|
|
De Oostenrijkse
kunstenaar Kurt Ryslavy woont sinds 1987 in Brussel. Daar heeft hij als
artistieke bezigheid een waardig bestaan opgebouwd – een studie naar de
maatschappelijke waarneming van de 'independent artist'. Aspecten van deze
identiteitscamouflage duiken steeds weer op in zijn beeldend werk, wanneer hij
lijsten of rekeningen in zijn werk integreert of andersom documenten als
schilderijen formuleert.
Het verhaal van de wijn
Ik woonde al enige tijd in Brussel, toen de regelmatige identiteitscrises weer
eens de schilderkunst, de productie van profane kunstobjecten ('panelen'! – wat
een klinkklare onzin!) door elkaar schudden.
Met veel geluk had ik een psychiater gevonden, die mij – als kunstenaar nagenoeg
zonder middelen – een etage van zijn grote huis liet betrekken, waar ik
weliswaar zonder verwarming kon wonen en mijn kunst kon maken. Deze vriendelijke
man, met de opvallende naam François Debauche, deelde mij vrolijk mee dat hij
het met plezier deed voor de 'cultuurimport naar België vanuit de stad van
Sigmund Freud'. Ondanks mijn vele verzoeken wilde hij voor het gebruik van mijn
kamer geen geld zien. In een niet bepaald geluidsdichte kamer naast mij, gaf een
zangleraar regelmatig zangles – aan personen van alle leeftijden en geslachten.
Zij hadden allen gemeen dat zij absoluut niet muzikaal waren, geen enkele
zangervaring hadden en ook helemaal niet de bedoeling hadden om te leren zingen.
Zij waren patiënten van Docteur Debauche en deze 'zangtherapie' was onderdeel
van zijn programma. Een etage hoger woonde een vriendelijk, jong stel uit
Ierland; de gemeenschappelijke badkamer moest steeds weer ontdaan worden van
bloed dat vaak ongecontroleerd rond spoot, omdat zij hun drugs niet in nuchtere
toestand tot zich namen. Overdag sliepen zij en 's nachts werkten zij
buitenshuis, ook dat was een aangenaam aspect van ons samen wonen. In het
souterrain woonde een niet meer zo jonge vrouw die psychisch gestoord was,
waardoor het moeilijk communiceren was met haar. Zo nu en dan werd zij razend en
schreeuwde zij Franse teksten en liederen, hoorbaar in het hele huis. Zij had
een grote voorliefde voor lange stoombaden waarbij zij de gemeenschappelijke
badkamer volledig onder water zette. Een jonge vrouwelijke arts op de verdieping
beneden mij was aardig en vriendelijk.
In deze omgeving begon ik mij intensief met het thema wijn bezig te houden: ik
vergeleek de kwaliteit van wijnen uit de laagste prijsklasse van de Belgische
markt. Het viel mij al snel op dat er destijds geen enkele fles Oostenrijkse
wijn te vinden was. Waarom was voor mij een raadsel.
Mijn artistieke bezigheden omvatten onder meer het vervaardigen van zeer
gecompliceerde, korte teksten, waarvoor ik uitsluitend voor dag en dauw
voldoende concentratie kon vinden, gedurende gemiddeld twee à drie uur. Vaak
leidde deze bezigheid tot hoge bloeddruk, angstaanvallen en hevige hoofdpijn,
waardoor het altijd deugd deed deze – als korte teksten – te beëindigen en mijn
vergelijkende studie van goedkope Belgische wijn voort te zetten. De tweede
helft van de dag was dan meestal gewijd aan de beeldende kunst. Ergens gedurende
deze periode van mijn vroege tentoonstellingen heb ik een afkeer ontwikkeld van
het gebruikelijke galeriepubliek, die ik door de presentatie van een vroeg
sleutelwerk in Galerie Foncke ook weer van me af kon schudden. Ik had het idee
om de onwetendheid en minachting van de galeriebezoeker – die de tentoongestelde
kunst de rug toekeert voor roddels en cocktails – tegen te werken. Ik hing
enkele verboden-te-roken-borden aan de wanden en verzocht de vernissagebezoekers
– in de lege galerieruimtes - glazen wijn te proeven, die ik uit gemaskeerde
flessen had gevuld. Dat was alles – zij moesten dus proberen met ogen, neus en
mond iets te herkennen en dit vanuit de eigen ervaring op te helderen/ te
vergelijken. Interessant was dat mijn galeriehouder destijds niet één
verzamelaar kon vinden voor de verboden-te-roken-borden, de enige beschikbare en
materiële kunstobjecten van de tentoonstelling. (De gecamoufleerde flessen waren
de eerste Oostenrijkse wijnen die ik zelf met een geleend autootje had
geïmporteerd – zelf betaalde monsters).
Dit was niet het enige conceptuele of deconstructieve of contextuele (of hoe je
het ook noemen wilt) werk dat ik destijds ontwikkelde. De kunstmarkt floreerde
en vele collega's deden uitstekend zaken. Golfoorlog '2' (invasie van Koeweit)
brak uit – en de oververhitte kunstmarkt donderde in elkaar. Meerdere
galeriehouders pleegden zelfmoord. Alhoewel ik nooit aan de hype meedoe (en zelf
dus geen economische verslechtering van mijn middelloosheid heb kunnen
ontdekken), inspireerden mij deze fatale stemming en de geslaagde expositie met
het blindproeven tot een ronduit extreme vorm van conceptualisme: het opbouwen
van een zogeheten waardig bestaan. Ik wilde een poging wagen een wijnimport op
te zetten. Weliswaar had ik geen serieuze, vakkundige voorkennis – behalve
rijkelijk eigen verbruik – maar ik beschikte over voldoende agressie en
verachting tegenover de conventionele houdingen. Bovendien was ik vanwege een
lening genoodzaakt om meer en regelmatiger geld te verdienen.
Toen ik de eerste serieuze pogingen ondernam om Oostenrijkse wijn aan te bieden,
werd mij duidelijk waarom Oostenrijkse wijn in België onvindbaar was; België was
– enkele jaren ervoor – bijzonder hard getroffen door een Oostenrijks
wijnschandaal (de 'antivries-affaire'), omdat de lokale voorkeur juist milde,
ronde en vriendelijk geprijsde wijn betrof. En uitgerekend deze werd door
wetsovertreders (en niet-wijnboeren) in grote hoeveelheden aan België verkocht
om er gebotteld te worden. Dit was de reden waarom de hele wijnhandel tussen
Oostenrijk en België instortte, ook al waren de door de Oostenrijkse wijnboeren
en -producenten zelf gebottelde wijnen niet bij dat schandaal betrokken.
Oostenrijkse wijn was in België tot op zekere hoogte een taboe, een
maatschappelijke smet, een no-go-product. Ik oogstte onmiddellijk slechts
gelach, hoofdschudden en verachting; de eerste stappen in de richting van mijn
nieuwe artistieke ommekeer waren stapels dozen vol wijn, die ik te zijner tijd
ook zelf nog kon opdrinken, weliswaar officieel geïmporteerd met een eigen
Belgisch btw-nummer en ingeschreven in het Brussels handelsregister.
Met deze in België destijds 'niet-artistieke' insignes werd de horizon van mijn
bekendheid en mijn kennissenkring langzaam breder. Een compleet ander deel van
de maatschappij (de wereld van de wijnkenners, wijnliefhebbers, handelaren,
gastronomen, wijnjournalisten enz.) beoordeelde mijn degustatieve voorstellen
als niet goed, te zuur, te duur, de verpakking als lelijk, de etiketten als
onoverzichtelijk en onbegrijpelijk enz. Deze lieden hadden de interessante
gewoonte kunst (M. Broodthaers, M. Kippenberger, R. Prince, G. Richter, F. West
enz.) die zich in de proeflokalen bevond, als decor te zien. Dat zei in ieder
geval iets over het succes van mijn concept, en tevens iets over de
'flexibiliteit' van elegant gepresenteerde kunst. Ook na drie jaar en ook na
vijf jaar veranderde er niet veel – pas na 7 à 8 jaar ging de zaak geleidelijk
aan beter lopen. Toen kwam met president Waldheim, NSDAP-officier b.d., weer een
maatschappelijke tegenslag die de reputatie van Oostenrijkse wijn ruïneerde.
Geen enkele Belgische tent (respectabel of niet) wilde een aanbeveling van
Oostenrijkse wijn horen. Met het wegebben van het Waldheimprobleem, begon de
wijn plotseling beter te lopen – en toen kwam het bekende Nazi-kind Dr. Haider
in de regering en was mijn import en export weer terug bij af. Vandaag de dag,
na vele jaren van grote inspanningen, moet ik mij met behulp van advocaten
beschermen tegen grote gevestigde Belgische firma's die proberen mijn moeizaam
opgebouwde markt over te nemen door contacten te leggen met mijn 'wijnvrienden'
om zo mijn wijnen naar België te importeren (in plaats van het te proberen bij
één van de duizenden goede Oostenrijkse wijnleveranciers die niet
vertegenwoordigd zijn in België).
Tegenwoordig presenteert de 'verkoopruimte' zich als een hybride van het
privé-woonhuis van een kunstverzamelaar en de verkoopruimte van een exclusieve
wijnhandelaar – een storende mix voor kunstliefhebbers die in kunstenaars de
interessante maatschappelijke marginaal zoeken, maar ook voor wijnkenners die
denken in een dependance van de Oostenrijkse ambassade terecht te zijn gekomen.
In werkelijkheid is dit echter het atelier van de kunstenaar. |