|
Het enige belangrijke is een man als ieder ander te zijn, alleen nog een beetje
bescheidener, een beetje simpeler, als het mogelijk is. (Marcel Jouhandeau)
Feitelijk is het zo dat de misdaad die de mensen als de ergste beschouwen deze
is: niet als de anderen te zijn. (Kierkegaard)
|
Hans Theys
De tweelingbroer van Picasso
Enkele woorden bij de tweelingbeelden van Koen Theys
1. Inleiding
De recente kunstgeschiedenis kent tal van kunstenaars die samenwerken als duo.
Vaak dragen ze dezelfde of soortgelijke kleren, alsof ze tweelingen zijn. Soms
gaat het echt om tweelingen. Vermoedelijk bewegen er zich in het artistieke
milieu meer tweelingen dan hun mathematische aandeel in de totale bevolking kan
verklaren. Het kluchtige duo, met een dikke en een dunne, een slimme en een
domme, een handige en een onhandige, wordt gewoonlijk gewaardeerd als een
opluchting brengende uitvergroting van de ongelijkheid tussen mensen. De
opluchting komt voort uit het besef dat ongelijkheid niets anders is dan de
prijs die we moeten betalen voor onze individualiteit. Met het verschijnen van
een identieke tweeling is het echter anders gesteld. Soms lijkt het alsof het
opduiken van twee identieke beelden een donkere, verborgen zijde heeft.
Die zijde heeft zich slechts langzaam aan mij geopenbaard, alsof ik haar liever
niet wilde waarnemen. Want er zijn zaken die wij niet zien en die zich toch met
grote volharding aan ons opdringen, zodat wij niet anders kunnen dan ons naar
hen schikken en nederig toekijken hoe ze zich ontplooien. Zo overkwam het mij,
nu al enkele jaren geleden, dat ik tijdens de rookpauze van een geheime
vergadering plotsklaps in fluistering werd aangesproken door een kleine man met
dicht bij elkaar staande ogen, elkaar boven de neusbrug ontmoetende wenkbrauwen
en een onrein gebit, die mij ongevraagd deelachtig maakte aan een van de diepste
geheimen van zijn bestaan.
‘Alles in mijn leven is misgelopen door tweelingen,’ sprak hij. ‘Mijn familie is
vergeven van de tweelingen. Maar het ergste was mijn vader. Die had een
kwaadaardige tweelingbroer die op dezelfde boerderij woonde als wij en waar ik
doodsbang voor was. Alleen wist ik nooit wie ik voor mij had, bijvoorbeeld als
ik thuiskwam van school, zodat ik nooit op mijn vader ben toegelopen en ik nooit
door hem in de armen gesloten ben. Want ik was altijd bang in de armen van zijn
broer terecht te komen.’ Ik liet de man uitspreken zonder zijn woorden in te
kapselen met onmiddellijk geuite bedenkingen, maar in stilte bedacht ik dat zijn
verhaal op verschillende manieren gelezen kon worden. Er waren veel verklaringen
mogelijk. Misschien had hij nooit een vader gehad – een man die vorm wist te
geven aan mogelijke gevoelens van tederheid, of een man die het had aangedurfd
elders te gaan wonen dan in het ouderlijke landbouwbedrijf – en was hem dit door
deze ongelukkige verdubbeling ontgaan?
‘Ik woon nu weer in dat huis,’ besloot de zachtjes fluisterende man zijn droef
verhaal, ‘bij mijn tachtigjarige moeder, en ik denk niet dat ik haar zal
overleven.’
Elk beeld die naam waardig is een spiegelbeeld. Het is de wonderlijke
vleeswording van een beeld dat al in ons hoofd woonde. De beeldende kunstenaar
zorgt voor het geraamte, wij omhangen dit met spieren, huid en teint. Soms maken
kunstenaars geraamtes die we nog niet kunnen omkleden, waar we het vlees nog
niet bij kunnen denken. Maar na een paar jaar gaat het al weer veel beter,
waarvoor dank aan God.
Bijna elk kennen is een herkennen. Ofwel herkennen we woorden, ofwel herkennen
we geluiden en geuren. We wonen in de zinnen die we gebruiken om de wereld te
beschrijven. Deze zinnen zijn alleen maar ‘waar’ voor zover hun gebruik
praktische resultaten afwerpt. Onze taal en ons denken zijn evengoed toevallige
overblijfselen van de evolutie als de slurf van de olifant. (We beelden ons in
dat die slurf een nuttig overblijfsel is van een doelgerichte evolutie, terwijl
ze niet meer is dan een levensvatbare, lollige variant. Hetzelfde geldt voor ons
denken en onze taal.)
We dromen en hopen dat onze talige constructies beantwoorden aan de
werkelijkheid, maar we raken in de war als onze omgeving zelf de gedaante van
een talige constructie aanneemt, omdat ze zo haar eigen irrealiteit en chaos
lijkt over te brengen op onze eensklaps niet meer zo stevige gedachten.
Als we twee dezelfde beelden ontdekken in de wereld, dan lijkt dit ons vermoeden
te bevestigen dat er rondom ons een verborgen hand aan het werk is. Heel even
hebben we het geruststellende gevoel dat de wereld zin en orde kent, maar dan
overvalt ons het voorgevoel dat het toeval ons gewoon een monsterlijke parallel
van ons eigen denken aanreikt. Het is alsof een olifant in God zou gaan geloven
bij het zien van twee symmetrisch opgestelde tapirs.
Tweelingbeelden roepen nog meer bevrijdende maar tegelijk nare gedachten op.
Alle mensen willen deel uitmaken van een groep en zich tezelfdertijd van die
groep onderscheiden. Onze angst niet uniek te zijn wordt alleen maar overtroffen
door onze angst uniek te zijn. De tweeling versterkt ons gevoel van uniciteit,
maar vergroot onze eenzaamheid.
Als voorafschaduwing van de Platoonse Idee, maakt het tweelingbeeld onze eigen
verschijning futieler en vergankelijker.
2. De literaire vorm van de werkelijkheid (De palindroom van mijn jeugd)
Tijdens mijn kindertijd bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van de woning
van elk van mijn beide grootmoeders, die op tien kilometer afstand van elkaar
woonden, een winkeltje waar brood, een beetje groenten, beleg, koffie,
toiletpapier, klein modieus speelgoed en snoep werden verkocht. Op zich niets
wonderlijks, ware het niet dat elk van beide handelszaken gedreven werd door een
oudere dame die Mene genoemd werd. Later heb ik nooit meer iemand ontmoet die zo
heette, alsof deze naam op goddelijke wijze voorbeschikt was om alleen mij en
mijn broers, die op het kruispunt van dezelfde families leefden, een
onweerlegbaar bewijs te leveren voor het niet bestaan van ruimte en tijd. We
gingen de eerste grootmoeder een bloemetje brengen voor moederdag en dan reden
we tien kilometer naar de tweede grootmoeder, die even oud was en een even
geheime relatie had met een snoep verkopende dame die Mene heette. De heenreis
liet zich lezen als de terugreis. We zaten opgesloten in een palindroom.
Bovendien hadden beide grootmoeders op één letter na dezelfde voornaam (Alice en
Aline) en hadden ze allebei hun echtgenoot verloren. Het enige wat van deze
mannen overbleef, zichtbaar voor mij, waren hun identieke bureaus.
Het heeft iets boeiends, maar ook iets bedreigends zich opgesloten te weten in
een literaire vorm, in twee beelden die een spiegelbeeld van elkaar lijken te
zijn, zonder dat er sprake is van een echt voorwerp en zijn weerspiegeling.
Beide beelden zijn even echt en even onecht, het zijn echte dingen die
droombeelden worden door hun magische verdubbeling, en het zijn droombeelden die
werkelijkheidswaarde krijgen doordat ze ons gevangen houden.
Iets soortgelijks is gebeurd met Edgar Allen Poe. Er bestaan twee schrijvers die
deze naam dragen, een Amerikaanse en een Franse. De Franse Poe is een
diepzinnig, symbolistisch, sensueel en duister auteur die bekend is geworden
door de vertalingen van Mallarmé en Baudelaire. De Amerikaanse Poe is een
onbetrouwbaar heerschap dat toevallig de detectiveroman heeft uitgevonden.
In het verhaal ‘William Wilson’ waant de held, die een oplichter is, zich
achtervolgd door een dubbelganger die hem steeds weer ontmaskert. Het lijkt wel
het verhaal van de Franse Poe, die telkens weer gerelativeerd wordt door het
bestaan van zijn Amerikaanse naamgenoot. In werkelijkheid was Poe een
alcoholicus. De schrijver woonde in een lichaam dat hem kapot wilde maken. Hij
werd achtervolgd door zichzelf. (Als in een palindroom: de nuchtere Poe werd
achtervolgd door de zelfmoordenaar, terwijl de geld verkwistende oplichter,
poseur en bluffer werd achtervolgd door een man met een roeping en een geweten.)
In de tijd van Poe konden alcoholici alleen maar gek worden, in de gevangenis
terecht komen of creperen. In het beste geval werd je vastgebonden op een
ziekenhuisbed. Poe is gecrepeerd. In 1935, bijna honderd jaar na zijn dood,
ontstond uit de ontmoeting van twee alcoholisten die Bill en Bob genoemd worden
(een beetje zoals Dobtsjinski en Bobtsjinski in De Revisor van Gogol), een
anarchistische zelfhulpgroep die de Anonieme Alcoholisten werd genoemd en die
sindsdien miljoenen alcoholici heeft geholpen een normaal leven te leiden.
De spirituele grondslag van hun programma is de anonimiteit. Alleen door te
verzaken aan zijn zelfzucht, kan de alcoholist trouw blijven aan zichzelf. De
levensloop van Bill vertoont heel wat overeenkomsten met die van Edgar Poe. Ze
groeiden allebei op zonder hun ouders. Poe werd geadopteerd, Bill werd opgevoed
door zijn grootvader. Maar waar wil ik met dit verhaal eigenlijk naartoe? Welnu,
de volledige naam van Bill, de stichter van de Anonieme Alcoholisten, was
William Wilson.
Onlangs raakte ik aan de praat met een erudiet man, een zestigjarige
filosofieprofessor, die vertelde dat hij een grote waardering had voor nonnen,
omdat hij in de kleuterklas les had gekregen van een non die zo lief was dat ze
in zijn gedachten nog steeds model stond voor heilige vrouwen, bijvoorbeeld als
hij zich de maagd Maria probeerde voor te stellen. Deze non hield zoveel van
haar leerlingen, vertelde hij, dat ze voor elk van hen, zonder onderscheid van
stand, eigenhandig ‘twee speelgoeden’ per jaar maakte. ‘En om je een idee te
geven van zo’n speelgoed,’ vervolgde hij, ‘dat kon bijvoorbeeld een houten
draaimolen van veertig centimeter doorsnede zijn en als je ergens aan trok dan
begon die molen te draaien en gingen alle paarden op en neer.’
We zwegen.
‘Er is trouwens iets met die dame gebeurd dat ik nog nooit aan iemand heb
verteld,’ vervolgde hij. ‘Zelfs nu, bijna zestig jaar later, aarzel ik het je te
vertellen… Op een dag begon die non de klas toe te spreken. Misschien wel een
uur lang. We begrepen niets van wat ze vertelde. En toen liep ze beslist naar
een hoek van de klas waar de grote fles met inkt stond, ze kwam weer voor de
klas staan, zette de fles aan de mond en dronk hem in één teug leeg. Toen begon
ze weer iets onverstaanbaars te vertellen, liep ze weer naar de hoek en nam de
tweede fles met inkt, die ze ook helemaal leegdronk. Daarna hebben we haar nooit
meer gezien.’
Ooit heb ik met zekerheid kunnen vaststellen dat de jeugdherinneringen die de
bakens van mijn gevoelsleven vormden, niets anders waren dan vaak terugkerende
dromen. Ik heb gezien hoe mijn ervaring geleid en beperkt werd door droombeelden
die op hun beurt bevestigd en gevoed werden door de ervaring die ze zelf binnen
de perken hielden. Volgens mij had de professor mij net een hardnekkig
terugkerende droom verteld, die door de onwaarschijnlijke aanwezigheid van twee
grote flessen inkt scheen te wijzen op een grote angst voor het Verlies. Ik keek
naar mijn gesprekspartner en herinnerde mij dat hij me ooit verteld had dat hij
lesgaf aan twee scholen en bezitter was van twee huizen.
‘Je houdt ervan alles dubbel te hebben,’ zei ik.
‘Ik had daar vroeger altijd ruzie over met mijn vrouw en nu met mijn vriendin,’
sprak hij. ‘Het lijkt mij logisch dat je alles dubbel koopt, of het nu gaat om
zeep, boter of sigaren, maar ik heb hun dat nooit aan het verstand kunnen
brengen. Wat heeft het voor zin maar één doosje aspirine te kopen als het net op
zaterdagavond leeg kan zijn?’
Een van de mooiste kunstwerken die vertrekken van een tweelingbeeld is
Hitchcocks film Vertigo. In die film wordt een man verliefd op een vrouw die
zelfmoord pleegt. Later ontmoet hij een vrouw die hem aan zijn overleden
geliefde doet denken en probeert hij haar ertoe te overhalen zich te kleden en
op te maken zoals de eerste vrouw. Zo komt hij erachter dat zijn overleden
geliefde nooit heeft bestaan, maar dat zij ‘gespeeld’ werd door de tweede vrouw.
Op het ogenblik dat hij de waarheid achterhaalt, verliest hij zijn geliefde voor
de tweede keer. (Ze sterft op dezelfde manier, maar nu voor echt.) De grootsheid
van deze film berust ondermeer hierin dat Hitchcock ons toont hoe wij allemaal
kijken naar onze geliefden (met een naar binnen en naar het verleden gekeerde
blik), maar ook hoe de kunstenaar kijkt naar zijn actrice of zijn schilderdoek
en hoe wij kijken naar een kunstwerk.
3. De geboorte van de menigte in het gezicht van de enkeling
De kunstenaar Michel François, wiens vader een tweelingbroer had, vertelde mij
dat Michel Tournier ergens schrijft dat we allemaal per twee verwekt worden,
maar dat de meeste mensen hun rivaal in de buik van hun moeder smoren. Alleen
tweelingen zijn geen moordenaars. Het gevolg is wel, denk ik, dat tweelingen
levenslang geteisterd worden door moordzucht, omdat de gedachte niet uniek te
zijn de kleurloze nacht van de dood te dichtbij brengt. Elke poging je eigen
individualiteit te versterken lijkt vergeefs. De grijze warreling van atomen die
ons straks weer zal opslorpen, zonder onderscheid des persoons, plooit naar
binnen in de wereld in de vorm van twee identieke gezichten.
Koen Theys, die een tweelingbroer heeft, maakt werk dat zeer uiteenlopende
vormen heeft aangenomen, dat niets met tweelingen te maken wil hebben, maar dat
zich bij elke onoplettendheid gaat verdubbelen. Ik herinner mij een negatief,
bronzen zelfportret uit 1989, een naar binnen stulpend bas-reliëf, dat door een
onverwachte werking echter een positief, optisch opbollend spiegelbeeld
produceerde dat veel weg had van het uiterlijk van de tweelingbroer. Of de foto
met hangende, dode hond waarop Koen Theys, in navolging van de Sovjetcensuur,
zijn vroegere kompaan Dirk Paesmans wegretoucheerde en verving door een
gespiegelde foto van zichzelf, die onverwacht een portret van zijn tweelingbroer
leek te zijn. Zijn bekendste werken zijn allicht de verdubbelingen van
straatmeubilair, zitbanken, vuilnisbakken, lantaarns, enzovoorts. Bedacht als
een manier om iets zichtbaar te maken door het gewoon te kopiëren, bracht het
onverwacht het tweelingenmotief opnieuw naar boven.
Voor de vernissage van de tentoonstelling In search of the perfect lover, die
plaatsvond in het najaar van 2003 in het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle,
nodigde Koen Theys tachtig tweelingen uit die elk op een gelijke manier gekleed
en opgemaakt waren. In de video Meeting William Wilson (49'40"), die werd
gemaakt tijdens deze performance, zie je sommige enkelingen die de ruimte
betreden heel erg schrikken, alsof ze zich plotseling afgesneden voelen van een
beschermende dubbelganger.
De laatste jaren stelde Koen Theys enkele mooie tentoonstellingen samen met
beelden van de hand van anderen: foto’s van nieuwe, nog onbewoonde stadswijken
die gemaakt waren door bedienden van een bank die de bouw had gefinancierd;
uitvergrote, op doek afgedrukte foto’s van vissers die met hun vangst pronken;
of foto’s waarop knutselwerk van peuters in kleuterscholen te zien is.
Vooral deze laatste beelden, waarin de kleuters meestal aan de slag gaan met
identiek materiaal (bijvoorbeeld twintig dezelfde kartonnen doosjes van bij de
slager), roepen het nachtelijke gevoel van een bedreigde individualiteit op. Dit
gevoel ligt misschien ook aan de basis van een reeks video’s waarin geïsoleerde
afbeeldingen van voorwerpen of gezichten door morphing in elkaar overlopen.
De gezichten van beroemde acteurs die in elkaar overlopen in Koen Theys’
videofilm Starring doen ons denken aan enkele observaties van Jean Genet over
het werk van Giacometti. Genet merkt op dat Giacometti het zwaartepunt van het
gezicht, of de betekenisgevende onderdelen daarvan, als bij een facelift naar
achteren trekt om ze naast of achter het gezicht en misschien zelfs naast of
achter het doek te laten verdwijnen. Het lijkt alsof de individualiteit die we
toekennen aan gezichten niets is dan een maskertje dat we zelf projecteren.
Giacometti probeert te kijken naar de materie achter het maskertje, dat
schijnbaar ook iets individueels heeft, maar dan iets afschuwwekkend
individueels dat samenvalt met eenzaamheid en dood. De materie achter het
geprojecteerde beeld staat alleen.
Het ligt voor de hand achter een kunstwerk te zoeken naar dood en eenzaamheid,
maar Genet doet het toch met iets meer gevoel voor het kunstwerk dan de meeste
denkers. Hij merkt op hoe alle lijnen van Giacometti’s tekeningen evenwaardig
lijken, waardoor het beeld telkens weer lijkt te verdwijnen in de materie, maar
tegelijk, gezien van een afstand, soms ook een nieuwe ruimtelijkheid krijgt. De
tekening bolt op in de ruimte, als een brok materie. Genet heeft oog voor dit
heen en weer gaan, dit opduiken en weer verdwijnen van het beeld, dat
waarschijnlijk beantwoordt aan de manier waarop Giacometti de werkelijkheid
waarnam.
In de laatste film van Fassbinder, die gebaseerd is op een roman van Genet,
komen twee mannen voor die beweren elkaars broer te zijn. Ze begeren dezelfde
vrouw, maar wel alleen omdat ze zo elkaar kunnen beminnen zonder dit te
bekennen. Eén van beide mannen kleedt een jonge, tedere bandiet die een overval
pleegt zodanig aan (hij kleeft hem een snorretje op) dat zijn ‘broer’ van de
overval beschuldigd zal worden.
Enkele jaren eerder had Fassbinder de film Despair gemaakt op basis van een
verhaal van Nabokov. In die film ontmoet de held een dubbelganger. Hij komt op
het idee deze man te vermoorden en aan te kleden als zichzelf, zodat zijn vrouw
de levensverzekeringspremie kan opstrijken en ze er samen vandoor kunnen gaan.
Zo gezegd zo gedaan. De held pleegt de moord, schuift zijn identiteitspapieren
in de jaszak van het slachtoffer, schuift een ring om diens vinger en gaat zich
verbergen. Enkele dagen later belt een politieman aan bij de echtgenote. Hij
vertelt dat de politie het lichaam heeft gevonden van een man die het paspoort
van haar echtgenoot bij zich droeg. De vrouw doet alsof ze schrikt. ‘Het enige
probleem,’ gaat de politieman verder, ‘is dat de dode man helemaal niet op uw
echtgenoot lijkt.’
In een fictief interview met Magritte, dat soms afgedrukt wordt met foto’s
waarop beide heren van bolhoed wisselen, stelt Marcel Broodthaers de vraag of
het niet mogelijk zou zijn Magrittes beelden te bekijken als sociologische
documenten, die ons een inzicht bieden in de cultuur van een welbepaald
tijdperk, in plaats van ze te blijven beschouwen als pogingen het mysterie op te
roepen. Magritte antwoordt dat hij niet begrijpt wat Broodthaers bedoelt.
Broodthaers zet hier zijn programma voor de volgende jaren uiteen in de vorm van
een quid pro quo tussen Janssen en Janssens.
Borges oppert de gedachte dat de nachtegaal van Keats dezelfde was als de
nachtegaal van Shakespeare en van Oscar Wilde of de nachtegaal die ik op 8
februari 1986 om vier uur ’s nachts hoorde zingen in Brusselse voorstad. Zoals
er misschien maar één nachtegaal is, schrijft hij ergens, zo is er misschien ook
maar één schrijver. Zo scheen het mij vroeger toe dat er maar één grootmoeder
bestond en zo moeten Broodthaers en Magritte tijdens het wisselen der hoeden
heel even geloofd hebben dat ze een en dezelfde persoon waren. (Er bestaat maar
één kunstenaar, maar we moeten hem of haar wel elke dag opnieuw verzinnen.)
Montagne de Miel, 14 november 2004 |