Loek Grootjans

<< BACK TO ESSAYS

 

 

 

Hans Theys


Een stichtend boek over het werk van Loek Grootjans


Een van de wonderlijkste dingen op de wereld, vind ik, is dat de mogelijkheden tot het verzinnen van nieuwe beelden en nieuwe omgangsvormen met de werkelijkheid vrijwel onuitputtelijk zijn. Net zoals we bij de voortgaande ontsluiering van de dieren- en plantenwereld blijven stuiten op een bijna ondenkbare rijkdom, blijven kunstenaars en wetenschappers ons verbazen met hun nieuwe veroveringen. Elke keer als ik een domein ontdek waar ik nog niets van afweet, ben ik blij. Dit gebeurde onlangs bij het doorbladeren van een pas uitgegeven boek over het werk van de Nederlandse kunstenaar Loek Grootjans. Het boek is een gezamenlijke uitgave van het Museum van Bommel van Dam in Venlo en het S.M.A.K. Het werd vormgegeven door Ton Homburg en gezet door Avenir. Het kwam tot stand onder redactie van Loek Grootjans, Ulco Mes en Ton Homburg. Het bevat verschillende mooie teksten, waaronder een prachttekst van de schrijver en S.M.A.K.-curator Frank Maes.
Op het eerste gezicht gaat het om een zoveelste, op mat papier gedrukt, langzamerhand tot vervelens toe herhaald, modieus product van de Nederlandse vormgeversschool. Toch is dit maar schijn. De afwezigheid van heldere beelden, die je de indruk zouden kunnen geven dat je een oeuvre hebt overzien, vormt waarschijnlijk immers een essentieel bestanddeel van Grootjans’ werk (net zoals Ann Veronica Janssens probeert te voorkomen dat haar sculpturale voorstellen gereduceerd worden tot de afbeeldingen ervan).
Grootjans’ werk neemt de steeds wisselende vorm aan van installaties, performances (vaak met acteurs, figuranten of kunstenaars), muurschilderingen, tekeningen, teksten en publicaties. Deze werken worden voorgesteld als “Departementen” van een stichting. Zo bestond “The Recovering The Origine Department” in het verwijderen van een gedeelte (twee bij vijf meter) van de betonnen vloer van een Gentse tentoonstellingsruimte en een poging daar zonder zaaien, maar door irrigatie en belichting, planten aan het groeien te brengen en zo het oorspronkelijke landschap van Gent te reconstrueren. Het oerdepartement bestond in het beklimmen van een berg met mensen die genoeg onderlegd waren om op de bergtop “te spreken over gevoelens die de suikerberg oproept. Het spreekt vanzelf dat we zullen bespreken of deze gevoelens het verlangen benaderen, of ze overeenstemmen met het gevoel iets groots te hebben verwezenlijkt, en of ze zullen resulteren in een evenwichtige benadering van het leven met betrekking tot de kunst”. Het werk van Grootjans is boeiend en grappig. Het doet denken aan het werk van Marcel Broodthaers en Francis Al˙s, gekruist met werk van Laurence Weiner. Het verband met Broodthaers (bijvoorbeeld “Analyse d’une peinture”) berust niet alleen in de wisselende vorm, maar ook in de vormelijke benadering van theoretische vraagstellingen. De verwantschap met Francis Al˙s berust in de radicaliteit en de ongrijpbaarheid. Het verband met Weiner is louter formeel. De teksten van Grootjans zijn écht poėtisch en drukken werkelijke gedachten uit.
Het boek biedt een helder, leesbaar overzicht van al deze departementen (een vijftigtal) aan de hand van summiere, maar precieze beschrijvingen en enkele beelden. Het bevat ook boeiende teksten van Philippe Van Cauteren, Rick Vercauteren, Leo Delfgauw, Ulco Mes, Chris Dercon en Frank Maes.
Het lezen van de tekst van Frank Maes was een bijzonder avontuur. Wijzend op het belang van Spinoza, Perec en Pasolini voor Grootjans, toont hij aan hoe diens werk voortvloeit uit fundamentele ervaringen die op een consequente manier doorgedacht worden. Vertrekkend van een vergelijking tussen de radicale attitudes van Loek Grootjans en de architect Wim Cuyvers, die zich allebei opgesloten weten in een wereld die niet meer overzien kan worden, wijst Maes op het belang van “een denken van het landschap” of een architectuur die zichzelf denkt als een omgangsvorm met de werkelijkheid. Hij wijst op Grootjans’ zoektocht naar “De Ander” en zijn moedig geloof in de kracht van het beeld, dat we moeten denken als een bijna onzichtbaar landschap, gedroomd door een voormalig schilder van monochromen. In het algemeen beschouw ik de tekst als een prachtige poging het werk van Grootjans te verhelderen en te duiden zonder het onzichtbaar te maken of te herleiden tot irrelevante theorieėn.


Montagne de Miel, 17 mei 2008

TOP