|
Hier hilft kein Kluger,
das seh' ich klar:
hier hilft dem Dummen
die Dummheit allein!
Siegfried, Wagner
|
Hans Theys
Brief aan een jong schrijfster
(Een intelligente en pretentieuze tekst over het zuigen van een punt aan de
geschiedenis, het belijden der hoogstpersoonlijke pietluttigheid en het
verbranden van levende ratten)
I
Impasse des Victoires, 21 juli 1991. Brrr. Het is hier warm. Zweet loopt in
straaltjes over mijn rug en parelt op mijn voorarmen, veel eentonig lawaai van
onvermoeibare krekels, een lekkere, prikkend-muffe geur van dennennaalden etc.
etc. Fenna en Kelly zijn aan het snorkelen en slakjes aan het zoeken of
steentjes voor het Museum van rosse gesteenten. Terwijl ik dit schrijf schil ik
een kom aardappelen, want vanavond eten we, ondanks de warmte, puree met
prinsessenbonen, want daar heb ik nu goesting op (mét prinsessenbonen en zonder
worst, behalve voor Kelly, want die eet graag worst).
Sarah V., Fenna's beste vriendinnetje, wil volgend jaar aan de kunstacademie
gaan studeren, want ze wil schrijfster worden. Ach, schrijvers! Olifanten willen
ze, deze dierentemmers, échte olifanten! Maar wat als er geen olifanten meer
zijn? (Er zijn geen olifanten meer.) "Alleen zij die ervan leven, materieel
gesproken, zouden er zich aan mogen overgeven", schreef Cioran . De dienaren van
het knekelhuis der welgemeende kunst houden echter nog steeds moedig stand, vol
goede bedoelingen en trachtend naar de meest verheven stijl.
***
"Het moderne verschijnsel bij uitstek", aldus Cioran in 1956, "wordt gevormd
door de verschijning van de intelligente kunstenaar". De intelligente kunstenaar
wordt niet meer gedragen door de Kunst, hij moet Haar zelf voortduwen. Hij is in
de eerste plaats een estheticus geworden die het falen van instinct en intuïtie
tracht te ondervangen door niet zichzelf, maar de kunst tot uitgangspunt van
zijn werken te maken.
Koen Theys is een intelligent kunstenaar.
Zijn artistieke bedrijvigheid zou men kunnen samenvatten als een plastisch spel,
maar ook als een streven naar continuïteit en coherentie binnen het eigen werk
en een zo helder mogelijk standpunt ten opzichte van de geschiedenis van de
kunst, het werk van enkele kunstenaars die hij bewondert of als onontkoombaar
beschouwt , en het hedendaagse kunstgebeuren in het algemeen.
Zijn eerste videotapes ontstonden zonder scenario, tijdens het monteren van de
beelden. Zelfs Lied van mijn land, zijn video-adaptatie van Wagner's Ring, bevat
beelden waarvan bij de opnamen volstrekt niet vaststond in welk geheel ze later
hun beslag zouden krijgen. Vanaf het ogenblik dat hij zich ook intensief met
plastisch werk is gaan bezighouden, kwam een spanning aan het licht tussen deze
intuïtieve werkwijze en een streven naar noodzakelijkheid.
Het thematische uitgangspunt van dit plastische werk was de impasse aan het eind
van Wagner's Götterdämmerung, waar na het verdwijnen van de goden en het sterven
van de held alleen nog het volk (de massa) overblijft, dat als het ware wordt
weerspiegeld door het publiek in de zaal. Het subject, de held, is verdwenen, de
horizon is weggewist, periferie en centrum zijn niet meer van elkaar te
onderscheiden.
Deze impasse is verwant aan de impasse die Cioran beschrijft in de essays
Au-delà du roman en Lettre sur quelques impasses.
"Wat hebben we aan boeken die vertrekken bij andere boeken, of denkers die zich
steunen op andere denkers?" vraagt Cioran zich af. "Alleen de twijfelachtige
kunstenaar neemt de kunst als uitgangspunt, de echte kunstenaar put zijn
bouwstof elders: in zichzelf..." Wat valt er echter in onszelf te putten? Het
enige alternatief voor de zich over zichzelf buigende literatuur is volgens
Cioran de confessie-literatuur die, bij gebrek aan heldendaden , neerkomt op het
belijden van de hoogstpersoonlijke pietluttigheid in al zijn vormen. Voor "een
zoon van de roman" - zoals hij zichzelf omschrijft - bestaat er geen uitweg uit
deze impasse .
Nietzsche beschouwde de kunst - als plastische begaafdheid en onbevangen
creativiteit - als tegengewicht voor de hypertrofie van het historisch
bewustzijn. Wat echter als de kunst zèlf door de geschiedenis is uitgehold en
overwoekerd? Sommige hedendaagse kunstenaars meten zich met de geschiedenis van
de kunst, zoals schakers met een schaakautomaat die nog nooit werd overwonnen.
Laten we het werk van Koen Theys beschouwen als het streven naar een zo volmaakt
mogelijke, synthetiserende of analoge zet, zoals Rodin's Hellepoort een antwoord
vormt op de Paradijspoort van Ghiberti. De twee kanten van mijn deur als De
poort aan gene zijde van hel en paradijs.
Deze werken wensen juist te zijn, en meestal komen ze ook zo over, omdat hun
maker weet hoe iets behoort te zijn opdat het als Kunst zou worden beschouwd,
net zoals Mime weet hoe men een zwaard dient te smeden: "Hier, gebruik het
soldeersel", roept hij Siegfried toe, "ik heb er lang genoeg aan gewerkt". "Wat
kan ik met die smos doen?", antwoordt Siegfried, "met pap bak ik geen zwaard"!
Het ideaal van de ahistorische, uit het Niets scheppende moderne held is echter
een gevaarlijke fictie. Niemand kan een zwaard smeden zoals Siegfried, zelfs
Siegfried niet. Niets is zo pervers als de cultus van het vergeten , die een
uitvinding is van neurotische, zitvlees kwekende savanten, waar men Nietzsche,
ondanks zijn voorliefde voor lange wandeltochten, zeker bij mag rekenen. Ten
slotte kunnen we zelfs datgene wat het meest persoonlijk aan ons is, enkel nog
aanschouwen doorheen het grijze gordijn van de geschiedenis. Men heeft vaak
opgemerkt dat er in de tweede Oneigentijdse beschouwing vrijwel niets wordt
gezegd over de voordelen van de geschiedenis, maar als Nietzsches gehele werk,
als genealogie van onze ziekte, één gedachte uitdrukt, dan is het wel dat de
Geschiedenis, de levende, rillende, opengesneden geschiedenis, de voorwaarde
vormt voor het Leven. Om te kunnen worden wie we zijn, moeten we dissecteren wat
geweest is. Kunstenaars die zich op een kunstmatige manier een beperkte horizon
aanmeten, verloochenen juist het specifiek persoonlijke dat ze daardoor menen te
zullen ontdekken. Wij zijn van vlees en been en haar, maar ook van geschiedenis,
wie dat wil ontkennen is een zwendelaar of een debiel.
Een groot deel van de twintigste-eeuwse kunst (de museumvreter Marinetti op kop)
kan worden opgevat als een poging te ontsnappen aan de dwangschriften van de
Geschiedenis, als een zoektocht naar onbevangenheid die, absoluut gezien,
natuurlijk alleen maar mogelijk kan zijn in de vorm van een nieuw barbarendom,
maar bovendien ook altijd buiten het bereik zal blijven van wie zich de Kunst -
als vooropgesteld idee - tot doel stelt. Salueren wij Àlvaro de Campos! de
baldadige, mislukte futurist die in Ultimatum schoon schip maakte met het
Europese mandarijnendom, maar in Sigarenwinkel zijn eigen verzen omschreef als
een "in puin gevallen poort tot het Onmogelijke". Wie kan dansen over een ruïne
die hij op zijn eigen schouders torst?
***
De mémoire involontaire, als hoogstpersoonlijke weg naar een hoogstpersoonlijke
pietluttigheid, was Proust's truc om de geschiedenis te verschalken . Het
aantrekkelijke van deze truc schuilt echter niet in zijn gewicht (zijn
doeltreffendheid of legitimiteit), maar in zijn lichtheid. Aan het hof van deze
Hare Majesteit voeren gemakzucht, lichtzinnigheid en elegantie de hoofdtoon, de
Kunst komt achteraf. In het recente werk van Koen Theys, met permissie,
ontbreekt het een beetje aan nonchalance. Wat zeg ik? Het ruikt hier godverdomme
naar toegeknepen billen en altijd de bril opheffen voor ge begint te pissen!
"Van waar al die angstvalligheid?" roepen fijnzinnige, omzichtig geparfumeerde
kunstminnaars vanop de banken. "Waar is hier de durf? Ach, wat is het hier
proper, juist, well-made, evenwichtig en zuiver! Alsof de voorzichtigheid niet
is uitgevonden ter bescherming van oud porselein! Geef ons vuil, moed en
hardheid! Dat willen wij! En voor de rest geen gezever." Maar wat betekent dat
eigenlijk, vuil, moed en hardheid? Wat betekent dat, durf?
II
Wer das Fürchten nicht kennt,
der fänd wohl eher die Kunst.
Siegfried, Wagner
Vorige week vertelde een Vietnam-veteraan me dat hij in 1976, in Los Angeles,
bij wijze van performance, drie ratten heeft overgoten met benzine en levend
verbrand. Dit klinkt verheugend voor wie van de kunst enige werkelijkheidswaarde
verwacht. In Crime 01 kan men zien hoe Koen Theys met het botte lemmet van een
bijl de poten en de kop van een dode herdershond afsnijdt. (Met de kop en de
poten maakte hij later een kapstok.)
Toen de Vietnam-veteraan tijdens een forum in het New Museum, gevraagd werd
waarover zijn werk handelde, haalde hij een honingpot tevoorschijn die hij de
dag voordien had gevuld met zijn eigen uitwerpselen. Hij spreidde de kak met
zijn handen uit op een krant en legde het publiek uit dat zijn werk iets te
maken had met geuren. Koen Theys heeft ooit een op scoutswijze gesjord toilet
tentoongesteld, dat hij een week lang in de galerie had gebruikt.
Vanuit een streven de werkelijkheid en haar gruwelen recht te doen, kan een
kunstenaar trachten het geweld, de waanzin, de irrationaliteit of het
driftmatige concreet gestalte te geven in een of andere vorm van 'artistiek'
geweld. Het lijkt dan alsof het gewelddadige element ervoor zorgt dat de kunst
uit haar onwerkelijkheid ontsnapt en ophoudt afbeelding, reflectie te zijn.
Misschien worden zelfs de grenzen van de onwelvoeglijkheid en daardoor ook die
van de Kunst overschreden.
Als deze gewelddadigheid iets moet betekenen, hebben we met niets anders te
maken dan een soort van wetenschappelijke journalistiek, een bescheiden pleidooi
voor het herinvoeren van openbare lijfstraffen ter leniging van het falende
geheugen en het gebrek aan verbeelding.
Als dergelijke performances niet als belerende beelden bedoeld zijn, kunnen
levend verbrandende ratten en voor onze neus uitgesmeerde stront ons overigens
niets anders vertellen dan dat stervende ratten dood gaan en dat stront stinkt.
(Het afsnijden van de ledematen van een dode herdershond lijkt me ietwat
fijnzinniger, omdat hier iets ongewoons plaatsvindt.)
Ongeveer zeven jaar geleden , toen ik Diana, een videotape over de godin van de
jacht, voor het eerst zag, werd ik niet alleen bekoord door de prachtige beelden
(de vrijwel onzichtbaar bewegende, sepiakleurige jagers), ik was ook erg
opgelucht, omdat het leek alsof het rauwe hier plaats gemaakt had voor het
gestileerde.
Het probleem is dat, voor zover ze worden beschouwd als kunst, er geen verschil
is tussen het rauwe en het gestileerde. Alleen als Koopwaar kunnen ze zich meten
met de Macht... Ach! De kunstenaar als zondebok, martelaar, priester, heilige of
kluizenaar, de kunstenaar als energetisch centrum! Ziedaar het uitgangspunt.
Ziedaar het doel. "Boltanski", hoorde ik onlangs iemand zeggen, "is erin
geslaagd vandaag alsnog het idee van het 'energiegevend centrum' uit te drukken,
omdat hij foto's gebruikt, foto's van echte slachtoffers". Ach! Uitdrukken,
uitdrukken, uitdrukken! Een energiegevend centrum zijn, dat lijkt pas een doel!
Maar hoe kan men zich een kunstenaar of een schrijver voorstellen als
energetisch centrum? Iemand die kunstwerkjes maakt of tekstjes schrijft? Dat
elke potentiële Napoleon rigoureus zijn huiswerk maakt! De anderen mogen gaan
spelen! (Ik heb zin om te gaan snorkelen, maar ik weet niet hoe dat moet.)
III
"En de werken?", vroeg de kunstminnaar, "waarom schrijft U nooit iets over de
werken? Hebt U wel enig plastisch gevoel"? "Voor de werken", antwoordde de
kribbelaar-parvenu, "moet U bij de kunstenaar zijn. Ik verkoop alleen maar
teksten".
Impasse des Victoires, 25 juli 1991
Deze tekst verscheen voor het eerst in Koen Theys. Kijk- en leesboek, De
tentoonstellingen van het Paleis voor Schone Kunsten, 1991, 40 p. Redactie Hans
Theys, Vormgeving Hans en Koen Theys. Nederlands en Frans. |