|
|
Hans Theys
Onzichtbare naden
Enkele woorden over het werk van Kurt Ryslavy
Inleiding
Kurt Ryslavy is een dichter die is gaan schilderen om geld te verdienen, een
schilder die ruimtelijk werk en sculpturen is gaan maken omdat de poëzie van
schilderijen hem in sommige gevallen ontoereikend leek, en een ruimtelijk
kunstenaar die wijn is gaan verkopen om te overleven. In deze opeenvolgende
gedaanteverwisselingen of maskerades vindt zijn werk een dankbare bron van
beelden en thema’s. Het lijkt alsof de ware Kurt Ryslavy schuil gaat achter al
deze lagen, als de zelf investerende theaterdirecteur uit oude tijden die
vanachter kunstig verschuivende coulissen de gebeurtenissen op de scène en in de
zaal volgt. Het is ook mogelijk dat er helemaal geen directeur is. Met een
beetje geluk is hij al jaren op vakantie zonder dat iemand er iets van heeft
gemerkt, misschien neemt de directeur achtereenvolgens alle functies waar, van
het scheuren van de kaartjes tot het verschuiven van de coulissen. Er is geen
directeur meer. De directeur is overal.
Vrijdag, 8 maart 2004. Ik sta in een groot vertrek in Ryslavy’s huis. Het
vertrek lijkt op een woonkamer, maar dan wel een woonkamer waarvan de
verschillende onderdelen slechts op een afstand iets met elkaar te maken hebben,
alsof de ruimte elk ogenblik uiteen kan vallen in afzonderlijke brokstukken. De
oude meubels stammen niet uit dezelfde periode en zijn niet afkomstig uit
hetzelfde land. Alles ziet er netjes uit. Behalve één vitrinekast, waar een paar
CD’s naast liggen op een heuphoge uitloper van een boog die de ruimte verdeelt,
ziet alles er opgeruimd en ongebruikt uit.
Ryslavy heeft de ruimte verlaten om koffie te gaan zetten. Ik volg hem en vind
een heel gewone keuken, in plaats van een ruimte die eruitziet als een keuken.
Je voelt dat hier geen klanten ontvangen worden. Teruggekeerd naar de woonkamer
kijk ik uit over een grote tuin, die de laatste week van haar winterslaap lijkt
uit te zitten. Langzamerhand begin ik kleine gebeurtenissen te zien die mij
eerst ontgingen. Ik ontdek nauwelijks zichtbare, paarse krokussen tussen het
gras, de groene en witte tipjes aan het uiteinde van de bottende hortensia’s en
magnolia, de rode scheutjes van de rozelaars, de lichtroze bloesems van de nog
bladerloze prunus en de groene blaadjes van de sneeuwbes, waarin plotseling een
winterkoninkje ondersteboven aan een twijgje hangt te deinen, de Vlaamse
kolibri, de grijze bromvlieg, het bijna niet te ziene schaduwtje van een vogel.
Het beeld broeit. Honderden tintelende kleurige breekpuntjes tonen waar het
beeld op het punt staat uiteen te schuiven om te veranderen in een nieuw beeld.
(We hebben maar enkele beelden die we over een tuin kunnen projecteren. Winter,
lente of zomer. De duizenden tussenvormen verglijden zonder dat we ze opmerken.)
Ryslavy komt binnen met de kopjes koffie en vertelt dat hij ooit een video heeft
gemaakt die ‘Who’s afraid of gardening’ heette, waarin je hem met een zeis het
hoge gras van de tuin ziet maaien, zodat het groene kleurvlak langzaam verandert
in een geel schilderij.
Bij mijn binnenkomst in de woonkamer was het mij opgevallen dat er een nieuw
schilderij aan de muur hing. Het schilderij had mij meteen geërgerd door een
aantal turkooiskleurige vlekken die eruitzagen als al te sterk uitvergrote en
slecht nagemaakte verftoetsen. De vlekken zagen eruit alsof ze mij moesten doen
geloven dat ik naar een schilderij keek. Ze imiteerden een schilderij. Nu rook
ik opnieuw de geur van lijnolie en besefte ik dat het om een nieuw schilderij
ging. Ik scheerde met mijn neus over het oppervlak en ontdekte de datum: 4
februari 2004. Het schilderij was anderhalve maand oud. Het bevatte heel wat
tekst. Mijn vorige bezoek dateerde van ongeveer anderhalve maand geleden. Ik
dacht aan een bevriend schilder die mij verschillende keren op de proef had
gesteld door mij te ontvangen in een ruimte waar kleine elementen waren
verschoven. Als ik nu bij die man op bezoek was geweest, dan zou er iets in dit
schilderij over mij gesproken hebben.
Toch niet. Het schilderij bood het relaas van een reis naar Oostenrijk. Van uur
tot uur was aangegeven wat Ryslavy daar had ondernomen. Zo had hij op een
bepaalde dag om twee uur ’s middags naar de laatste film van Sofia Coppola
gekeken. Rode, grof geschilderde lijnen stelden de grenzen van Europese landen
voor. Maar voor ik dit doorhad hadden ze mij een heel sterk schilderij-gevoel
gegeven, omdat ze mij onbewust hadden doen denken aan de omtreklijnen die de
verschillende delen van een fresco afbakenen. Ik stond voor een schilderij
geworden landkaart. Of liever: de reproductie van een dagboeknotitie die de
structuur van een landkaart en van een fresco gebruikt om op een schilderij te
lijken.
Het gemaskerde huis
Toen Ryslavy startte met een wijnhandel om aan de kost te komen, ontdekte hij
dat hij zijn klanten moest ontvangen in een huis dat leek op het huis van een
wijnhandelaar. Hij liet een koperen plaat met verduidelijkend opschrift
aanbrengen op de houten voordeur en hij bouwde een vertrek om tot proefkamer.
Later richtte hij het belendende vertrek in tot woonkamer. In die kamer bevind
ik mij nu.
In een hoek van de kamer staat een levensgroot, fotografisch portret van de
kunstenaar met uitgeknipte contouren. Achter dit portret hangt een spandoek,
gevat in een metalen frame, met de woorden: ‘Sponsor Principal Hoofdsponsor’.
Het portret en het spandoek bevonden zich twee jaar geleden aan de ingang van
een grote tentoonstelling in het Brusselse. Toen had ik dit werk opgevat als een
grapje. Het deed mij onder andere denken aan Marcel Broodthaers die erin
toestemde te poseren voor een reclamefoto (voor een hemdenmerk), maar alleen als
hij mocht poseren als directeur van zijn museum. Ryslavy ziet er op deze foto
ook uit als een soort van directeur. Pas in deze omgeving krijgt het werk echter
zijn volle betekenis, namelijk wanneer klanten van zijn wijnzaak worden
ontvangen in de woonkamer en stuiten op deze reliek van zijn voorgewende
mecenaat. Toch klopt er iets niet. Want welke mecenas decoreert zijn woonkamer
met reclameborden, hoe veredeld ook?
‘Ik kwam op het idee wijn te gaan verkopen,’ vertelt Ryslavy, ‘nadat ik in de
Richard Foncke Gallery bij wijze van happening een blinde wijnproeverij had
georganiseerd. Het was een van de eerste keren dat ik geen schilderijen toonde.
Aan de muur had ik alleen een bordje gehangen met het opschrift ‘Verboden te
roken’. Een paar maanden later later brak de Golfoorlog uit, de kunstmarkt
stortte in en ik besloot voorlopig in mijn levensonderhoud te voorzien door wijn
te verkopen. Vijf jaar later begon ik uitvergrote reproducties van stukken uit
mijn boekhouding te schilderen. Nog later besefte ik dat mijn huis, althans de
vertrekken waarin ik mijn klanten ontving, langzamerhand kunstmatig waren
geworden. De vertrekken beantwoordden wel aan mijn opvattingen over schoonheid,
maar ze zagen er helemaal anders uit dan wanneer ik ze voor mijzelf zou
ingericht hebben.’
Ik vraag hem waarin dit verschil berust.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordt hij. ‘Op een bepaalde manier zijn deze kamers geen
kunst en geen verzameling, maar ze zijn ook niet persoonlijk. Ze zijn een soort
van tussenvorm. Ze zien er niet uit als de onbekommerde ruimte waarin ik als
kunstenaar zou leven, omdat ik ze gebruik als kamers die iets moeten
voorstellen, die iets moeten vertegenwoordigen. Hun esthetica doet denken aan de
woningen van verzamelaars die zichzelf een gestalte proberen te geven door hun
woning op een bepaalde manier in te richten. Deze kamers zijn een artefact, een
product. Daarom zou ik ze graag tentoonstellen. Het gaat om een heel specifieke
vorm van artistieke expressie die op het eerst gezicht niet zichtbaar is door de
schijnbare gezelligheid. Je ziet pas dat er iets abnormaals aan de hand is als
je een afstand creëert. Ik zou die dubbelzinnigheid graag tonen tijdens een
tentoonstelling, maar het is moeilijk een curator te vinden die mij wil volgen.
Curatoren vragen zich altijd af: is hij nu een schilder, een beeldhouwer, een
conceptueel kunstenaar, een verzamelaar of een wijnhandelaar? Ze zijn ook bang
voor een confrontatie met het echte leven.’
Ryslavy heeft al verschillende keren delen van zijn huis of aspecten van zijn
wijnhandel tentoongesteld. Voor een tentoonstelling in het Museum
Dhondt-Dhaenens werd een replica gemaakt van de monumentale voordeur met de
koperen plaat. De buitenkant van de deur werd beschilderd zoals het origineel,
maar de binnenkant, die oorspronkelijk beschilderd was met de nerven van
Mahoniehout, werd hier beschilderd met namaak eik. ‘De replica is al van eik
gemaakt,’ vertelt de kunstenaar, ‘maar ik vond het boeiend namaak eik op eik te
schilderen.’
In het Paleis voor Schone Kunsten, in 1997, maakt hij een tentoonstelling met
als titel ‘Verkaufswerk N° 18’, die bestaat in een wijnproeverij voor vakmensen
uit de wijnwereld, die plaatsvindt in een met wit zijdepapier beklede ruimte.
‘Ik hield niet van het marmer, het valse marmer en het geschilderde namaak
hout,’ vertelt hij, ‘maar we hadden ook witte muren nodig om de kleur van de
wijn te kunnen keuren.’ Na de afloop van de wijnproeverij wordt de
getransformeerde ruimte opengesteld voor het publiek, dat op een video
kennismaakt met het verloop van de wijnproeverij. In zijn totaliteit vormde deze
tentoonstelling het ‘Verkaufswerk’ nr. 18. (Daarover later meer.)
In het centrum van de woonkamer hangt een grote, groene fles met stukgeslagen
bodem. De fles doet dienst als lampenkap en herinnert aan de Oostenrijkse
wijnhuisjes waar dezelfde flessen, versierd met dennentakken, aangeven dat je
ter plekke wijn kan consumeren. ‘250 jaar geleden gaf Jozef II de wijnbouwers de
toestemming wijn per glas te verkopen,’ vertelt Ryslavy. Ik besef dat ik een
verhaaltje hoor dat bestemd is voor zijn klanten. In 1996 bouwde Ryslavy een
ruimtelijke installatie in de slaapkamer van de koning in het toenamige ICC. Hij
plaatste enkele lage tafels op de plaats van diens bed en daarop toonde hij met
glas bedekte krantenadvertenties voor zijn wijnzaak en badges van wijnbeurzen.
Als tegenhanger van een oude, kristallen luchter hing hij een zelfgemaakte
luchter op die bestond uit vijf lampen die schuilgingen in vijf groene
wijnflessen met uitgeslagen bodem.
De schijn
Voor een tentoonstelling in de Richard Foncke Gallery werd vier bekende
Belgische verzamelaars gevraagd of ze een voorwerp ter beschikking wilde stellen
dat tentoongesteld en opgefrist kon worden. De voorwerpen – een staande asbak,
een tafel, een stoel met voetbankje en een antieke muziekstaander – werden
tijdens de vernissage opgepoetst door de kunstenaar. Verder lag de vloer van de
galerie bezaaid met grote tekeningen, die uitvergrote kopieën zijn van aan de
telefoon neergeschreven, mondelinge bestellingen.
De voorwerpen krijgen een bijzondere uitstraling, omdat ze door de verzamelaars
ter beschikking gesteld werden om getoond te worden. Ze mogen niet te goedkoop,
maar ook niet te duur zijn, vermoed ik. Het is boeiend te raden naar de
mogelijke motieven van de verzamelaars om mee te werken aan dit project.
Deze tekeningen vormen een variant van Ryslavy’s schilderijen, waarin ook
bericht wordt over de economische en planmatige aspecten van zijn leven. Toch
worden deze tekeningen niet ingelijst, maar over de vloer gestrooid en beschermd
door plastic folie, zodat de toeschouwers ze kunnen lezen terwijl ze er langs
wandelen over vrijgehouden, kronkelende paadjes die naar de vier tentoongestelde
voorwerpen voeren.
‘Ik wil het gevoel oproepen dat er duizenden zijn,’ zegt hij, ‘eigenlijk gaat
het om een enorme stapel.’
Ineens zie ik deze tekeningen als een uiteen gegleden stapel, waarvan de huid
laag na laag wordt afgepeld zoals bij een ui. Waar is de binnenkant? De eiken
deur krijgt een namaak eiken huid. De asbak, de tafel, de muziekstaander en de
stoel met voetbankje worden schoongemaakt en opgepoetst. De leren stoelen in
Ryslavy’s woonkamer hebben een nieuwe bekleding gekregen.
In deze woonkamer bevindt zich een staande asbak die precies gelijkt op de asbak
die Herman Daled heeft uitgeleend voor de tentoonstelling bij Richard Foncke.
‘Als ik dezelfde tafel en dezelfde stoel met voetbankje vind koop ik ze
natuurlijk ook,’ vertelt hij.
De kunst is een zaak van de schijn. Nietzsche bewonderde de Grieken omdat ze die
schijn op zich namen. Ze lieten zich niet verleiden tot het koketteren met
zogenaamde diepte. Het Apollinische toont zichzelf als schijn. De Dionysische
kunstenaar schept een doorzichtige voorhang om naar de afgrond te kijken. Hij
kijkt in de nacht, maar houdt zich vast aan de voorhang. Hij is daar niet zonder
masker, want achter zijn masker zit geen gezicht.
Snuivend aan het grote, nieuwe schilderij, zag ik plotseling de humor van de
blauwe vlekken, die deden alsof ze organische, uit de verf en het schilderen
gegroeide delen van het schilderij waren. Ik herinnerde mij de danser Stefan
Dreher, die in de choreografie ‘De l’air et du vent’ van Pierre Droulers, midden
in een reusachtige zweefsprong, heel even twee millimeter achteruit leek te
zweven, alsof hij niet echt sprong, maar deed alsof. Ik herinner me ook een
prachtige documentaire over Thelonius Monk, waarin je zag hoe hij zelfs een
contrapunt wist te leggen in een handdruk.
Dezelfde indruk voel ik in deze woonkamer. Alles ziet er mogelijk uit, zij het
op een ongewone manier, en dan ineens weer onmogelijk, alsof de verschillende
delen van de ruimte verkeerd in elkaar geschoven zitten en onzichtbare naden als
landsgrenzen de verschillende fragmenten van het fresco aanduiden. De vermomming
is de kunst van het verschoven beeld.
De kunstenaar vertelt mij dat hij in ideale omstandigheden verschillende delen
van zijn huis zou willen tentoonstellen. Hij denkt aan de voordeur, de
proefkamer, de woonkamer en het kleine schildersatelier. Ik wandel opnieuw door
de woonkamer en bekijk alle voorwerpen afzonderlijk. Ik zie een stoel die
bekleed is met turkooiskleurig leer en waarvan de voorste poten, die uitmonden
in koperen wieltjes, in glazen kommetjes rusten. Ik zie een design lamp met een
zware voet en een in een ring rustende, verstelbare bol die deinend aan het
uiteinde van een vier meter lange metalen boog hangt. Verder bevat de kamer een
zelfgebouwd lampje met transformator, gebouwd door Ryslavy’s oom, een
bordeauxkleurige, muisvormige radio van Philippe Starck, een stenen schildpad
uit India, een met leer ingelegd klaptafeltje waarop zich een antiek
luciferdoosje bevindt met groen getipte lucifers (BYSTRZYCA), een bronzen
kaarsenhouder met twee openvallende bladen, als een bananenschil, een zilveren
kandelaar met verschuifbaar topje waarmee je de resten van de kaars uit de
houder kan drukken, twee rieten manden met aanmaakhout voor de open haard, twee
schemerlampen (de eerste met als basis een bol met vreemd, weelderig bladmotief
en de tweede met art deco-achtige stijlen), de transportkist met het werk van
Franz West, een tapijt uit Oezbekistan dat een maankalender voorstelt en
eigenlijk een wandtapijt is, twee Koerdische aaneen genaaide tapijtjes die
dienst hebben gedaan als dekkleedjes voor ezels, een doos met sigaren en een
doos met sigaretten, een wijnkurk met het opschrift Ruster (een in onbruik
geraakte, Oostenrijkse appellation), enzovoort. Het mooiste voorwerpje van de
hele kamer houdt zich onopvallend op in een hoek. Het is een aardewerken,
beschilderd bordje uit Madeira. Het bord is versierd met een mes en een vork,
enkele bonen, twee olijven, wat brood en een kip. Het is een wonderlijk beeld.
De kip is zo groot als een okkernoot. Vork en mes zijn ook veel te klein en
liggen slap in het bord, waarvan ze de golvende rand volgen. Alles in dit beeld
is lichtjes verschoven, bijna onherkenbaar, unheimlich en toch vertederend op
een kitscherige manier.
Het bordje spreekt met de op de grond liggende maankalender en de dekkleedjes
voor Koerdische ezels. De tapijten spreken met een grote multiple, een op een
raam gespannen tafelkleed van de Oostenrijkse tentoonstelling. De achtergrond is
blauw met zilveren sterren, op de voorgrond vind je twee uitvergrote rekeningen.
Bovenop dit werk werd een ingelijst portret van de kunstenaar gehangen, een
portret dat werd gemaakt door een vrouwelijke colporteur in een café.
Dit is wat er gebeurt in deze vreemde kamer: Elk voorwerp treedt op als beeld.
De fauteuils zijn niet alleen fauteuils, het zijn ook voorwerpen die een bepaald
beeld moeten oproepen bij de klanten. Tegelijk is het niet duidelijk wat dit
beeld zou moeten zijn, omdat alle voorwerpen elkaar tegenspreken. Samen
profiteren ze van de onnauwkeurigheid van onze blik, die over hun gezamenlijke
aanwezigheid graag het beeld van een herkenbare burgerwoning projecteert. Deze
kamer is een kopie van een rustgevend beeld, een enscenering van een vertrouwde
omgeving, een speels tarten van onze blik.
Over de werkelijkheid spannen wij een huid, die hier van verschillende huiden
aan elkaar genaaid is. De huid wordt zichtbaar door de naden, net zoals de
grenzen van de landkaart de allure van een fresco verlenen aan een beeld dat
poseert als schilderij. De voorwerpen zijn beeld geworden, en door dat beeld
lopen de barsten van ons kijken.
De komiek
Voor een tentoonstelling in de Wiener Secession in 1993 creëert Ryslavy een
‘Akustikbezogene Rauminstallation’. In de pas gerenoveerde, wereldberoemde
ruimte met zijn vermaarde slechte akoestiek wordt een hoge, valse muur gebouwd,
die de akoestiek van de ruimte aanmerkelijk verbeterd. Voor de vernissage wordt
de in Duitstalige landen populaire komiek Gerhard Polt uitgenodigd om de
tentoonstelling in te leiden. De reacties van zijn lachende toehoorders worden
gefilmd met vier camera’s en tijdens de tentoonstelling getoond op monitoren.
‘Je ziet op de beelden hoe blij de mensen zijn dat ze iets krijgen,’ vertelt
Ryslavy, ‘dat leek heel uitzonderlijk in zo’n museum’. De opzet is
karakteristiek voor deze kunstenaar. Door een populaire kunstvorm binnen de
muren van het museum te brengen (en tegelijk dit museum te verrijken met een
architecturale toevoeging en een betere akoestiek) probeert hij dit museum op
een andere manier te tonen. Het uitnodigen van de komiek is een prachtige
vondst. Niets benadert de onthutsende werking van sommige hedendaagse
kunstwerken zo goed als de fratsen van Laurel en Hardy, Charlie Chaplin en
Buster Keaton. De komiek toont ons het alledaagse en maakt ons aan het lachen
door een onmerkbare verschuiving. Hij schuift zelf uit. Hij wrikt een beetje aan
de vormen waarmee wij naar de wereld kijken en laat ons uitglijden in een
bevrijdende lach.
Verkaufswerke
In de woonkamer bevindt zich ook een grote transportkist die een kunstwerk van
Franz West bevat. Ryslavy vertelt: ‘Tijdens de jaren tachtig verkocht Franz West
zijn eigen werk voor spotprijzen in Wenen. Toen niemand nog werk van hem wilde
kopen, begon hij zijn werk te ruilen tegen het werk van andere kunstenaars, dat
hij dan voor spotprijzen van de hand deed. Mijn schilderijen gingen vlot van de
hand, zodat Franz en ik vaak werk geruild hebben. Ik heb zijn werken heel goed
bewaard, omdat ik ervan hield. Toen ik later een huis kocht en een werk van
Franz West wilde verkopen, kreeg ik veel tegenkanting van zijn galerieën, die
zoveel mogelijk willen beletten dat de markt hun ontglipt. Alle oude werken
moeten voorzien worden van een certificaat door het zogenaamde West-archief.
Maar dit archief weigert tal van werken uit de jaren tachtig te certificeren.
Tientallen Weense vrienden van West, die hem hebben geholpen op een ogenblik dat
hij het moeilijk had, bezitten tekeningen en sculpturen van hem die zogezegd
‘vals’ zijn.
Rond die tijd organiseerde Piet van Robaeys een tentoonstelling die ‘Austria
Libera’ heette. Toen hij de Oostenrijkse ambassade contacteerde om financiële
steun te vragen, wezen ze hem erop dat er een Oostenrijkse kunstenaar in België
woonde. Zo is hij bij mij terechtgekomen. Tijdens een bezoek aan mijn huis waren
hem de sculpturen van Franz West opgevallen. Hij vroeg of ik ze wilde laten
tentoonstellen. Ik stelde hem voor ze tentoon te stellen als ‘Verkaufswerke’,
namelijk als voorwerpen die door mij te koop gesteld werden. Mijn eerste
Verkaufswerken heb ik dus getoond in Opus Operandi, in 1992. Ik had ook een
video gemaakt, waarin ik het werk toelichtte, maar iedereen beschouwde het werk
als een grap. Bijna niemand begreep het werk, het was te immaterieel. Maar
Kaspar König hield er wel van en hij toonde het als onderdeel van de
tentoonstelling ‘Skulpturprojecte’ in Münster. Voor die tentoonstelling heb ik
de sculpturen getoond in hun open gemaakte transportkist. Deze toevoeging maakte
het werk ineens leesbaar. Ineens konden de bezoekershet te koop stellen van een
kunstwerk als artistieke daad appreciëren.
Ik ben geboeid door de manier waarop werken kunnen veranderen onder invloed de
receptie ervan, onder invloed van de reactie van de toeschouwers. Vroeger maakte
ik schilderijen waarin ik in het midden een plek onbeschilderd liet. Ik noemde
dat de projectieplek. De meeste toeschouwers raakten hierdoor in de war en
vroegen mij waarom ik het schilderij niet had afgewerkt. Omdat ze iets schenen
te missen, wikkelde ik kalkpapier over de lege plek en begon ik daar woorden op
te schrijven. De woorden waren afkomstig van de achterzijde van het doek, waar
ik doorgaans zaken op noteer tijdens het schilderen. Een van die woordenreeksen
was “Lobster Loch Mädchenkopf Projektionsfläche nur so als Anregung.” Toen
daarna bleek dat de werken te rommelig overkwamen, wikkelde ik de kalkbladen
rond plexiglazen platen die ik samen met het bijbehorende schilderij, in de vorm
van een diptiek, tentoonstelde in een plexiglazen box. Op een bepaald ogenblik
waren ze af. Je kon voelen dat ze hun bestemming gevonden hadden.’
West ist gleich Ost
‘Op dezelfde manier zijn de ‘Verkaufswerke’ geëvolueerd tot een nog niet
gerealiseerd tentoonstellingsproject dat ik ‘West ist gleich Ost’ heb genoemd.
Het uitgangspunt is de persoonlijke, subjectieve perceptie van een kunstwerk
door de kunstenaar en de eerste mensen die een werk zien. Dat is het moment
waarop een kunstwerk begint te bestaan en tot leven komt. Als een kunstenaar
jong of onbekend is, is het niet altijd duidelijk of zijn werk wel kunst is. Of
het uiteindelijk als kunst beschouwd wordt hangt af van een hele reeks externe
factoren. Dat maakt kunstwerken heel kwetsbaar. Ik vind het interessant te zien
hoe de perceptie van kunstwerken gemanipuleerd wordt, bijvoorbeeld onder invloed
van de kunstmarkt. Het brengt ons bij de vraag waarin de authenticiteit van een
kunstwerk bestaat.
Het is voor een kunstenaar soms pijnlijk te ervaren hoe een oeuvre dat in
principe ongewijzigd blijft plotseling tot kunst gebombardeerd kan worden, maar
op een later ogenblik deze status ook weer kan verliezen. Het lijkt dan ook
pervers dat iemand zoals Franz West, die het als jonge kunstenaar heel moeilijk
heeft gehad, zich op latere leeftijd zo kan plooien naar de wensen van de markt.
Ik geef dit voorbeeld omdat wij beiden op een bepaald ogenblik bijna de enigen
waren die in zijn werk geloofden en het ook werkelijk als kunst beschouwden. Er
waren nog een paar mensen die van zijn werk hielden, ik herinner mij
bijvoorbeeld een lijstenmaker en een boekhandelaar met wie Franz vaak
samenwerkte, maar de meeste mensen beschouwden zijn werk niet als kunst.
Het project ‘West ist gleich Ost’ bestaat erin een aantal voorwerpen tentoon te
stellen die vandaag niet officieel als kunst erkend worden, bijvoorbeeld enkele
oorspronkelijke kunstwerken van Franz West die door de auteur niet
gecertificeerd werden. Het gaat dus om voorwerpen die op een bepaald ogenblik
als kunst beschouwd worden en nadien niet meer. Daarom stel ik voor ze vanuit
een nieuw gezichtspunt te laten bekijken en in de vorm van een nieuwe
installatie door het publiek opnieuw te laten ervaren als kunst.
De kern van de tentoonstelling zou dus bestaan in een aantal afgewezen werken
van Franz West, waarvan ik er via advertenties in Weense kranten zoveel mogelijk
wil opkopen tegen echte Franz West prijzen. Daarnaast wil ik een verzameling
voorwerpen tonen waarvan sommige afkomstig zijn uit het dagelijkse leven,
bijvoorbeeld een niet gesigneerd urinoir, maar waarvan andere op een andere
manier een twijfelachtig statuut hebben gekregen. Zo zou ik graag een landschap
van Prins Charles tentoonstellen. Die man schildert landschappen, maar hij zegt
er zelf over dat het geen kunstwerken zijn. Wat zijn ze dan wel?
Ik zou deze tentoonstelling in Wenen willen organizeren omdat die situatie met
Franz West veel met de Weense mentaliteit te maken heeft. West rekende op de
onwetendheid van de mensen die kunst van hem kochten en nu rekent hij op hun
onwetendheid om het hun opnieuw te ontnemen. Tegelijk heb ik de indruk dat hij
wordt opgevreten door de machtige kunsthandelaars die hem zogezegd
vertegenwoordigen. Het is vreemd te zien hoe weinig weerstand het eigenlijke
kunstvoorwerp heeft tegenover deze manipulaties. Het lijkt uit de strijd te
komen als een naamloos en vormloos, niet te identificeren voorwerp.’
Lateral business
Dit project vertrekt van het idee dat er rond elk museum een kring van
verzamelaars en galerieën bestaat waarin iedereen probeert werk vast te krijgen
van de kunstenaars die in het museum tentoonstellen en als dat niet lukt werk
van andere kunstenaars dat lijkt op het tentoongestelde werk. Het verband met
beide vorige projecten schuilt in de invloed die de musea hebben op de receptie
en de productie van kunstwerken. (De titel verwijst naar de uitdrukking ‘lateral
damage’.)
Het is de bedoeling bij alle galerieën en verzamelaars in de buurt van één
museum werken te lenen om ze tentoon te stellen in het museum en tegelijk in de
galerieën en bij de verzamelaars werken tentoon te stellen uit de verzameling
van het museum. Ryslavy zou willen aantonen dat sommige werken van zogezegd
minder goede kunstenaars, die om de verkeerde redenen in de galerieën terecht
zijn gekomen (omdat ze een beetje leken op slechter werk dat als interessanter
werd beschouwd omdat het in een museum tentoongesteld werd), sterker kunnen zijn
dan de zogezegde officiële kunst. Door sterke en minder sterke werken uit hun
context te halen en op een ongebruikelijke manier tentoon te stellen zou hij
willen laten voelen hoe broos en beïnvloedbaar hun statuut is.
In zijn geheel zou zo’n tentoonstelling een afzonderlijke sectie kunnen vormen
van een tentoonstelling met voor de kunst verloren voorwerpen.
Recht gemütlich (Oprecht gezellig)
Voor een tentoonstelling in de Oostenrijkse Kunsthalle Krems (2001) maakte
Ryslavy gebruik van een soortgelijke dubbelzinnigheid om zoveel mogelijk mensen
naar dit reusachtige museum te lokken. ‘Na de Tweede Wereldoorlog woonden er in
Oostenrijk nagenoeg geen mensen meer met enig kunstzinnig gevoel,’ vertelt
Ryslavy, ‘ze waren allemaal vermoord of weggevlucht. Misschien lag dat aan het
feit dat het culturele leven in Oostenrijk geconcentreerd was in Wenen, waardoor
de kwetsbare mensen heel zichtbaar waren voor de nazis. Daardoor, en ook doordat
de museumdirecteuren en politici die na de oorlog de touwtjes in handen kregen
voor 50% ex-nazis waren, bleef het idee dat men over hedendaagse kunst had,
beperkt tot enkele cliché geworden iconen uit het begin van de twintigste eeuw.
De meest moderne kunst die de modale Oostenrijker zich kan voorstellen is een
bekend werk van Picasso, Kandinsky of Egon Schiele.
Veertig jaar na de oorlog is de staat beginnen te investeren in de vorming van
nieuwe kunstenaars, in de productie van kunst, eigenlijk, maar ze zijn vergeten
ook voor de receptie te zorgen. Een kunstzinnig publiek kan je laten groeien,
maar het kan ook verdwijnen. Volgens veel mensen is dat in Oostenrijk gebeurd.
Ineens moesten ze halsoverkop kunstencentra en musea uit de grond stampen om
plekken te hebben waar nieuwe kunst getoond kon worden, niet omdat er een
publiek bestond dat behoefte had aan deze tentoonstellingsruimten, maar juist
met de bedoeling zo’n publiek te creëren. De nieuwe ruimte moest het toverstokje
worden waarmee de staat de plaatselijke bevolking voortaan een belangstelling
voor hedendaagse kunst kon doen krijgen.
De Kunsthalle Krems werd gebouwd in een stadje dat een soort van provinciale
hoofdstad zou worden. Het museum stond er al toen die plannen gewijzigd werden.
Nu staat die reusachtige Kunsthalle in een onbetekenend stadje, zonder collectie
en zonder publiek. Toen ze Ryslavy vroegen of hij daar wilde tentoonstellen,
besloot hij een uitnodigingskaart te ontwerpen met een afbeelding van een werk
van Cézanne en een affiche met een afbeelding van een bekend werk van Schiele.
Het succes was enorm. Voor de eerste keer kwam de plaatselijke bevolking talrijk
opdagen.
In het museum stelde hij affiches van bekende kunstwerken tentoon die hij heeft
laten maroufleren op houten panelen. Elk werk wordt verlicht met een
afzonderlijk lampje, zoals gebruikelijk in sommige galerieën. Verder is de
tentoonstellingsruimte gevuld met honderdveertig tafels die elk bedekt zijn met
een kleurig tafelkleed. Elk tafelkleed bevat een achtergrond en de reproductie
van een ‘decoratieve factuur’. Tegelijk toont hij, met een opgespannen
tafelkleed als achtergrond, een post-impressionistisch landschap van een
85-jarig, plaatselijk zeer gewaardeerd schilder. Negentien andere schilderijen
van deze schilder worden opgehangen tussen de gemaroufleerde posters van
modernistische schilderijen. ‘Het geheel zag er heel harmonieus uit,’ lacht
Ryslavy, ‘de kitschschilderijen pasten perfect bij de reproducties van moderne
schilderijen.’
Graag zou ik hier besluiten met deze lach van Ryslavy. Zoals vaak in de kunst,
gaat de ernst van zijn werk naadloos over in de lach. Zoals ik ooit deed in een
tekst over Broodthaers, zou ik het willen vergelijken met de in elkaar
overlopende zijden van een ring van Möbius. Sommige projecten van Ryslavy doen
denken aan het werk van Broodthaers, ook al zijn er erg veel verschillen. Toen
Broodthaers een paar honderd afbeeldingen van arenden verzamelde, dan deed hij
dit naar eigen zeggen om hun beeld te laten loskomen van de ideologische inhoud,
het was zijn bedoeling de ideologische werking te tonen en zo mogelijk de
ideologie zelf. Hier hebben we te maken met een Oostenrijker, een man die is
opgegroeid in de schaduw van arenden, die een vergelijkbare onderneming opzet
met nieuw overtrokken, turkooiskleurige fauteuils, opgepoetste asbakken,
afgekeurde kunstwerken, post-impressionisistische schilderijtjes en
gemaroufleerde affiches met afbeeldingen van werken van Schiele, Cézanne en
Picasso.
Het mooiste project, in mijn ogen, is ‘lateral business’, waarin de pretenties
van bepaalde instellingen en de door hen verdedigde kunstwerken voor een
nauwelijks verschoven voetlicht geplaatst zouden worden. Het resultaat zou
succulent zijn. We zouden de werking van sokkels voelen, we zouden ons ergeren
aan de magere magie van glazen toonkasten en hinderlijke spots, we zouden ons
kunnen verlustigen in de onmerkbaar verglijdende waardeschalen die we hanteren
bij het bekijken van gequoteerde kunstvoorwerpen. Het zou een feest van de blik
worden.
Als u nu voelt wat ik bedoel, dan kan u proberen op dezelfde manier naar het
overige werk van Ryslavy kijken en genieten van de manier waarop humor en ernst
elkaar overlappen in een spel met de representatieve werking van voorwerpen en
beelden.
Montagne de Miel, 30 maart 2004
Deze tekst werd voor het eerst gepubliceerd in een catalogus die in 2004 werd
uitgegeven naar aanleiding van een tentoonstelling in de Richard Foncke Gallery,
Gent. |