|
Luc Deleu
ORBANISTISCH MANIFEST
Zolang we niet massaal weg kunnen gaan wonen van de wereldbol, of kunnen
importeren vanuit de ruimte, is de aarde een planeet die buiten de (benodigde)
zonneënergie en misschien andere (niet onderkende, doch benodigde) ruimte
energie, volledig op zichzelf aangewezen is.
Eén derde van de wereldbevolking is ondervoed. Dit impliceert dat het
landbouwareaal nu al één derde te klein is om aan de reële behoeften te kunnen
voldoen. Alhoewel we (naast intensifiëring van de productie per m2) met de
grootste inspanning kunnen trachten het areaal uit te breiden in woestijnen en
steppen en op de woeste gronden, zal toch zoveel mogelijk “vrije ruimte” in de
agglomeraties moeten worden ingeschakeld in de voedselproductie. Te meer daar
oerwouden, wouden, bossen en andere natuurlijk begroeide gronden best zouden
gespaard worden en liever nog uitgebreid (reserveterreinen).
Wanneer deze prioriteiten aanvaard worden kan de oppervlakte van stedelijke
agglomeraties theoretisch bijna niet meer uitgebreid worden, waardoor de
bewoning van de aarde in het gedrang zou kunnen komen. Zo we ieder een maximaal
wooncomfort willen garanderen zal het wonen veel efficiënter (dan tot hiertoe is
geweest) moeten georganiseerd worden. De stedelijke ruimtes zullen polyvalenter
moeten gebruikt worden. In deze kritieke fase zou iedereen best zijn eigen
woonsituatie individueel trachten te organiseren, naar eigen smaak, middelen,
mogelijkheden en begrenzingen. – Dit naar analogie met de totaal
gedecentraliseerde organisatie van de plantaardige bevolking (phytocenose), waar
ieder specimen binnen de begrenzingen en de mogelijkheden van de standplaats,
alle verantwoordelijkheid draagt. – Daartegenover zouden de macrowerken van
rechtspersonen (gestructureerde groeperingen van individuen, zoals consortia,
N.V.’s, P.V.B.A.’s, V.Z.W.’s, partijen, verenigingen, actiegroepen, etc…) aan
uiterst strenge normen moeten worden onderworpen, teneinde de macro invloeden en
het macro grondverbruik van dergelijke ondernemingen in de ekotoop (milieu
elementen en biocenose ) in evenwicht te brengen met de micro invloeden en het
microgrondverbruik van het individu – zie analogie in de natuur, waar het
biologisch evenwicht gemakkelijk gehandhaafd blijft bij een groot aantal soorten
: de invloeden op één soort worden daardoor veelzijdiger, en waar omgekeerd het
evenwicht in soortarme cultuursamenlevingen gemakkelijk verbroken wordt,
waardoor een zeer sterke aantalvergroting van een bepaalde soort kan optreden
(plaag).
Het lastige en overbodige moet zo veel mogelijk overboord gegooid worden (in de
ruimte geschoten per raket). De rest moet zo overzichtelijk en compact mogelijk
worden opgestapeld (zonder dat deze stapelplaatsen een ééndimensionaal gebruik
krijgen) Daar alle levensgemeenschappen (antropocenose , zoöcenose ,
phytocenose, microcenose en mycocenose ) nauw met elkaar verbonden zijn, zal men
tevens nauwlettend moeten toezien geen ervan te verstikken. Hierdoor zullen we
verplicht zijn de pollutie zo klein mogelijk te maken en alles zo veel mogelijk
te recycleren. Vooral het natuurlijk afval moet uiterst efficiënt gerecycleerd
en terug over het landbouwareaal verspreid worden. Op deze manier laten we zo
weinig mogelijk biogene elementen (nodig voor de phytocenose) verloren gaan.
De oceanen en zeeën (wiens biocenosen in een kritische situatie verkeren) vormen
gelukkig nog een ruimtelijke reserve, tweemaal zo groot als de ruimte op de
vaste grond van de aarde. Zo zou de ganse wereldbevolking op 1.000.000
passagiersschepen (40.000 ton) kunnen gelogeerd worden. Op 2.000.000 schepen zou
ze zelfs al vrij comfortabel kunnen wonen. De ganse Belgische bevolking zou
perfect op 5.000 passagiersschepen (40.000 ton) mobiel kunnen wonen.
Ik durf te hopen dat voorgaand wereldbeeld van de “momentele tijden” gans
duidelijk maakt dat de stedebouw en architectuur vanuit een nieuw orbanistisch
gezichtspunt dienen benaderd te worden. De stedebouw en architectuur hanteren
tijdens de “momentele tijden” orbanistische prioriteiten. De esthetische
prioriteiten en stijlfiguren van de “niet-momentele tijden” gelden niet langer
in een situatie van do it yourself bouwkunst en self made steden, waar elk
individu de bebouwde omgeving bepaalt.
De functie van de stedebouwkundige architect (orbanist) is in de “momentele
tijden” zelfs van een gans andere orde geworden. Zoals de (picturale) functie
van het schilderij (in de westerse schilderkunst) na uitvinding van de
fotografie totaal veranderde, zo ook is de inhoudelijk betekenis van stedebouw
en architectuur (orbanisme) gewijzigd. De “informatie” (vermindering van
onzekerheid) is nu een belangrijk werkterrein van de “momentele” orbanist; hij
is een medium, een trendsetter en/of stadsnar, enz… Hij ontwerpt, publiceert,
treedt op, exposeert, realiseert of speelt, enz…
De “vrije ruimte” is nu zijn ideaal. In plaats van infrastructuren, die de
aard-ruimte specifiëren en ééndimensionaler maken, gebruikt de orbanist nu
ultrastructuren, die de aard-ruimte verruimen, zonder de diverse mogelijkheden
te verminderen.
De orbanist is nu vooral een theoreticus, die in zeldzame gevallen zijn
visionaire inrichtingsmodellen van ruimtes op de planeet aarde realiseert.
Alhoewel dynamisch en evoluerend, is de planeet aarde, waar het orbanisme
zichzelf realiseert, beïnvloed door acties van alle individuen, in de “momentele
tijden” steeds af.
Luc Deleu |