|
VAN A TOT Z
DRIE KUNSTENAARS IN GESPREK MET HANS THEYS
LUC DELEU
Eigenlijk was dat een degoutant, reactionair clubke, VAGA. ‘De aanval op het
museum is gelukt,’ zeiden ze. Ze hadden hun eigen tentoonstelling in het museum
en ze waren content. Eigenlijk waren dat gewoon een paar mensen die hun pensioen
wilden veilig stellen. Het Nicc is ook al zo reactionair. Dat zijn ook
kunstenaars die hun pensioen willen veilig stellen. Ik versta dat niet,
artiesten die een statuut willen. Ik ben naar een van die openingsvergaderingen
van het Nicc gegaan, Guillaume was voorzitter, en na een tijdje ben ik
rechtgestaan en heb ik gevraagd:
‘Mag het ook nog zonder statuut?’
Maar dan antwoordden ze: ‘Gij hebt gemakkelijk praten, gij zijt architect!’
(Schaterlach.)
Ercola, dat was een groep mensen die hier een beetje verder in de buurt woonden
en die als doel hadden stripverhalen te tekenen. Of dat een kunstenaarsbeweging
was, weet ik niet. Dat was toen een commune. Dat is nu nog altijd een commune.
Ze maken nu decors voor VTM, onder andere. Ze gaven ook een tijdschrift uit dat
‘Spruit’ heette. Ik wil daar geen kwaliteitsoordeel over uitspreken, maar het
was eerder in de marge van de kunst.
Ercola is een paar keer uitgenodigd om deel te nemen aan tentoonstellingen,
onder andere in Brugge. Ik heb toen deelgenomen aan die tentoonstellingen, bij
voorbeeld met een boek van een meter bij een meter. Ik heb ook nogal veel met
George Smits gezeefdrukt, ik vond dat toen een plezante manier om de eerste
noden te lenigen,
Er zal wel nog van alles mee gebeurd zijn, hier in Antwerpen, maar dat waren
zo’n dorpstoestanden, hier op het Dageraadplein, bijvoorbeeld, hebben we dan
feesten georganiseerd en ik heb hier dan vlaggen in de straat laten zetten.
Wie was daar allemaal bij? De man met wie ik het meest contact had, was George
Smits, de harmonicaman bij Ferre Grignard. Die heeft techno-muziek avant la
lettre gemaakt. Ik kende Georges nogal goed omdat hij een vriend was van Filip
Francis.
- Filip Francis en jij woonden in hetzelfde huis, waar je nu nog woont en
waar vroeger de galerie Vacuum was?
Ja, ik had al naast Filip Francis gezeten in de kleuterschool. Galerie ‘Vacuum’
heeft twee jaar bestaan. Dat was eigenlijk van Filip, maar omdat wij
samenwoonden was iedereen erbij betrokken. Wie heeft hij allemaal getoond? Wout
Vercammen, Hugo Duchateau, Georges Smits, Ludo Mich was er misschien ook bij…
Albert Szukalski, zegt Laurette mij hier. Ronny van de Velde heeft daar ook nog
tentoongesteld: gazonnetjes met plastieken bloemen. Ik heb nog een werk van hem:
plastieken tomaten in een weckbokaal. Mijn eerste tentoonstelling was ook in
galerie Vacuum.
- Wat heb je dan getoond?
Schoolwerk. Twee of drie maquettes, een paar tekeningen en een collage. De titel
van de tentoonstelling was: ‘Luc Deleu neemt afscheid van de architectuur’. Dat
is mij achteraf zuur opgebroken. Er zijn nu nog mensen die niet weten dat ik
eigenlijk al vijfendertig jaar bezig ben met architectuur. Ik had die
tentoonstelling beter genoemd: ‘Luc Deleu Superarchitect & Multimiljonnair’.
WOUT VERCAMMEN
Gaat ge weer graven in die nostalgische brei van vijfendertig jaar geleden? Ik
zal u opbellen als ik nog iets te vertellen heb.
RONNY VAN DE VELDE
- Herinnert ge u die keer dat Hubert Peeters in 1992 bij Christie’s
verschillende werken van Broodthaers tegelijk op de mark gooide en alle
Belgische galerieën samen een sterke arm gemaakt hebben om te voorkomen dat de
prijzen zouden ineenstuiken?
Ja, natuurlijk. Er was zo’n mosselpotke bij. En dat Belgisch been. Perlstein
heeft dat been nog gekocht voor 2,5 of 3 miljoen. Michael Werner was daar ook.
En Maria hing aan de telefoon. Ester Lauder heeft er ook nog gekocht. En wie
nog? Micheline Szwajcer en Boymans-van Beuningen.
- En hoeveel heeft die veiling dan opgebracht? Ik herinner mij dat Brachot
tevreden was. ‘De ramp is afgewend,’ zei hij.
Dat weet ik niet meer. Tussen de 90 en de 120 miljoen, schat ik. We hebben dat
daarna op café nog uitgerekend. Ik geloof dat elk kind zo’n twintig miljoen had.
Hoeveel kinderen heeft die? En stuk of vijf, denk ik. Dat zal dus wel zo’n
honderd miljoen geweest zijn. Maar honderd miljoen, dat is niks. Toen ik zestien
of zeventien was heb ik eens een tentoonstelling in het Middelheim gezien met
werken uit de collectie van Peeters. Ik zal het nooit vergeten. Die witte kast
met eierschelpen was er, een hoop slappe sigarettenstompels van Oldenburg, een
softe lavabo, een carcrash van Warhol, een Wesselman…
Hij was er fier op dat hij alles rechtstreeks bij Sonnabend kocht. Hij had ook
een zelfmoordenaar van Warhol. Die gaan nu zo’n 4 ŕ 5 miljoen dollar per stuk.
Zo’n 200 miljoen Belgische frank.
Ik herinner mij zo’n chique diner van een paar honderd lappen bij Van den
Bussche in Oostende. Iedereen was daar.
‘Als ge mij nu allemaal elk jaar 100.000 frank zoudt geven,’ zei Van den
Bussche, ‘dan zou ik elk jaar een deftig kunstwerk kunnen kopen.’
Ik zat naast hem.
‘Zoudt gij dat willen doen?’ vroeg hij.
‘Natuurlijk,’ zei ik.
‘Ronny geeft 100.000. Wie nog?! vroeg hij.
Maar iedereen zweeg. Deweer was daar ook. En toen stond Hubert Peeters ineens
recht. Hij zei dat hij buikpijn had en een beetje moe was. En langzaamaan is
iedereen vertrokken zonder een frank te lossen.
Voor het eerst gepubliceerd in het boek
Mouvements, Nicc, Museum voor Schone Kunsten, 2000. |