|
|
Koen Deprez
Lotter dan Lot
Jupiler, mannen weten waarom!
Mijnheer Z
Omdat mijnheer Z zijn dorp nooit wou verlaten woont hij nu in een ander dorp. Ik
ken hem, hij die in Lot, een dorp ten zuiden van Brussel opgroeide en er tot
voor kort heeft gewoond. Hij leeft nog, maar nu ergens anders, op een plaats met
een andere naam. Op de manier waarop mensen ook wel eens vaker van elkaar
vervreemden is Lot eerst van hem weggegaan. Nu is het Lot - zoals mijnheer Z
zijn dorp wil herinneren - zich ergens anders gaan vestigen. In Houtaing, tussen
de nieuwe hoop van stenen, midden de architectuur van iets anders, in de
richting van La douce France.
Een mens wordt niet alleen beoordeeld naar wat hij voortbrengt, maar ook, en
misschien zelfs nog meer, naar wat hij in de tijd waardeerde en vooral naar wat
hij uit vroegere tijden wist te waarderen. Dit moeten zo ongeveer de
beginwoorden zijn geweest van een hoofdstuk uit ‘Het verdrag van de slang’ van
de Italiaanse criticus Mario Praz over de Zwitserse kunstenaar Johann Heinrich
Füssli. Engelen zullen de vergelijking tussen Füssli en mijnheer Z onfair noemen
maar met deze woorden kan ik me geen betere poort voorstellen om de wereld van
mijnheer Z te openen. Niet dat mijnheer Z een decadent kunstenaar was of een
pervers dichter, of dat hij vaak op visite ging bij de duivel, neen, mijnheer Z
had, in Brussel, begin jaren tachtig, aan de Vrije Universiteit Brussel
geschiedenis gestudeerd. De Franse Revolutie en de etappe naar het
middengebergte van de Industriële Revolutie waren mijnheer Z ‘s wedstrijden, en
op de universiteit had hij ook de Moderne Tijden met glans overwonnen. Eens
afgestudeerd liepen de eerste nog jonge beschouwingen vlug over naar iets veel
groter. En wat later waande mijnheer Z zich zelf al in het salon van Europa,
waar het vroegere Westen en de toenmalige Sovjet-Unie nog beiden bekvechtten of
het tapijt voor de toekomst er nu blauw of al dan niet rood moest uitzien. Eén
van de eerste bewijzen voor een rodere blijdschap was een catalogus die in 1989
verscheen: De erfenis, van de Franse Revolutie 1794-1814, naar aanleiding van
een nationale tentoonstelling over hetzelfde onderwerp in een bankgebouw in
Brussel. Mijnheer Z werd aangesteld, deed research, maakte de selectie,
verzamelde documenten voor de tentoonstelling en hielp mee aan de publicatie.
Mocht u dat exquise maar zeldzame boek nog ergens kunnen vinden prijs u dan
gelukkig. Dan kan u daarin ook het artikel van mijnheer Z; De Franse Revolutie.
Gevierd, gehaat…begrepen? lezen. Door het succes van de tentoonstelling, die als
een thermidor het leven van Mijnheer Z aanviel, en een aantal opeenvolgende
internationale architectuurwedstrijden waarin mijnheer Z aan deelnam, raakte het
zadeltje van al dat heen en weer gefiets heel snel buiten tijd. Het vehikel werd
ingeruild voor iets met meer comfort. De zadelpijn van de jeugd ingeruild voor
een scharlakenrode fauteuil. De koers werd nu niet meer gereden, maar langs de
berm van de weg, vanuit een zachte fauteuil verder gezet. Het perspectief werd
wat lager, het overzicht anders, de blik van de ogen werd als een ligger van een
brug. En op die flauwe boog flaneerden de gedachten op en af. En mocht de
fauteuil waarin mijnheer Z zo comfortabel zat in de tijd zijn gestold, dan zou
die er ongetwijfeld hebben uitgezien als een houten gestoffeerd zitmeubel met
twee precies in het midden gescheiden delen. Waar de naad, het grensgebied, het
achterwerk van mijnheer Z zou blijven beroeren.
Houtaing
Lot heeft altijd de taal van een dorp gesproken. Mijnheer Z heeft Houtaing
uitgekozen omdat dit dorp ook praat in de taal van een dorp. Houtaing is voor
mijnheer Z dezelfde plek –met een andere naam, maar op een andere plaats.
Ondanks de verandering van plaats blijkt de nieuwe plek voor hem toch nog altijd
Lot te zijn en dat zal zo blijven zolang mijnheer Z, in Houtaing, op het
kruispunt van de Chemin de la Croix à l'Ermite en de Rue d’Houtaing er een huis
heeft en erin blijft wonen zoals hij dat in zijn eigen huis in Lot, op de hoek
van de Frans Walravensstraat en de Paul Chevroletstraat al altijd had gedaan.
Het huis waar mijnheer Z in Lot in leefde, waar zijn moeder ooit nog kroeg hield
en waar hij als jongetje tussen de getorste poten van de tafels, én de benen van
de stamgasten, én Willem Elschot, zo veel verwantschap had ontdekt, waar hij
zijn eerste Jupilers leerde tappen, ‘Franci,…da glas volschinken tot oin za’n
kluten,…jà maaaa!’, dat huis wordt in Houtaing, nu al ‘ma maison’ genoemd. En
net zoals zijn ouderlijk huis heeft het huis in Houtaing ook een knikje in het
midden. Met deze tekst in het achterhoofd heb ik beide huizen opgemeten, van de
nodige aantekeningen voorzien en zowel de binnen- als buitenzijde virtueel terug
opgebouwd. Eens beide tekeningen over elkaar waren geschoven, was het resultaat
van wat je te zien kreeg datgene wat je bij het schrijven van dergelijke teksten
alleen maar diep gelukkig maakt. De in elkaar geschoven simulaties tonen het
samenvallen -niet helemaal precies, soms wat verschoven maar toch ongeveer- van
de verschillende kamers op beide niveaus; keuken, badkamer, slaapkamer, een
verlaten kolenkot. Enkel in Lot, de plaats waar het café was gelegen en de plek
waar ooit de jukebox stond, en waar altijd dezelfde plaatjes werden gespeeld,
werd door mijnheer Z in Houtaing vervangen door een aftands keyboard. Telkens ik
mijnheer Z in Houtaing een bezoek breng steekt hij de stekker in en speelt hij
dezelfde melodie.
Achter het ouderlijk huis stond ook nog een kasteel dat nu is afgebroken, maar
voor mijnheer Z is enkel de architectuur ervan verdwenen. In Houtaing staat, op
dezelfde afstand van zijn nieuw huis, het Château de la Berlière en fungeert als
eindpunt van een prachtige kasteeldreef.
De namen van straten, van huizen, de opschriften aangebracht op winkels en
cafés, de schaduw van de kerk, het pleintje bij de kerk, de kerk, het altaar, de
kelk op het altaar, de aanslag van wijn in de kelk op het altaar, de afdruk van
de kus van de priester op de mond van de kelk door de priester op de rand van de
kelk op zondag gegeven, het doekje waarmee alles wordt schoon geveegd, alle
elementen waarmee Lot vroeger tot een dorp aan elkaar werd geniet, is nu
vervangen door een ander dorp, veertig kilometer verderop. Alsof iets in Lot, de
geest die mijnheer Z altijd wist te bekoren, zich opeens had verpopt, van haar
architectuur had ontdaan en even later in een andere gedaante op een andere
plaats terug te voorschijn was gekomen. En die transformatie had mijnheer Z,
toen hij nog in Lot woonde, goed zien aankomen. Vanuit zijn fauteuil, en na
alles nog eens goed in ogenschouw te hebben genomen, besliste hij die beweging
na te volgen. Vandaag Houtaing zeggen is voor mijnheer Z zoveel als vroeger Lot
zeggen. De klank van Lot is de klank die je in Houtaing te horen krijgt, maar
dan met andere woorden. Zo werd het kerkhof van Lot, waar mijnheer Z zijn veel
te vroeg gestorven vader begraven zag, in Houtaing omgetoverd tot het kerkhof Le
Cimetière. Zowel in Lot als in Houtaing liggen dezelfde mensen begraven. Alfons
Mostaerd, om er meteen maar een naam uit te pikken, was in 1943, op 3 augustus
in Lot overleden. Het was midden in de oorlog en Alfons was lid van een
plaatselijke witte bende. De Duitse bezetter had hem bij het stelen van een
pocketwoordenboek Duits-Nederlands in de Beerselstraat ter plekke doodgeschoten.
Ruim vijftig jaar werd Alfons als een martelaar van het woord en op de eerste
dag van november, op het kerkhof van Lot geëerd. Elk jaar werd op het graf van
dode Alfons een grafkrans met een wit lint en met gouden letters ‘Gestorben für
Buchstaben’ neergelegd.
Op het kerkhof, Le Cimetière, ligt Alfons Mostaerd ook begraven, al ligt hij
daar onder de nietsvermoedende naam van Hypoliet Latout. Hypoliet is op 3 août
1943 gestorven. Bij dat graf wordt elk jaar door de plaatselijke bevolking een
wake gehouden, wordt er een krans met wit lint met dezelfde gouden letters en
met dezelfde inscriptie ‘Gestorben für Buchstaben’ neergelegd. Aan de steen
wordt ook elk jaar in Houtaing, in november halt gehouden, waar een medaillon
van uitgezochte bloemen volgens een geijkt patroon wordt neergelegd. Anders dan
in Lot wordt de krans hier niet rechtsonder op de steen van het graf gelegd. Aan
die hoek van de grafsteen van Hypoliet ontbreekt een stukje. En dat driehoekig
stukje was één van die vele kleine zaken die opvielen sinds mijnheer Z in
Houtaing was komen inwonen. (U kan zich dat verdwenen stukje best voorstellen
als iets wat verloren gaat bij het vertalen van een woord naar een ander woord
uit een andere taal. En wat met taal gebeurt, gebeurt ook met architecturen en
landschappen. Ook hier verdwijnen vaak stukjes van de betekenis en duiken andere
stukjes weer op.)
Op het plein, op straat, binnenin de huizen wordt alles wat vroeger in Lot werd
gezegd ook hier in Houtaing gezegd - maar dus anders. Dat maakt de
herkenbaarheid van dit dorp zo vreemd. Het maakt dat Houtaing tegenover mijnheer
Z er wat verschoven bijligt. Net zoals twee dezelfde tekeningen, eens ze over
elkaar heen zijn geschoven, hun gelijkenissen bevestigen maar toch vooral de
kleine verschillen ons opvallen, zo zijn, met de komst van mijnheer Z, en door
Lot over Houtaing heen te leggen ook die kleine verschillen zichtbaar geworden.
Kleine verschillen? nieuwe leegte? In elk geval iets dat naar verlies leidt. Het
is hetzelfde verlies dat mijnheer Z vroeger al had voorvoeld, toen hij vanuit
zijn zetel de tijd in Lot in ogenschouw nam. Toen ook het dorp langzaam verdween
voor iets anders verloor hij zijn evenwicht, en zijn hele perceptie kwam haaks
tegenover de horizon te liggen. Toen ook nog eens zijn o zo comfortabele
fauteuil werd aangetast, de linker armleuning van het corpus afbrak, het
rechterarmdeel dat weigerde te doen en als een Germaanse uitgestrekte hand
onbuigzaam Lot bleef aanwijzen - en toch stand hield, de verbindingen tussen de
poten dit niet meer konden aanzien, de rode stof scheurde, het naakte koperwerk
zichtbaar werd, ten slotte oxideerde en voor de onmiddellijke omgeving
vervaarlijk giftig werd, was de tijd aangebroken om te verhuizen. Mijnheer Z is
net voor de furniture catastrofe uit Lot weggetrokken. En met zijn intrede in
een nieuw dorp beschikt mijnheer Z nu over een ongeziene kracht; Houtaing
‘literair van aard’ die hem veel zoniet alles aan het dorp van weleer doet
herinneren. Houtaing als het geheugen van Lot, Houtaing ook als een literair
reliëf waar, sinds kort, de geest van mijnheer Z zich maar al te graag tegenaan
schuurt.
Sant Salvador 2007
Postscriptum
In Lot, in de vroegere gebouwen van ‘Scheppers Tissu’ is het MMVII; het Musée
des Métaphores, du Vérité et de l’Immeuble Inaliénable in ondergebracht. Hier
worden, aan de hand van reconstructies, metaforen die verband houden met Lot
tentoongesteld. Het museum bevat nogal wat objecten en parafernalia die
verwijzen naar het Lot van vroeger, naar de uitgravingen van het Kanaal
Brussel-Charleroi bijvoorbeeld, naar de lijn Brussel-Tubize, één van de eerste
spoorlijnen die in België na de onafhankelijkheid werden aangelegd. Ook de
metamorfose die Lot als gemeenschap gedurende de laatste tweehonderd jaar had
ondergaan is in het museum in beeld gebracht. Van een agrarisch land aan de rand
van Brussel, naar een semi-industrieel gebied, naar een postindustrieel gebied,
naar een Post-mortem gebied. In dit museum wordt met betekenisvolle objecten Lot
en de geschiedenis van Lot uitgelegd.
Ook de fauteuil van mijnheer Z is enige tijd geleden heropgebouwd en
ondergebracht op de afdeling ‘Homme disparu’ salle 3. Zoals het een modern
museum betaamd, wordt het fauteuil en de onderdelen van het fauteuil op sokkels,
stofvrij achter glas, tentoongesteld. Je vind er naast de volledige
reconstructie van het meubel ook verschillende onderdelen van het origineel
terug. Zo ligt de afgebroken linker armleuning naast de vrij ongeschonden
rechterarmleuning. . Op de arm, daar waar het uiteinde zich ooit met de handpalm
wist te verzoenen is nog wat snijwerk te zien. Wat ook opvalt zijn nog wat oude
inkervingen en een niet nader te definiëren aantal krassen, vermoedelijk krassen
van nagels. Fijne lijntjes die allemaal in dezelfde richting wijzen. Nog op de
kop van het stukje hout, op de plaats waar de wijs- en de middenvinger ooit op
het meubel hebben gerust zit een vreemde kleine holte, een opening waar ooit een
koperen ring in verzonken zat en aan de verkleuring van het hout te merken erg
vaak is gebruikt geweest. Mijnheer Z vertelde me ooit dat wanneer hij in zijn
fauteuil Lot overzag hij naast de twee rokende schoorstenen van fabrieken in de
verte hij er met zijn sigaretten en de rook van zijn sigaretten zelf
schoorstenen erbij verzond. Hij deed dat door zijn sigaret met het
filtergedeelte in de kleine opening te stoppen. Zo kwam de sigaret rechtop te
staan. Door de lage positie van mijnheer Z in de fauteuil kwamen de
schoorstenen, de sigaret en zijn blik samen op de horizon te liggen. En bestond
Lot, voor enkele ogenblikken dan toch uit een triumviraat van rokende gehelen.
En met die muur van rook zag mijnheer Z zijn dorp door een sluier voor even
verdwijnen. Sigaretten zijn schadelijk, gaan uit en schoorstenen kunnen dat ook
na tijd. Vanuit zijn fauteuil heeft mijnheer Z in die tijd nog meegemaakt dat de
fabrieken één voor één ophielden te bestaan. En zoals sigaretten opsmeulen zo
kunnen ook schoorstenen dat ook. En met het verdwijnen van de rook verdween ook
een gordijn, en met het optrekken van het gordijn begon en theaterstuk waarvoor
mijnheer Z zich niet had ingeschreven. En vanuit die luie zetel begon dan het
verplichte spektakel. Waarvan ik de resultaten genoegzaam zijn bekend.
In de vitrinekasten van het museum bevinden zich ook het vermolmde zitgedeelte
van de fauteuil van mijnheer Z en vrijwel het hele meubelbeslag liggen links van
beide armleuningen opgesteld. Het beslag is wat groen geoxideerd en op elk van
de onderdelen zijn nog dezelfde reliëfstempels ‘Le Progrés Industriél’ 1854
-Loth te lezen;. Een ongeopend zakje klinknagels, waarschijnlijk om de stof vast
te spijkeren aan de rand van het frame ligt er wat verwaarloosd bij.
Niet heel ver van de vitrine met originele onderdelen verwijderd, in dezelfde
zaal, staat op een sokkel een nagelnieuwe replica van de fauteuil opgesteld. Op
de witte balk ligt een ingelijste oude kaart van Lot met datum 1865. Wat bij de
replica onmiddellijk opvalt is de mooie roodoranje zachte kleur met inderdaad,
een naad precies in het midden. De kleur had ik me eertijds wat roder
voorgesteld en het is nu vooral de overwegend oranje kleur die mijn gedachten
meeneemt. De fauteuil staat er vreemd gepresenteerd, met de vier poten in een
houterige spreidstand over de oude kaart heen gezet. Op één van de vele kaartjes
met uitleg en verwijzingen staat iets te lezen wat meteen ook de bedoeling van
de presentatie verklaard. Heel duidelijk toont de opstelling van het meubel de
overgang van de naad van het zitvlak met een naad op het plan. Zoals het
doormidden-karakter van de zetel, de zetel bepaald, zo bepaald de naad, het
doortrekken van het Kanaal en de spoorweg het karakter van Lot. Hier valt goed
op hoe Lot in twee helften is verdeeld. Zoals ook het wapenschild al langer deed
vermoeden is het dorp ontstaan in de aanraking van twee andere dorpen. Lot is
een samenstelling van twee andere dorpen, en je zou met wat verbeeldingskracht
kunnen besluiten dat Lot enkel maar kan voorgesteld worden als een naad. Dat Lot
enkel maar bestaat uit een spoorweg en een doorvaart met in het midden een weg
geflankeerd oor een berm. Met een kant, daar waar de fauteuil van mijnheer Z
heeft gestaan, met de blik over het water en over de spoorweg en zo een private
brug ontstond en op het uiteinde werd afgerond met twee bruggenwachters. En
beide wachters zorgden ervoor dat de gedachten niet verder van de brug
afdwaalden, de gedachten telkenmale werden teruggestuurd. En daarom mijnheer Z
zijn gedachten nooit enige rust vermochten te hebben.
Sant Salvador 2007 |