|
|
LUC DELEU
TEKST VAN 6 AUGUSTUS 2002 BIJ DE KANDIDATUURSTELLING VOOR DE OPDRACHT OM EEN
GLOBAAL STEDENBOUWKUNDIG CONCEPT TE ONTWIKKELEN VOOR DE EUROPESE WIJK TE BRUSSEL
ORBANISME
Al in 1980 lanceerde ik in mijn werk, waarschijnlijk nog onder invloed van
Buckminster Fullers poëtische benaming 'ruimteschip aarde' en onder de indruk
van de allereerste foto's van de aardbol uit de geschiedenis, het begrip
orbanisme. De aarde is ons ruimteschip, onze moeder en de woning van ons
allemaal. Orbanisme stond toen al voor een op planetaire schaal geïntegreerde,
(steden)bouwkundige ontwerppraktijk en probeerde de aarde te beschouwen als de
ruimtelijke en maatschappelijke context voor steden en architectuur. Het
orbanisme beoogde daarom een evenwichtige organisatie van de aardruimte.
Orbanisme staat dus voor een metafysische en materiële ordening van de wereld
ten bate van het gemene best, het algemeen belang. Orbanisme beoogt een
dynamisch evenwicht tussen orde en chaos, tussen architectuur en leven, tussen
cultuur en neo-cultuur… Orbanisme is zo milieubewust als mogelijk. Omdat we de
bebouwing moeten organiseren in een steeds meer afnemende natuurlijke ruimte is
ecologie, een wereldwijd systeem overigens, een prioritair structurerend
principe bij de altijd verdergaande orbanisatie of het inpalmen van de natuur
door de mens.
Orbanisme houdt solidariteit en juiste verhouding in zich en is ecocentrisch,
evenwichtig en uniek.
Hoe meer de mondialisering geroemd wordt, hoe meer een algemene kijk op onze
planeet niet alleen evident maar ook onontbeerlijk wordt. We evolueren, althans
dat hopen we toch, naar een wereld met mondiale mensen en mondiale instituties,
onderworpen aan mondiale rechten en plichten en met mondiale
verantwoordelijkheden.
URBANISME
Sinds CIAM kan ernstig urbanisme niets anders meer zijn dan plannen maken met
het algemeen belang voor ogen. Sindsdien staat urbanisme voor de architectuur
van een huis van de samenleving. Stedenbouw wordt daardoor veel complexer en wil
nu de ruimtelijke organisatie van de hele stad en zelfs stedelijke netwerken op
zoveel mogelijk vlakken omvatten. Op het toppunt van haar kunnen creëert
(steden)bouwkunst een flexibel en duurzaam geheel voor alle geledingen van een
samenleving, over meerdere generaties en doorheen verschillende
samenlevingsmodellen. Op haar best realiseert (steden)bouwkunst een symbool van
vrijheid voor meerdere generaties en streeft ze dus een zekere tijdloosheid na.
Een conceptueel urbanisme — door zijn voorbeelden, ontwerpmethodes en
strategieën op formeel, ruimtelijk, structureel en programmatisch vlak — wil
voor een stimulerend kader zorgen. Ideeën als inspirerende kracht zijn goedkoop
en efficiënt.
ARCHITECTUUR
Zoals stedenbouwkunst zich afspeelt in een orbanistisch of aardbouwkundig kader,
zo speelt architectuur zich af in het stedenbouwkundig kader.
In het mondiale dorp van vandaag met zijn complexe maatschappij kan een
planetaire betrokkenheid, door de wereldwijde communicatie en informatie, niet
blijvend ontkend worden.
In de kunstgeschiedenis en de kunstkritiek zijn de (gebouwde)
architectuurvoorbeelden bijna zonder uitzondering propagandaobjecten waarmee de
bouwheer zich op een of andere manier graag bevestigt. De bouwheer tracht
zichzelf, iets of een idee te verkopen aan de maatschappij via architectuur. De
architect geeft het gebouw een metafysische meerwaarde, hij geeft het gebouw een
ziel en verheft een gebouw zo tot architectuur.
Toen de modernisten alledaagse programma's in de architectuur opnamen ontstond
er een tot op de dag van vandaag voortdurende, hardnekkige verwarring tussen de
begrippen architectuur en gebouw, tussen woning en architectuur… Deze twee
totaal verschillende begrippen worden ook nu nog, door conditionering en
misverstand, als één ding benoemd en beschouwd. Architectuur, niettemin, is een
spirituele en culturele werkelijkheid en geenszins een geldige pretext om te
bouwen.
EEN HEDENDAAGSE THEORIE VAN DE OPENBARE RUIMTE
Sinds het vallen van de Berlijnse muur weerspiegelen de mondialisering en de
deregulering zich zowat in alles en dus ook in het stedenbouwkundig denken en in
de stad. Openbare besturen moeten steeds meer macht delen met private
instellingen waardoor de openbare ruimte steeds meer geprivatiseerd wordt.
Worden zo, in onze als democratisch bestempelde westerse wereld, de krachten in
het stedenbouwkundig gebeuren nog democratisch beheerst en kunnen ze nog wel
beheerst worden? Wordt de openbare ruimte nog democratisch gevormd en gelooft
men nog dat ze democratisch tot stand kan komen? Alhoewel er vandaag nog een
beperkte architectuurvisie heerst, die dit maatschappelijk en politiek debat
afwijst, zou een eenentwintigste-eeuws concept voor de onder druk staande
gemeenschapsruimte onder meer een nieuw ethisch paradigma kunnen aanbieden aan
private instellingen die steeds sterker ingrijpen in de publieke ruimte en
daardoor, misschien ongewild, een publieke verantwoordelijkheid (zullen)
krijgen.
De democratie moet bij de vormgeving en de inrichting van de openbare ruimte
haar gezag bij voorkeur blijvend laten gelden. De vormgeving en de bescherming
van de openbare ruimte, het forum, zouden in het belang van mens, kiezer en
veiligheid onvoorwaardelijk een openbaar bestuur toe moeten behoren en beschouwd
moeten worden als een dringende prioriteit voor de stedenbouwkunst.
Nu de wereld zo hard in beweging is dringt zich ook een nieuwe en ruimere
definitie van onze universele ruimte op. De gemeenschappelijke ruimte in het
algemeen (ons milieu) vraagt een veel fijnere differentiëring en krijgt
tegelijkertijd een planetair blikveld. Er zijn, om enkele schalen te noemen,
mondiale gemeenschappelijke ruimtes (bijvoorbeeld oceanen) er zijn nationale en
regionale gemeenschappelijke ruimtes (bijvoorbeeld landschappen) en stedelijke
gemeenschapsruimtes, er zijn pleinen straten en stegen. Onze gemeenschappelijke
ruimtes kunnen verboden, ontoegankelijke, beperkt of geheel toegankelijke
gebieden zijn. Ze kunnen gemakkelijk of moeilijk bereikbaar zijn, ze kunnen soms
verdoken zijn en gevaarlijk of veilig, aantrekkelijk of afstotelijk enzovoort
enzovoort, maar allemaal verdienen ze elk op hun manier de specifieke aandacht
van de politiek bevoegde instanties. Het is duidelijk dat een diepgaand
onderzoek, de benoeming en de catalogisering van ruimtetypes (op planetaire)
schaal, de ruimtelijke ordening op een hogere schaal zal tillen.
De stedelijke schaal bestrijkt een gans scala van publieke en private ruimtes.
De stedelijke gemeenschapsruimte begint al bij het omringende landschap (meestal
een neo-landschap) waarvan, in zekere gevallen, een klein of groot stuk
integraal deel uitmaakt van de stad (uitzicht op zee, op een stroom, een
panorama of horizon, bijvoorbeeld).
De negatieve stad, het stadslandschap, de vorm en de ruimtelijkheid van de stad
of de stedelijke leegte is evident universeel. Hierin is de openbare ruimte, het
forum, nog een zeer specifiek deel dat op zijn beurt nog eens verschillende
ruimtes bevat die elk afzonderlijk ook nog eens buiten, overdekt of binnen zijn.
Verder bestaat de stad uit een amalgaam van gemeenschappelijke ruimtes zoals
vrije ruimtes of residuruimtes, infrastructuurruimtes, ruimtes voor autoverkeer,
voor fietsers en voetgangers — samen of gescheiden — en ook nog pseudo-openbare
ruimtes en semi-openbare en semi-privé ruimtes. Al deze typische ruimtes, hun
onderlinge samenhang en hun relatie tot de private wereld zijn in mijn ogen een
interessant programma voor stedenbouwkunst.
DEFRAGMENTATIE
De autonomie van het beeld is een interessant kenmerk van de grote schaal. In de
natuur is de kleine schaal chaotisch, maar op een grotere schaal creëert de
natuur altijd een beeld. Van dichtbij gezien is het strand een labiel rommeltje
van zand, schelpen, keien, rotsen en planten, gezien vanuit de zee biedt het
strand echter een prachtig stabiel en autonoom beeld. Op dezelfde manier is de
grote schaal van de dynamische stad, ondanks al haar wisselende facetten en haar
tijdelijk, veranderlijk en instabiel programma, een beeld dat een
stedenbouwkunstig plan verdient.
Samenlevingen van vrije mensen spelen zich onontkoombaar af in een ruimtelijke
chaos en eisen in ruime mate verdraagzaamheid. Maar grote concepten, structuren
en ingrepen spreken ons gevoel voor orde en verhoudingen aan en beroeren ons
emotioneel en intellectueel. Als zij ons bevredigen vormen zij het nodige
tegenwicht: 'orde op grote schaal, chaos in het kleine'!
Als geen andere vereist de stedenbouwkunstige discipline een soepele en snelle
wisseling tussen schaalniveaus, tussen groot en klein. Complex en eenvoudig
lopen in een stedenbouwkunstig ontwerpproces continu door elkaar. Analyse en
synthese wisselen elkaar af.
Naast fragmentatie moet ook defragmentatie deel uitmaken van stedenbouwkunstige
strategieën en middelen. Alle door mensen gemaakte structuren fragmenteren
terwijl ze tegelijkertijd integreren. De wereld globaliseert, regionaliseert en
atomiseert simultaan. Een evenwichtige stedelijke ruimte toont fragmentatie en
defragmentatie. Steden zouden dus best ook eens regelmatig gedefragmenteerd
kunnen worden.
Van groot naar klein of 'top-down' ontwerpen is voor de hand liggend en
betrekkelijk makkelijk. Van het kleine naar het grote of van onderuit naar boven
werken is daarentegen veel minder evident, heel complex, moeilijk en verwarrend.
Kijk maar naar de EU! Toch hebben beide methodes hun belang en hun voor- en
nadelen bij een stadsontwerp. De eerste methode structureert en de tweede
destructureert. De eerste creëert eenheid en rust, de tweede verscheidenheid en
drukte. De ene is eerder elitair, de andere populair.
Het grote uit het kleine ontwikkelen garandeert een gedifferentieerd resultaat
omdat rekening gehouden wordt met bijzonderheden, uitzonderingen en
individualiteit, het is een belangrijke garantie voor de vrijwaring van
individuele vrijheid. |