|
Marc RUYTERS
Met een bezadigde bezetenheid
‘Flower Power. Kunst in België na 2015’ van Hans Theys
Met ‘Flower Power. Kunst in België na 2015’ publiceert vormgever, filosoof,
publicist, kunstcriticus, tentoonstellingsmaker (en nog wat) Hans Theys een
kanjer van een boek. Niet alleen in omvang (464 pagina’s), maar ook in aanpak:
Theys staat bekend als een heel eigenzinnige schrijver en interviewer, die niet
voor de hand liggende gesprekken aangaat met kunstenaars en ze op een nog minder
voor de hand liggende wijze weergeeft.
Hans Theys is sinds enige tijd ook gewaardeerd <H>ART-medewerker en wie zijn
teksten leest herkent meteen één van die typische eigenzinnigheden: Theys
schrijft voluit in de ik-vorm. Dat creëert voor- en tegenstanders: sommigen
vinden dat hij zichzelf belangrijker vindt dan de kunstenaar, anderen waarderen
net de eerlijkheid en de persoonlijkheid die daarmee gecreëerd worden. Zelf
geeft hij twee redenen op voor die aanpak: “De eerste reden is dat ik niet
geloof in de mogelijkheid van een objectieve benadering van de werkelijkheid.
Daarom acht ik het noodzakelijk om elke subjectieve instelling zoveel mogelijk
expliciet te maken.” En: “De tweede reden waarom ik vaak over mijzelf spreek,
heb ik pas onlangs ontdekt. Alle dingen die in mijn teksten beschreven worden,
heb ik zelf meegemaakt, ervaren, bedacht, geverifieerd en besproken met de
kunstenaars.”
Dat levert soms bizarre interviews op met kunstenaars: vaak zijn de vragen die
Theys stelt ellenlang en antwoordt de kunstenaar vier, vijf keer na elkaar enkel
met ‘Ja’. Maar Theys heeft goed nagedacht over de dingen: “Ik ging ervan uit dat
kunstenaars niet op hun tijd vooruit zijn, zoals het courante taalgebruik
vooropstelt, maar dat hun tijdgenoten nog in het verleden leven en naar het
heden kijken met een verouderde bril. Volgens die opvatting zouden kunstenaars
en wetenschappers meer voeling hebben met de mogelijkheden van het heden. Daarom
dacht ik dat wie iets over hedendaagse kunst wilde schrijven, nauw moest
samenwerken met de kunstenaars in kwestie om meer voeling te krijgen met de
mogelijkheden van vandaag. Ik dacht ook dat kunstcritici tot taak hadden
kunstwerken die nog schuilgaan in de rook van het heden zichtbaarder te maken.”
Dat ‘nauw samenwerken’ nam en neemt Theys vaak letterlijk. Jarenlang is hij heel
close geweest met bijvoorbeeld Panamarenko, wat het referentieboek ‘Panamarenko’
opleverde. De samenwerking is stukgelopen op een kwestie van auteursrechten,
maar dat belet niet dat het boek tientallen pagina’s over en met Panamarenko
bevat, met veel liefde en kennis van zaken geschreven en zonder enig spoor van
rancune. Lees het hilarische korte interview met Pana over ‘Pop kan de pot op!’,
vanaf pagina 277! (Er staat ook een foto in het boek waarop Hans Theys ‘Heart of
Darkness’ leest op de bodem van de Indische Oceaan in Panamarenko’s duikerspak
‘The Portuguese Man of War’, 1990.)
De eruditie van Theys is overweldigend, en daar zal zijn opleiding als filosoof
veel mee te maken hebben. De teksten die hij publiceert over Marcel Duchamp, Pop
Art, Marcel Broodthaers en anderen getuigen van een originele, maar krachtige
benadering van de kunstgeschiedenis. Maar hij slaat de lezer niet dood met zijn
kennis en gebruikt ze zelfs met een grote vorm van originaliteit: je moet Hans
Theys heten om Marcel Duchamp en Stijn Streuvels naast elkaar te plaatsen, als
het gaat over het verschil tussen dagdagelijkse sleur en creatie. Of, over Ann
Veronica Janssens: “Geen plastisch kunstwerk heeft mijn manier van kijken zo
beïnvloed als het werk van Ann Veronica Janssens. Zonder haar werk en het werk
van Proust (het door een zonsondergang rood opgloeiende gelaat van een melk
verkopend boerenmeisje en de fonkelende zeegezichtjes op de boekenkast met
glazen deurtjes in zijn hotelkamer in Balbec, waarbij elk deurtje een apart
zeegezicht vormde en een zeilbootje soms van het ene zeegezicht naar het andere
voer) had ik nooit gezien wat ik vandaag zie.” Dergelijke zinnen herlees je met
plezier twee, drie keer.
‘Flower Power’ is een verzameling van tientallen teksten over en interviews met
kunstenaars, die Hans Theys sinds halfweg de jaren negentig tot nu in diverse
tijdschriften publiceerde. Waaronder <H>ART dus: teksten met en over Bernd
Lohaus, Luc Tuymans, Walter Swennen en anderen die eerder in <H>ART verschenen
vind je in uitgebreidere vorm terug in het boek. Dat is ook het voordeel van
zo’n boek: zelfs in een tijdschrift als <H>ART kan je niet pagina na pagina
doorgaan over één onderwerp, waarbij je exhaustief alles uittikt en weergeeft
wat een kunstenaar zegt (of wat je als vraag te stellen hebt). Zelfs de
herhalingen die met dergelijke aanpak naar boven komen kunnen relevant zijn,
omdat ze de kunstenaar in kwestie beter leren kennen. Soms is het enerverend,
soms zelfs irritant, maar even vaak is het meeslepend, virtuoos en zelfs
ontroerend. De manier bijvoorbeeld waarop Theys het met kunstenaar Leon Vranken
heeft over diens voorliefde voor fineer onthult een klein jeugdtrauma. Het
gesprek dat hij met Guy Rombouts en Monica Droste voerde (drie dagen voor Droste
in 1998 stierf) is wellicht van historisch belang.
En Theys is nog niet moe: ook jongere kunstenaars als Vaast Colson en Dennis
Tyfus (zie ook pagina 5) krijgen volop zijn aandacht. En zijn uitgebreide
website www.hanstheys.be is springlevend. Er zit een bezadigde bezetenheid in
Theys, wat hij zelf verwoordt in zijn nawoord: “Als negentienjarige
filosofiestudent was ik getroffen door Rousseaus ‘dilemma van de wetgever’ dat
hierin bestond dat je een volk dat geen geschikte opvoeding heeft genoten geen
nieuwe wetten kan laten begrijpen en accepteren, maar dat een verbetering van
het onderwijs een verandering van de wetten vergt. Ik nam mij toen voor de
verlossing uit dit dilemma niet af te wachten, maar tijdens mijn leven zoveel
mogelijk mensen aan het denken te zetten en te ontroeren.”
In dat laatste is Theys met dit boek helemaal geslaagd. Hij vroeg me ook of ik
hem geen vragen te stellen had over dit boek. Liever niet dus, want je kan ook
dingen kapot vragen. Zo wil ik liever niet exact weten waarom hij al zijn
stukken uitluidt met ‘Montagne de Miel’, gevolgd door de datum. Stel je voor dat
dat honinggebergte gewoon ergens in de Brusselse Rand ligt.
Ten slotte: de ondertitel ‘Kunst in België na 2015’ is een typisch Theys-grapje:
het blijkt te verwijzen naar Stendhals terugkerende verontschuldigingen in ‘Vie
de Henry Brulard’ voor het feit dat hij zo vaak het woord ‘ik’ gebruikt. Wat die
2015 ermee te maken heeft moet de lezer zelf uitzoeken.
Hans Theys, ‘Flower Power. Kunst in België na 2015’, Tornado Editions, 2008. 464
pagina’s. Distributie: EPO. ISBN 9789079282012. |