|
<<
BACK TO PRESS REVIEWS <<
BACK TO FLOWER POWER |
|
|
Marc Holthof
Laat duizend bloemen bloeien. Kritieken van Hans Theys
Er was ooit een tijd dat onze grote kunstenaars, de Flandriens van de kunst, niet konden praten, tenzij een soort koeterwaals. Om zich verstaanbaar te maken, hadden zij een spreekbuis, een criticus die voor hen praatte en schreef. Hans Theys is zo iemand. Hij werkte jaren voor Panamarenko, inderdaad niet de meest taalvaardige artiest. Dat resulteerde in de grote oeuvrecatalogus van de Antwerpse kunstenaar. Niet lang daarna kwam het tot een breuk tussen de kunstenaar en zijn spreekbuis wegens onenigheid over copyrights. Zo gaat dat in het kunstwereldje.
Auteur en vormgever Hans Theys was niet alleen de megafoon van Panamarenko. Hij publiceerde ook boeken over architect Luc Deleu en kunstenaars Michel François en Ann Veronica Janssens, en nog veel meer. Zijn website puilt uit van teksten over Vlaamse hedendaagse kunstenaars. En nu ligt een 464 bladzijden dik fraai boek voor met teksten en interviews over een veelvoud aan kunstenaars die her en der verschenen. Het heet Flower Power. Kunst in België na 2015.
Om maar meteen de bizarre ondertitel van het boek te verklaren: Hans Theys meent dat kunstenaars altijd ver vooruit zijn op hun tijdgenoten, vandaar de kunst uit 2015, ook al gaat het in werkelijkheid natuurlijk om kunst van de laatste jaren. Er zitten wel meer van dit soort grapjes in dit boek. Helemaal studentikoos wordt het op de voorpagina waar bij de verkeerde vermelding van 2006 als jaar van uitgave met de hand bijgeschreven staat “dit is een grap”. En zo vindt de lezer nog wel meer onhebbelijkheden, niet erg ter zake doende anekdotes en maniërismen in dit boek. Zoals het mysterieuze plaatsaanduiding “Montage de Miel” waarmee bijna elk stuk eindigt, en die niet meer is dan een fraaie naam voor de residentie van de auteur ergens in de Brusselse rand.
Hans Theys wordt wel eens verweten het in zijn teksten meer over zichzelf te hebben dan over de behandelde kunstenaar. Het tegendeel is echter waar: Theys verschuilt zich achter de mening van de kunstenaar. Als je een tekst van hem leest over Luc Deleu, dan hoor je de mening Deleu, als je hem over Vaast Colson leest, hoor je Colson. En zo is het in vele van deze teksten: Theys is de kameleon onder de Vlaamse kunstcritici. Dat heeft alles te maken met zijn eigenzinnige opvatting over wat kunstkritiek is. Je zou kunnen stellen dat Theys de kant van Sainte-Beuve kiest tégen Marcel Proust. Proust reageerde in zijn Contre Sainte-Beuve tegen de nietszeggende biografische details waarmee het werk van een kunstenaar benaderd werd. Voor Proust stond het tijdloze artistieke oeuvre los van iedere biografische toevalligheid. Bij Theys daarentegen gaat het meer om de kunstenaar dan om het kunstwerk. Hij meent zelfs dat de essentie van een oeuvre in biografische gegevens, een biografische predestinatie, ja zelfs in trauma’s uit de jeugd van de kunstenaar ligt.
Steeds weer gaat Theys in dit boek in dialoog met de kunstenaar en tracht hij tot de essentie van diens kunstenaarschap door te dringen. Dat levert vaak erg mooie resultaten op: wij kijken mee door de bril van de kunstenaars (die Theys als weinig anderen kent en frequenteert) naar hun eigen werk. Je komt in dit boek meer te weten dan waar ook over figuren als Luc Tuymans, Walter Swennen, Joëlle Tuerlinckx, Jan Kempenaers en vele anderen, bekende en minder bekende namen. Telkens weer gaat Theys op zoek naar de essentie van hun kunstenaarschap, over wat hij hun “kijkbeeld” noemt. Voor schilder Robert Devriendt bijvoorbeeld is dat schilderen in laagjes, wat volgens Theys teruggaat op een jeugdanekdote of trauma: hij zag als kind ooit een koe geslacht worden en hoe het dier als het ware laagje na laagje afgepeld werd. Het is dit soort essentiële kijkervaringen waarnaar Theys op zoek gaat.
Uiteraard vereist deze methode dat Theys het absolute vertrouwen wint van de kunstenaar waarover hij schrijft. Met veel zin voor ironie omschrijft hij zichzelf (met dank aan Camille Paglia) als “een geslachtsloze pluimstrijker zonder eigen persoonlijkheid of moreel standpunt [...] een kussen dat altijd de afdruk draagt van wie op hem gezeten heeft”. Het resultaat is echter vaak verhelderend (ook al is de betrokken kunstenaar er niet altijd mee akkoord). Bovendien lijkt Theys’ opvatting soms wat op een postmoderne versie van het aloude romantische cliché dat kunst lijden is en je absoluut een jeugdtrauma nodig hebt om kunstenaar te kunnen zijn.
Deze methode heeft ook zijn limieten. Een kritische houding wordt onmogelijk omdat er geen standpunt buiten het werk is: Theys toetst het werk niet aan een externe opvatting, ervaring, praktijk of theorie, nee: hij tracht de interne intuïties van het werk te vatten. Hij zit meestal dermate dicht op het werk en de kunstenaar dat kritiek onmogelijk wordt (tenzij in de selectie van de kunstenaars waarover hij schrijft, maar zelfs die is merkwaardig breed). Je kunt je nauwelijks voorstellen dat er in dit boek iets slechts gezegd wordt over een kunstenaar. Dit is dan ook geen kritisch boek over hedendaagse kunst, maar een boek vol enthousiasme over heel verschillende kunstenaars en hoe en waarom ze kunst maken. Vandaar de titel Flower Power die je zou kunnen vertalen met de slogan “laat duizend bloemen bloeien”. Want is niet elke bloem perfect op zich?
Hans Theys, Flower Power, Kunst in België na 2015, Tornado Editions, 2008, 464 p. |