|
|
Koen Deprez
Naar een romaneske ruimte
Willem Frederik Hermans en de architectuur
'De roman is uitsluitend een kind van de moderne tijd. De spiegel, begeleider
en medeschepper…Als er ter enigertijd nog iemand wil nadenken over het bestaan
van de mens in de laatmoderne tijd en in de toekomst die daaruit zal
voortvloeien, moet hij weer naar de romans teruggrijpen; trouwens naar alle
grote romans. Zij dragen alle existentiële wijsheid van de aflopende moderne
tijd in zich.'
Milan Kundera
Inleiding
In 2003 ondernam ik een zoektocht naar een mogelijke relatie tussen ‘roman en
(woon) ruimte’. Later heb ik geprobeerd ‘geschreven taal’ te transformeren in de
‘taal der stenen’. Een boek dat werkelijk was geschreven en een opdrachtgever
die meeging in een te realiseren project waren daarbij van doorslaggevend
belang. Het onderzoek werd afgesloten met een ruimtelijke vertaling –
architectuur! In Izegem – een stadje binnen de Belgische economische gouden
driehoek; Kortrijk, Tielt, Roeselare – in een bouwblok van om en bij de
vierhonderd vierkante meter, werd onlangs de laatste hand gelegd aan een
woonruimte die in heel haar fundament verwijst naar de roman ‘De God Denkbaar,
Denkbaar De God’ van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans. Dit boek
uit 1956, dat op bijzondere wijze het periferisch gebied van taal als ultiem
uitdrukkingsmiddel aantast, werd als een blauwdruk over het woonproject heen
gelegd. Hoe ben ik bij deze roman terechtgekomen? Aanvankelijk was ik op zoek
naar een boek dat zo ruim was dat ik er niet door verstikte en dat ik ook
moeilijk onterecht kon gebruiken. Aangezien Hermans over 'Denkbaar' heeft gezegd
dat het polyinterpretabel was, een tekenverhaal waarin de gekste dingen
gebeurden, ben ik mij meer en meer op dat boek gaan concentreren. Van alle
reacties op het boek, vertelde Hermans ooit, was hij nog het meest gecharmeerd
door een zwakbegaafd nichtje dat tijdens het lezen van het boek steeds weer
moest lachen. Dat lijkt een belangrijke uitspraak. Ik heb nog nooit een analyse
van Hermans' werk gelezen waarin gezocht wordt naar een mogelijke reden voor dat
lachen of die een gelijkaardige, emotionele reactie uitdrukt. Ik vind ook dat
Denkbaar het meest Belgische boek van Hermans is. Het sluit niet alleen nauw aan
bij de geest van het surrealisme, het is van al zijn pogingen in die richting de
meest verregaande. In Nederland werd het boek niet goed ontvangen. Het is
waarschijnlijk te vormeloos. Sinds de transformatie is opgestart, staan nog twee
vertalingen uit Hermans' oeuvre op stapel. Een gelijkaardige woonruimte op basis
van ‘Het Evangelie van O Dapper Dapper’ het vervolg op ‘De God Denkbaar,
Denkbaar De God’ is in voorbereiding. En in het derde luik wordt een
bescheidener huis geënt op de novelle ‘Glas’. Enkel ‘Glas’ en ‘De God Denkbaar,
Denkbaar De God’ worden in deze tekst verder toegelicht. Door de zeer
uiteenlopende aanpak van beide transformaties valt dit artikel uiteen in twee
delen. Onder de titels ‘Le cadavre exquis’ en ‘Glas, dubbel Glas’ wordt Hermans'
universum in verband gebracht met een ontwerpstrategie voor architectuur. Le
cadavre exquis als ontwerpstrategie ‘Le cadavre exquis boira le vin nouveau’ of
‘het kostelijke kadaver zal de nieuwe wijn drinken’ was binnen surrealistisch
kringen een bekend begrip. Le cadavre exquis is de benaming van een methode
waarbij verschillende mensen schrijven aan eenzelfde zin zonder elkaars
bijdragen te lezen. Zo ontstaan de meest vreemdsoortige beelden, waarmee de
surrealisten hun fantasie wilden prikkelen. De energie die deze teksten
uitstraalden kon niet onmiddellijk in een logische definitie worden gevat. Bij
Hermans' boek ‘De God Denkbaar, Denkbaar De God’kan dat evenmin. Elke poging
daartoe heeft dit aangetoond. Om hun interpretatie sluitend te maken, laten alle
exegeten telkens aspecten van het boek buiten beschouwing. Toch zijn de analyses
die Fredddy de Vree en Frans A. Janssen maakten over ‘De God Denkbaar, Denkbaar
De God’ van exquise makelij. Ik heb ze dan ook als een deel van het totale
cadavre exquis mee in het architectuurproject opgenomen. De Vree’s symbolische,
vaak alchemistische invalshoek en Frans A. Janssen’s Wittgenstein-piste komen
veelvuldig aan bod. Aangezien beide analyses in al hun verscheidenheid het
predikaat 'onwaar' als gemeenschappelijke basis hebben, werden ze als een
analogie in elkaar verwerkt Met dit (interieur)architectuurproject week ik me
los van de eeuwige 'verbeteringsneurose' die zich altijd binnen dezelfde grenzen
van de toegepaste kunsten afspeelt. Een nieuw potje voor plattekaas moet altijd
een verbetering van het voorgaande zijn. Het moet steviger zijn en minder
druppen. Het is nooit een nieuw, ongezien recipiënt. De paradox wil dat de
plattekaaspotjes en airbags wel altijd beter worden, maar de mens niet. In de
echte architectuur bestaat er niet zoiets als 'beter' of 'slechter', net zoals
in de roman. Het gaat hier eerder om het ontwikkelen van een eigen wetmatigheid.
Een roman verbetert de wereld niet, hij schuift er een andere wereld voor in de
plaats. Zo probeer ik hier een wetmatigheid te ontwikkelen die verwijst naar de
opbouw van 'De God Denkbaar, Denkbaar De God' en heel het aura er rond: de
uitspraken van Hermans zelf en de analyses door derden. De God Denkbaar Denkbaar
De God Wat ik niet gedaan heb is het boek uitbeelden, het zijn geen prentjes bij
de tekst. Ook had het geen zin een zoveelste analyse van het boek te maken en
die dan te vertalen in architectuur. In de eerste plaats omdat ik zo de
veelvormigheid en ongrijpbaarheid van het boek opnieuw zou ontkennen, maar ook
omdat architectuur en literatuur niet helemaal samenvallen. Een metafoor in een
boek, bijvoorbeeld, heeft de voortgang van de tekst nodig om zich te
ontwikkelen. Je leest in één richting. In een gebouw kan je rondwandelen en op
je schreden terugkeren. Een bewoner verblijft er lange tijd, soms wel een heel
leven lang. Er zijn dan ook veel verschillende invalshoeken nodig. De woning
zelf bevindt zich temidden een bouwblok op een verdieping. Net zoals het hoge
raam waaruit Denkbaar tot twee maal toe naar beneden springt. Als wijze van
aandenken is in de straat, op de plaats waar Denkbaar vermoedelijk is
neergestreken een klein insigne in geel koper aangebracht. De woning zelf is
concentrisch uitgebouwd. Met een gang in het midden en alle kamers er rond
gesitueerd. De eerste willekeurige ruimte sluit aan op de laatste te betreden
ruimte, zoals het ook bij De God Denkbaar Denkbaar De God verloopt. Het begin
herhaalt zich helemaal aan het eind. De kamers zijn geen afgesloten gehelen.
Alle ruimtes lijken op het eerste zicht afgesloten door deuren, maar vloeien
toch op een discrete manier in elkaar over. Behalve de gang ontvangen alle
kamers daglicht. Hoewel het plan rechthoekig uitgebouwd is, maken de bewoners
bij het doorstappen van de verschillende ruimtes zonder het zelf te beseffen een
ellipsvormige beweging. Bij het binnenkomen bevind je je meteen in de lange gang
van het 'Denkbaar' ontwerp en ontdek je algauw een vijftien meter lange
anamorphose waarin je vanuit één bepaald gezichtspunt de ets 'Amarigo Vespucci
ontdekt America' kan zien. Vanuit alle andere hoeken bekeken ziet dit werk eruit
als een monsterlijk en demonisch lijnenspel. In een passage over ‘Het demonische
van de analogie’ beschrijft Roland Barthes hoe schrijvers en schilders zich aan
deze vervloeking trachten te onttrekken door soortgelijke perspectivische
kunstgrepen toe te passen. Deze ets van de16de-eeuwse Brugse kunstenaar Johannes
Stradanus beeldt het verhaal af van iemand die terechtkomt in een wereld die hij
niet begrijpt en probeert te verklaren aan de hand van een wereld die hij wel al
meent te kennen, waardoor het allemaal nog onbegrijpelijker wordt. Een van
Hermans' grootste thema’s komt hier meteen aan bod. De onmogelijkheid voor de
mens om iets van zichzelf of de wereld rondom zich te weten te komen. Hij leeft
in wanen en waansystemen en houdt deze voor de enige waarheid. Over De God
Denkbaar, Denkbaar De God zegt Hermans nog het volgende:’Dit boek is vooral
geschreven om aan te tonen dat we heel veel in ons dagelijks leven niet
begrijpen, terwijl we doen alsof we het wel begrijpen’. En: ‘Het is een boek
waarin diverse alfa-ideeën vanuit een soort bêta- gezichtspunt een halve meter
in het luchtledige worden opgeheven.’ Zo vormen het boek van Hermans een
aanleiding voor mijn ontwerp en een uitnodiging voor een veelvormig spel met
beelden en betekenissen. Het boek en de analyse van De Vree brachten mij bij de
drie hoofdkleuren van de alchemie en het schilderij 'De Madonna met kanunnik Van
der Paele' van Jan Van Eyck. Dit doek lees je van links naar rechts. In dit
schilderij vind je een blauwzwarte, een rode, een witte figuur en helemaal
rechts een geel koperen figuur. Die drie kleuren komen ook voor in het boek van
Hermans, met de zwarte en de witte bar en het rode dierenasiel/slachthuis. Ze
keren terug in het ontwerp. Het blauw geeft kleur in de gang der analogieën en
het zwart in het toilet of het 'Cabinet de Réflection'. (De WC-bril open je
trouwens van rechts naar links, zoals een boek. De anus fungeert als een alziend
oog starend in de duisternis.) In de gang is er tegenover de anamorphose, als
een analoge lijn, een plint van geel koper aangebracht waar je, als je er langs
loopt, de zeven hoofdzinnen van Wittgensteins Tractatus kan lezen. De zinnen
zijn in spiegelbeeld uit de plint gehaald, waardoor je ze kan lezen in de schijn
van in de vloer verzonken, opgepoetst metaal. Het gele koper, het 'valse goud',
keert overal terug, bijvoorbeeld in verscheidene deurklinken. Deurklinken,
raamknoppen, kranen en sleutels om deuren mee te openen zijn de enige onderdelen
van een gebouw die je dagelijks vastpakt. Alle hebben de functie iets te
ontgrendelen of te dichten. Op de kopse kant van de voordeur, een brandwerende
deur die toegang verleent tot de woning, werden de woorden gebrand 'Chinese
wijsheid, A zeggen door over B te praten', die mogelijk een sleutel bieden voor
de lezing van de architectuur binnenin, mogelijk een boodschap voor de wereld
daarbuiten. Als je sommige deuren opendoet zie je in je handpalm een snel
verdwijnende afdruk, bijvoorbeeld het geheime, ruitvormige teken van Denkbaar.
De moet in je hand is de bevestiging van daad en gedachte. Ook sleutels bevatten
inscripties en taalspelen die verwijzen naar het ‘geheim’. Het grootste vertrek
in het gebouw is de rode ruimte, met een sterrenhemel waarin een Grote Beer
voorkomt, die licht afgeeft op een schoppenvrouw die als een troef op de vloer
is gesmeten. ‘Linkervrouw krijgt het gelaat van rechtervrouw. Deze neemt de
speelkaart op en zegt: afgetroefd!… Dit is de waarheid, ik weet niet waarom. Ik
kan het raam nu wel dichtslaan.' In de alchemie verwijst het raam naar het
stadium van de ‘groene leeuw’: het glas. De groene leeuw, het zinnebeeld van
Hermes, verslindt de zon. Al wat niet rood is in het grote vertrek, bestaat uit
dubbel glas gevuld met Argon. De weerspiegelingen van de lampen die in het
plafond van alle vertrekken een sterrenhemel aftekenen, vormen op dit glas,
gezien vanuit bepaalde standpunten, nieuwe figuren die verwijzen naar Hermans'
boek. Het behang op de muren toont rozen, die door hun naamverwantschap met het
Franse woord 'rosée' dan weer verwijzen naar de dauw uit de alchemie. In
dezelfde ruimte is er ook een verticale gashaard die refereert aan de
verbrandingsoven van het dierenasiel, die ook op gas werkt. De bloedrode
gordijnen zijn laag bij de grond afgeboord met het door Helmut Salden ontworpen
embleem van de uitgever Van Oorschot. Als spiegeling van de rode ruimte, aan het
andere eind van het gebouw, bevindt zich een witte, marmeren badkamer met een
witte bar. In de alchemie staat de kleur wit voor de leukosis, die in de
iconografie wordt afgebeeld als de witte dochter. Vanuit een wit bad zie je dan
ook op ooghoogte het beeld 'Prudentia' verschijnen. En de reflectie van het
badwater vertelt je nog veel meer. De witte bar is doorheen een spiegel zonder
kwiklaag zichtbaar vanuit de badkamer. Als je door middel van het openschuiven
van een deur die bar wil betreden, blijkt die niet te bestaan. Realiteit en
fictie, letterlijk en figuurlijk wisselen hier van plaats. Voor de bewoner zal
het doorlopen van de verschillende woonruimtes zich stilaan maar zeker weten te
ontplooien, zin na zin, bladzijde na bladzijde, hoofdstuk na hoofdstuk, zodat
hij pas na afloop van de lezing een aantal lagen van de ruimte zal doorzien.
Eens het boek dichtgeklapt, eens de literaire deur achter zich dichtgesmeten,
toont de architectuur rond hem zich als een romaneske textuur, die net zoals
Hermans boek ‘Denkbaar’een soort van algemene, maar nooit alles verklarende
terugblik mogelijk maakt.
Glas, dubbel Glas
‘De blik is de rand van de mens’ Walter Benjamin
Het principe is eenvoudig. Dubbel glas is een samenstelling van twee industrieel
vervaardigde glasplaten met daartussen een fijn laagje lucht. Bij de eerste
ontwikkelingen van dubbel glas werd de spouw gevuld met droge lucht.
Tegenwoordig wordt hiervoor het edelgas Argon gebruikt. Bekeken vanuit de
perceptie van architectuur gebruikt de mens dubbel glas niet alleen om licht
binnen te laten of het omliggende landschap zichtbaar te maken, maar onbewust
ook om zichzelf ermee in te sluiten. De moderne mens omringt zich meer en meer
met glas en lucht. De protagonist van het verhaal 'Glas' wijst met regelmaat
naar een systeem, hét systeem: ‘Glas…alleen door glas zijn dingen waar te nemen,
zo afgrijslijk dat niemand erover spreken kan’. Deze novelle uit de bundel
'Paranoia' vertelt een verhaal over liefde, jaloezie en wantrouwen tegen de
achtergrond van het naoorlogse Duitsland. De meeste exegeten beweren dat Hermans
in zijn boeken vaak de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog gebruikt om een
spanningsveld op te roepen waardoor zijn personages scherper afgetekend worden.
Dat is natuurlijk zo, maar mijn bijkomende stelling is dat de lezer eigenlijk
noodgedwongen opgesloten raakt in een verstikkende omgeving die wordt afgesloten
door deze twee betekenislagen. Als je, bijvoorbeeld, de schildering van het
naoorlogse Duitsland zou vervangen door een evocatie van de loopgraven aan de
IJzer, zou het verhaal op de voorgrond zich helemaal anders laten lezen.
Verander een van de twee lagen en de samenstelling van het gas ertussen
verandert meteen. Het zou in elk geval anders ademen zijn.
Dat de belangstelling voor dergelijke achtergronden bij Hermans zich enkel en
alleen zou ontwikkelen ten gunste van het eigenlijke onderwerp mag sterk
betwijfeld worden. Door twee lagen over elkaar te leggen creëert Hermans een
ruimte in de diepte en bouwt daarmee onbewust aan een architecturaal kader. De
lezer leest door een muur van gas. Voor- en achtergrond raken elkaar in de
perceptie. Tussen beide ontstaat een ‘gemengde’ wereld, waar Hermans' universum
het meest voelbaar wordt. Het dubbel glas met een zuurstofarme laag edelgas
creëert wel een architectuur, maar een architectuur die langzaam onleefbaar
wordt. Zo nestelt zich Hermans' universum in dat laagje ‘andere’, lucht.
In 1919, twee jaar voor de geboorte van Hermans, vulde Duchamp een flesje met
Parijse lucht als geschenk voor de familie Arenberg in New York. Zo is ook elk
raam van dubbel glas een hoeveelheid verplaatste lucht. In 1934 opent de Duitse
komiek en filmregisseur Karl Valentin in Berlijn, onder het Hotel Wagner, zijn
‘Panopticum’. Met een tentoonstelling vol ‘Grussel- und Unsinsstücken’,
waaronder een glas Berlijnse waterdamp, dat hij ‘Dampf, kalter Dampf einer
Schnellzuglokomotive’ noemt. Valentin toont een apothekersflesje dat voor een
deel gevuld is met kleurloos water dat hij in het begin van de jaren dertig had
opgevangen als stoom van een locomotief in het station van Berlijn. De trein was
het voertuig waarmee Hitler zich verplaatste. Dat gegeven verleent de inmiddels
gecondenseerde waterdamp een andere dimensie. ‘Dampf’ krijgt door het
samenvallen van de artistieke handeling en het Hitlerverhaal een dubbele
gelaagdheid. Duchamp en Valentin voltrekken dezelfde handeling, maar door de
verschillende achtergrond krijgen ze een verschillende betekenis. De
Hitler-trein maakt de opgevangen lucht van Valentin onleefbaar. Ook deze novelle
van Hermans wordt getransformeerd in een woonruimte, maar op een heel andere
manier dan in het 'Denkbaar-project' in Izegem. Het uitgangspunt is
vergelijkbaar: een volledig vrije opdracht. Het ontwerp springt meteen over de
vraagstelling van het traditionele eisenpakket van de bouwheer, dat meestal
resulteert in een voorspelbaar verbetertraject met vooraf vastliggende,
verborgen wetmatigheden. Het huidige ontwerp vertrekt niet van wat de klant wil,
maar van wat hij is. Het vertrekt vanuit het onwisbare van mensen in het
algemeen, dat je ook zou kunnen omschrijven als hun 'levensvorm': sociale
context, gewoontes, milieus, interesses, voorkeuren, mogelijkheden, families,
ideologieën. De ruimte is bestemd voor twee geliefden. Het glas uit het
gelijknamige verhaal is veranderd in dubbel glas, naar analogie met de voor- en
achtergrond in Hermans' verhalen, die niet meer als voor-en achtergrond
beschouwd worden, maar als twee tegen elkaar uitgespeelde lagen waartussen het
verhaal zich afspeelt. De 'levensvorm' van elke klant krijgen een uitdrukking in
twee 'wanden' waartegen hun leven zich zal afspelen. Zo krijg je middenin een
ruimte waarin de voorgrond invloed heeft op de achtergrond en de achtergrond op
de voorgrond. De interactie tussen deze twee wanden en het leven van de bewoners
creëert onafgebroken veranderingen. Het vormt een luchtlaag met een voortdurend
wisselende samenstelling, die het leven beïnvloedt, maar er ook door beïnvloed
wordt. Soms heb ik de indruk dat Hermans zelf aan de gaskraan staat, waardoor de
samenstelling van de lucht voortdurend verandert. Eigenlijk heeft de woning dus
geen ander concept dan de acceptatie van het alledaagse. Het alledaagse wordt
het verborgen, onzichtbare systeem. Het glas wordt een beeld voor het
alledaagse. Zoals de ik-figuur Teuchert uit het verhaal ‘Glas’zegt: 'Het was de
quasi afwezigheid van een eigenschap die 'integendeel' juist van doorslaggevende
betekenis is. Het was glas. (...) Glas… ik was doorzichtig als glas. Wat ik
werkelijk was kon niemand zien'. Eigenlijk zou het ontwerp moeten vertrekken
vanuit de huidige woonsituatie van de opdrachtgevers, die wordt gepromoveerd tot
een scherm waartegen hun leven zich afspeelt en dat er tegelijk, als
transparante voorgevel, een bedrieglijk starre uitdrukking aan geeft voor de
buitenwereld. Het wordt een woning met twee leugenachtige voorgevels die elkaar
zullen tegenspreken of relativeren. Beide levensvormen worden verticaal
opgetrokken. Ze gaan fungeren als twee vliezen die een ruimte voorstellen als
een ingepakte hoeveelheid lucht, die de bewoners kunnen opvatten als een
geschenk, zoals bij Duchamp, maar ook als een verstikkend geschenk, zoals bij
Valentin. Doordat ze tegenover elkaar staan, zullen beide delen elkaar
verscherpen. Ze zullen elkaar zowel aantrekken als afstoten. De ruimte is
paranoïde geworden. Ze wordt een brok onleefbare, zure lucht waarbinnen het niet
functioneren tussen twee mensen volop kan gebeuren. Het verband met het verhaal
van Hermans heeft natuurlijk te maken met het glas, maar vooral met de lucht
ertussen: de bizarre verhouding tussen de ziekenhuisverpleegster Elena en de
arts Teuchert die een nazi-verleden heeft. De tekst leest geruisloos. Alsof
Hermans bij aanvang een glazen stolp plaatst tussen de lezer en Tauchert, de
ikfiguur uit het verhaal. Teuchert (het Duitse Taüscher/misleider) leidt ons
naar een mix van waanzinnige situaties, schijncomplotten, historische
verbindingen en geestelijke simulacres. Het wantrouwen van Teuchert is
grenzeloos, maar tegelijk verstrekt hij de lezer zeer onnauwkeurige gegevens
over wat er eigenlijk te zien is. Die dubbelzinnigheid keert terug in het
ontwerp. Van buitenaf gezien vertelt het omhulsel van de woning onnauwkeurige,
halve of valse waarheden. Binnen is de lucht onzeker geworden. Acceptatie als
nieuwe vrijheid De voornaamste motivatie voor het onderzoek naar de relatie
roman- (woon)ruimte lag besloten in de wens de roman als een buitenissig,
dwangmatig maar vooral feitelijk gegeven binnenin een opdracht te brengen. Zoals
een vreemd implantaat binnen een organisme dat organisme anders kan laten
functioneren, zo kan de structuur van de roman, het vertellersperspectief of de
waarneming van de hoofdpersonages tegen een bepaalde achtergrond al evengoed het
architecturale begrip ‘functionaliteit’ aantasten of verrijken. Op microschaal
kan een teken uit het boek, een detail, zelfs een uitspraak van de schrijver
achteraf dienstbaar zijn om de ruimte te helpen ontwikkelen, een plan te tekenen
of een onbekend programma verder te laten genereren. Het uitgangspunt voor de
ontwerpen berust niet in de eisen van de klant, functioneel-economische
overwegingen of het programmatisch karakter dat meestal de start van een
opdracht vormt, maar in het ‘fictionele en vreemde’, dat nu een hoofdrol opeist
temidden van een nieuwe ontwikkeling van ruimtes. Hermans' literaire wereldbeeld
leent zich erg goed voor een romaneske architectuur. De reden voor deze
transformatieprojecten berust in de acceptatie van een wereld buiten mij en mijn
wens die binnen te brengen of zeker samen te laten vallen met een plan of een
ruimte om tot een vrijere manier van ontwerpen te komen. De onvrijheid die erin
bestaat mij te baseren op het werk van iemand anders garandeert de vrijheid van
mijn plan en misschien zelfs een vrijheid voor de bewoners. |