observatorium, van waaruit ze
zowel de hemel als een horizon van 360° kunnen afspeuren, maar ze vormen ook een
mikpunt voor andere observatoren. Mikpunt, kruispunt, trefpunt,
oriënteringspunt, maar vooral teken. Het bouwsel is in de eerste plaats een
teken, pas daarna blijkt het ook bruikbaar te zijn. Maar hoe meer dit
kraaiennest een teken wordt, hoe bruikbaarder het ook wordt. En kwetsbaarder.
Het gat is huls geworden, slakkenhuis, beschutte werkplaats, tijdelijk harnas,
paravent, windscherm en mirador. De bewoner verbergt zich, maar stelt zich
tegelijk kwetsbaar op. De huls wordt obstakel voor de anderen. Als obstakel, als
stoornis, krijgt het de waarde van een teken.
Beide kanten van Koen Deprez’s persoonlijkheid (het zoeken naar beschuttende
hulzen en het oprichten van kwetsbare obstakel-tekens) komen samen in een vroege
herinnering.
AFWASBAK
In 1978 bezoekt Koen Deprez de overzichtstentoonstelling van Panamarenko in het
Paleis voor Schone Kunsten. Hij is dan zestien jaar oud. Hij is het meest onder
de indruk van Afwasbak. Dit werk is een reconstructie van een beeld dat
Panamarenko in het leger heeft gezien. Het bestaat voornamelijk uit blik, karton
en plexiglas. Het stelt een nogal grote, vierkantige bak met afgeronde hoeken
voor, waarin schots en scheef potten en kannen schijnbaar half onder water
liggen. Het wateroppervlak wordt voorgesteld door een transparante, plexiglazen
plaat. Het gedeelte van het vaatwerk dat zich boven het wateroppervlak bevindt
is op deze plexiglazen plaat geplakt. Op de plaats waar ze het plexiglas raken,
zijn rond deze voorwerpen, op het plexiglas, afgeronde strookjes karton geplakt,
die de illusie van een schaduw of een rimpeling in het water oproepen. Voor
Panamarenko bestond de inzet van dit werk erin een jeugdherinnering met nieuwe
materialen te reconstrueren in de vorm van een driedimensionaal lappendeken, een
aan elkaar genaaide, transparante, heldere sculptuur van Picasso of Rik Poot,
een soort van verkreukelde cockpit. Het werk treft mij door de eenvoudige
materialen en technieken waarmee zowel een banaal voorwerp als een wonderlijk
verschijnsel zoals lichtbreking benaderd worden. Allicht heeft de jonge Koen
Deprez dezelfde zaken opgemerkt.
Hij moet echter ook hebben opgemerkt, vooral na het zien van de andere werken
die te zien waren op deze tentoonstelling, dat het bouwen van knullige huisjes,
gammele schuiloorden en vermomde cockpits in het werk Afwasbak een soort van
abstracte, bijna anonieme vorm heeft gekregen. Waarom zou dit beeld Panamarenko
zo hebben getroffen? Zou hij in het leger heimwee hebben gehad tijdens het
afwassen? En is het mogelijk dat deze afwasbak voor hem tegelijk een soort van
cockpit was, een geschutskoepel, een plek waar hij zich beschut kon wanen, ook
al vormde hij zo juist een doelwit? De keuken als beschutte ruimte, waar je niet
alleen bent. De keuken als ruimte waar je zichtbaar en kwetsbaar bent, beschermd
door je moeder.
Wat Koen Deprez blijft boeien in dit beeld, denk ik, is in de eerste plaats de
vorm ervan: de dubbele ruimte die ontstaat door de scheiding van het plexiglas.
Hier komen twee formele eigenschappen van Deprez’s werk samen: de dubbele wand
en het tot teken geworden obstakel. We kijken naar Panamarenkos Afwasbak als
naar een zeeslag, de maquette van een stad, een schijnbaar toevallig samenspel
van vormen, een opvallende buitenkant en een verborgen diepte. We zien de
overeenkomst tussen de kannen en Deprez’s woningen: het zijn hulzen die ons
niets vertellen over hun binnenkant. Bovendien verdwijnen ze achter een half
doorzichtige wand, die omkaderd is als een raam, als een vierkante patrijspoort.
Een week nadat ik Deprez zelfgemaakte detailfoto’s van Afwasbak opstuurde,
vertelde hij mij dat hij een overeenkomst had gezien tussen dit werk en een meer
in IJsland dat hij al drie keer heeft bezocht, waaronder twee keer met zijn
studenten: het ijsmeer Jökulsárlón. Zoals in Afwasbak de kannen scheef in het
water lijken te dobberen, zo drijven daar grote ijsblokken rond. Het is een
magisch landschap, omdat de ijsbergen onder invloed van weer, wind en stromingen
zachtjes van plaats veranderen. Als je een tijdje niet hebt opgelet en je je
niet hebt verplaatst, is je hele omgeving veranderd. (Het omgekeerde van wat er
gebeurt als je een berg beklimt via een slingerend pad.) De ijsbergen hebben de
meest grillige, ondenkbare vormen en kleuren. Samen vormen ze voortdurend
wisselende, altijd prachtige composities.
‘Ik doe graag de afwas,’ vertelt Deprez. ‘Het heeft iets rustgevends. De meest
heterogene voorwerpen krijgen iets harmonisch wanneer je ze samen onderdompelt.
Hetzelfde zie je gebeuren bij het ijsmeer Jökulsárlón. Er ontstaat een steeds
wisselende harmonie.’
Eerder had Deprez mij al verteld dat de tijd in de buurt van het ijsmeer veel
trager lijkt te verstrijken. 'Het landschap is mooi, maar het heeft ook een heel
rauwe kant. Het heeft iets ontsmettends. Alle bijzaken die mensen normaal
bezighouden, verdwijnen op de achtergrond. Ze worden weggewassen.' Daarom
bezocht Deprez het meer ook met zijn studenten interieurarchitectuur, die worden
opgeleid voor een vak dat volgens hem snel vervalt in eindeloos technisch
gepruts en andere beuzelarijen.
Als ik mij Koen Deprez voorstel, wandelend op de oever van dit ijsmeer, dan
herinner ik mij dat hij vertelde dat het eerste wat hij leerde bij Koolhaas,
toen hij als jongeling op diens bureau werkte, was dat hij een plan zo laag
mogelijk moest bekijken, gehurkt, met de ogen net boven het werkblad. Zo
begrijpen we wat er in IJsland moet zijn gebeurd. Ineens bevond Deprez zich op
de rand van Afwasbak, op schaal gebracht, en overzag hij het tumult van dit werk
alsof hij bij Koolhaas een plan van opzij bekeek. Hij woonde in de wereld waar
de kleine dingen groot zijn en de grote dingen, bekeken op de werktafel van de
Grote Bouwmeester, onooglijk klein.
COLLAGES
Deprez vertelt dat planologen en architecten de neiging hebben de wereld van
bovenuit bekijken, omdat je op een horizontale manier geen overzicht hebt.
Bovendien zijn er de beperkingen van perspectieftekeningen, die meestal niet
genoeg ‘ruimte’ overlaten, omdat de tekenaar teveel moet duiden. De collage
biedt een uitweg. Je kan een diepte en een atmosfeer suggereren die nieuwe
beelden een grotere werkelijkheidswaarde verlenen zonder ze te laten inboeten
aan poëzie.
‘Ik heb ooit een collage nagemaakt met Photoshop,’ vertelt Deprez, ‘maar dat
lukte niet. Photoshop vergt een andere aanpak. De kracht van de collage schuilt
in het accident, het verkeerd snijden, de stunteligheid, het niet op elkaar
afgestemd zijn.’
De meeste sculpturen van Panamarenko zijn assemblages van vormen, technieken en
materialen die op een ongebruikelijke manier worden samengebracht. De poëzie die
ze oproepen heeft ongetwijfeld te maken met de collageachtige structuur van de
ons omringende werkelijkheid, die wij doorgaans op een vereenvoudigende manier
bekijken en ten slotte ook zoveel mogelijk willen laten lijken op de enge,
neurotische manier waarop we haar bekijken en duiden.
De heterogene structuur van de collage keert terug in de samengestelde aard van
Deprez’s ontwerpen. Niet alleen waar het gaat om het samenbrengen en door
transparanties laten samenvloeien van verschillende programma’s (bijvoorbeeld
een basketbalspeler die zijn bal gooit in de richting van een treinperron in
Europakruispunt), maar ook in de eigenlijke structuur van de sculpturale
voorstellen. We maakten al melding van de taps toelopende tafel met de
televisiemonitor. We zouden echter ook kunnen wijzen op Deprez’s grote project
voor het Brusselse Beurspaleis. Als we naar dit sculpturale voorstel kijken, dan
zien we hoe het uiteenvalt in vier evenwaardige, maar totaal verschillende
delen: een met bladgoud beklede schijf, een brug, een hydraulische poot en een
kom. Voor het Rijksmuseum in Amsterdam plaatste hij een triomfboog in de vorm
van een voetgangersbrug, die aan elke zijde van de straat op een vrachtwagen
rustte. Zelf voorzag hij twee trappen als sluitstuk tussen de vrachtwagens en de
brug. De vrachtwagens, waarvan de vering verwijderd was, werden ondersteund door
extra poten.
Literair meer bevlogen schrijvers zouden hier verwijzen naar Odradek of andere,
in de mythologie beschreven, samengestelde wezens. Wat ons interesseert is de
boeiende zoektocht naar een nieuwe economie en functionaliteit, die probeert
verder te gaan dan de programmatische ‘helderheid’ en kortzichtigheid van het
modernisme. Ik ben geen kenner van de architectuur, maar ik weet wel dat mensen
als Luc Deleu, Rem Koolhaas en Peter Eisenman op hun manier hebben geprobeerd
diezelfde grenzen te verleggen. Luc Deleu door verborgen, mathematische
structuren te laten ogen als chaos, Peter Eisenman door de structuur van
gebouwen te voorzien van valstrikken en schijnbewegingen en Koolhaas door
zichzelf voortdurend te herschrijven.
Bij Koen Deprez treedt onder andere een nieuwe onleesbaarheid en een nieuwe
economie op door geen onderscheid te maken tussen architectuur en
interieurarchitectuur. Zijn ontwerpen zijn totaal. De kleinste onderdelen van
een ontwerp worden verzorgd. Ook in de maquettes, die verbluffend gedetailleerd
zijn. In die zin plaatst hij zich in de traditie van de gotiek, die via de
neogotiek en de art nouveau, ononderbroken geleid heeft tot Bauhaus.
Het duidelijkst is dit in de realisatie van een appartement in het West-Vlaamse
stadje Izegem. Vrijwel alle onderdelen van dit appartement werden ontworpen door
Deprez, die de technische uitvoering en de plaatsing van elk element op de voet
volgt. Dit kan gaan om een WC-bril die van links naar rechts openklapt, zoals
een boek; een deurknop van messing met een verborgen uitstulping die een indruk
in je hand achterlaat; of een metalen plint met een inscriptie in
spiegelschrift. Net zoals Luc Deleu het arrangement van Der schöne blaue Donau
gebruikte als onderlegger voor de spreiding van de functies in een
stedenbouwkundig ontwerp, gebruikt Deprez hier de roman De God Denkbaar Denkbaar
de God van W. F. Hermans voor het komen tot een minder leesbare, zij het wel
strak vormgegeven leefruimte. De ruimte kan gelezen worden als een tovertuin vol
chiffres, zoals de gedichten van John Donne, maar ze kan ook gewoon ervaren
worden als een grillige, mysterieuze vorm. Onnodig te zeggen dat ook hier de
dubbele, glazen wanden niet ontbreken, bijvoorbeeld in de vorm van een 15 meter
lange, amper 20 centimeter diepe wandkast met glazen deuren. Ergens bevindt zich
zelfs een onbereikbare kamer die enkel zichtbaar is doorheen een
doorkijkspiegel.
Het appartement in Izegem is een ruimte die over beelden en woorden is
gestruikeld. Honderden accidenten, beelden, vormen, openingen, spiegels, dubbele
wanden, materialen, kleuren, indelingen doen denken aan de held van Cronenbergs
film The Fly, die aan het eind van de film genetisch gekruist wordt met een
machine. Twee organismen worden door elkaar geduwd om tot nieuwe, onvoorspelbare
vormen te komen. De wetteloosheid van de romanstructuur maakt dit mogelijk.
Deprez heeft in de romans van Hermans de vrijheid van Wittgensteins taalspelen
herkend, die in de romaneske ruimte absoluut wordt, omdat er geen utilitaire
criteria gelden. Door de absolute, niet door pragmatische doeleinden belemmerde
vrijheid van een romanstructuur driedimensionaal door een ruimte te duwen, geeft
Deprez een nieuw antwoord op het functionalisme.
DE NACHT
Iemand die Deprez al vroeg heeft beïnvloed is Jack Goldstein, een kunstenaar die
bekend was voor zijn nachtschilderijen: schijnbaar mislukte, onderbelichte
foto’s die sterke nabeelden opriepen. Een voorbeeld van deze invloed vind je in
een met koffie geschilderde tekening van een nachtelijk zicht op het Huis voor
Bruno Mussolini.
Het idee dat de nacht het licht mogelijk maakt keert terug in tal van ontwerpen.
Deprez’s ontwerpen worden van bovenuit belicht door middel van een koepel. De
lichtopeningen in de gevels zijn smal: ze doen denken aan kijkgleuven of
schietgaten. Gedeeltelijke redenen hiervoor zijn de onwil de architectuur en de
gevels te onderwerpen aan enig leesbaar programma en de wens ook het dagelijkse
gebruik van het gebouw, dat in deze ontwerpen uiteraard niet noodzakelijk
samenhangt met de structuur ervan, onzichtbaar te maken voor mensen die van
buiten naar binnen willen kijken. Mij doet dit denken aan bunkers,
pantservoertuigen of harnassen, maar ook aan vroegromaanse architectuur en de
gebedshuizen van Le Corbusier of Peter Zumthor.
Kleine openingen, hoog aangebracht, volstaan vaak om reusachtige vroegromaanse
kerken te verlichten. De verlichting is genuanceerd. Ze doet denken aan aan de
grijswaarden in de films van Bergman of aan het schuin invallende licht in
schilderijen van Rembrandt, Vermeer, Caravaggio en zoveel andere schilders. Het
licht is niet hard en ongenadig, zoals bij Manet of Hopper. Het gezicht kent nog
schaduw.
De nacht is ook de achtergrond van elke dubbele wand, elke projectie, elke
toverij. Wij kunnen niets dan schimmen tevoorschijn toveren, die ons helpen vat
te krijgen op de nacht, maar die haar nooit kunnen laten verdwijnen. Elke
architectuur, elk interieur, elke sculptuur, elke tekening in het oeuvre van
Deprez plaatst zich temidden van de nacht. Soms een beetje naar voren geschoven,
lichtjes verlicht, maar nooit in een arrogante, schijnbaar alles verklarende en
al het andere verdrukkende schijnwerper. Het voorstel is beslist, gedreven en
strak, maar het trekt zich nooit los uit de schaduw. Elk voorwerp, elk voorstel,
herinnert eraan dat de nacht voor ons pas zichtbaar werd door de uitvinding van
het woord en het beeld, zodat geen van beide ooit zonder schaduw kunnen zijn.
Montagne de Miel, 3 maart 2006
|