|
Het diamanten jubileum
Ik ben ruim honderdvijftien jaar oud. Sinds enige tijd schitter ik aan een van de muren van het Diamantmuseum in Antwerpen. Vanaf de plaats waar men mij heeft opgehangen zie ik een groot deel van de collectie. Dagelijks komen mensen naar mij kijken, staan dan even stil, hun hoofden soms akelig dichtbij. Dan hoor ik hen zachtjes fluisteren; ‘Ohhhh! It’s The Diamond Jubilee!’ Dat ook ik hen kan zien…dat weten ze niet.
* * *
Ooit was ik blank en vlak, ik was een groot vel papier. Jaren geleden lag ik hoog bovenin een lade in een verwaarloosde loods van een grote Londense uitgeverij. Ik lag op een plaats waar niemand kwam.
Geduld kent grenzen! Met het klimmen van de jaren verloor ik geleidelijk mijn lichte witte glans en met de verkleuring aan de randen was het of de tijd me toen al in de lenden kneep. Ik had altijd de droom gekoesterd ooit uit die verdomde lade te kruipen.
Enige tijd later is het me dan toch gelukt. Maar het is eerlijker om te zeggen dat anderen me van de liggingsdood hebben gered. Tussen duim en wijsvinger werd ik naar een grote tafel gebracht, waar een reusachtige, lelijke zwarte drukmachine stond, voorzien van rollen, hendels, radertjes en tandwielen. Vlak voor ik op de vlakke plaat van de machine werd geschoven, zag ik op de vloer opengewerkte ronde vaten die gevuld waren met een roze vloeistof. In een flits telde ik zes roze cirkels. Hoog boven de machine hing een immense spiegel. Ik dacht: mocht die machine onvoorziene bewegingen maken, dan zouden ze dat hier heel snel merken en zo nodig tot actie overgaan.
Terwijl ik nog die gedachte lag te denken, werd ik vakkundig tussen drie rubberen cilinders en twee stalen kromme kleppen vastgezet. Met een simpele draaibeweging aan het rad werd ik er ook nog doorgerold. Dankzij de curve die de rol ten opzichtte van het staal maakte, kon mijn voorkant voor het eerst mijn achterkant zien. In de spiegel boven mij zag ik eveneens hoe het roze goedje uit de blikken precies in de daarvoor bestemde ovale gaten van de machine werd gegoten. De aanraking van drukinkt en ijzer was nieuw. Het had iets van een sterk geurende kleverigheid. In de spiegel zag ik voor het eerst hoe een werkende machine in staat was mijn identiteit zichtbaar te maken.
Toen de druk op mijn lichaam was ophield, werd ik uit de machine gegooid. Op een
tafel werd ik eerst wat gedroogd en vervolgens van mijn rafelige kanten ontdaan. Ten slotte werd ik door raadselachtige handen - gestoken in witte handschoenen - in een mooie houten lijst geschoven. Uitgedost met grote roze vlakken, zwarte lijntjes, tekens en symbolen verspreid over mijn hele lichaam, lag ik dagenlang te wachten op een stuk glas dat maar niet wou komen. Om de tijd te doden keek ik, hoe kan het ook anders, naar boven, in de spiegel, naar mezelf. Dat ik Londen voorstelde had ik meteen begrepen, maar nu ik in geen tijd ook nog spiegelschrift leerde, kon ik heel duidelijk mijn bestaansrecht lezen:
NODNOL FO NALP EELIBUJ DNOMAID EHT
Ik kreeg meteen het gevoel niet enkel een bedrukt vel papier te zijn, maar een mooie, roze, betekenisvolle kaart, waar het Britse Rijk veel plezier aan zou beleven. Wat de toekomst brengen zou, wist ik toen nog niet. Al droomde ik ervan dat ik, gezien mijn verdienste voor de natie, ooit weleens in een of ander koninklijk paleis terecht zou komen.
Op de tafel van de uitgeverij kriebelden de leeuw en de eenhoorn op mijn vlakke lichaam nog heel lang na, het kroontje met mijn koningin, Queen Victoria, bezorgde me dagenlang hoofdpijn, maar wat ik me toch nog het beste herinner was een bleke houten kist naast mij op tafel, met een etiket waarop een Belgisch adres was geschreven.
|