|
Doorgaans ervaren we hetgeen algemeen geldig is, we passen het toe op allerlei
omstandigheden. Voor het uitzonderlijke en nieuwe hebben we gewoonlijk geen oog,
al ligt juist daar de ervaring...
Leopold Flam
|
Hans Theys
TOWN HO !
OVER DE VORM
Paragraaf I
Over impudieke collages, sidderende kunstenaars
en een vingerknip.
Montagne de Miel, zondag 5 april 1992. Op het bureau, op de vensterbank, op de
leren fauteuil en op de houten vloer liggen honderden foto's. Foto's van
volgestapelde interieurs, actiefoto's, foto's van mechanische onderdelen, foto's
van dieren, van vreemdsoortige objecten, van tentoonstellingen in musea. Een
detailopname van de stalen torsieveer van Umbilly I, giraffen in Botswana, de
Polistes zonder wieldoppen, geparkeerd voor een paar volkstuintjes, Hedy Lamar,
een zwart en een wit zwaluwnestje, een gedroogde Piranha uit Brazilië, een man
die poseert op de top van de Galenstock, het met waterstofgas vullen van de
Aeromodeller, een barricade van ijsblokken in het centrum van Antwerpen, een man
in legeruniform voor een schoolbord, een werkbank met een voltmeter, een koperen
raket, de maquette van een luchtschip, een mechanicien die een
mensenkrachtvliegtuig uitprobeert, een met een tentzeil overdekte kuil waarin
iemand iets uitvoert met koperspoelen die zo groot zijn als turfzakken, een
duiker op de bodem van de Indische oceaan, een papegaai met een sinaasappelschil
als alpinopetje en zo voort.
Zo, kriskras door elkaar gelegd, als een uit zichzelf groeiende, impudieke
collage, doen deze foto's denken aan de ijverig samengesprokkelde 16de eeuwse
curiositeitenkabinetten die een aanzet vormden tot de moderne empirische
wetenschap. Toch gaat het hier om meer dan een toevallige verzameling curiosa.
Panamarenko is geen verzamelaar. Hij maakt dingen. Soms moet hij studeren om ze
te maken, soms ontstaan ze als bijprodukt van een studie. Soms vormen ze een
aandenken aan een vroegere ervaring, soms kondigen ze er een aan.
Al deze zaken worden verbonden door het woord ervaring. Soms in de betekenis van
experiment, vaak in de zin van een bewuste registratie van een moment, het
werkelijk ondervinden van een algemeen als vanzelfsprekend beschouwde
feitelijkheid, het creëren en overbrengen van gebeurtenissen, objecten of
beelden, voor anderen en voor zichzelf.
Deze omschrijving blijft vaag. De zaken worden niet tastbaar. Immers, om het
even wie kan hetzelfde beweren over om het even welke kunstenaar. Panamarenko is
echter niet om het even welke kunstenaar. Waarin berust dan het onderscheid?
Het eerste antwoord op deze vraag ligt voor de hand: toon mij honderd foto's van
werken van de sculpteur of de schilder voor wie u graag op de knieën valt, of
die u hoogschat - de manier waarop u de mythe der bewondering zelf vorm geeft
laat mij koud -, toon mij honderd foto's en ik zal... Ach, u had ze al in uw
binnenzak, in een schone enveloppe, en van gelijk formaat... Laat me er een blik
op werpen, want ik ben altijd blij als ik nieuwe, gevoelige, forse zaken of
mensen leer kennen... Maar dat zijn allemaal foto's van... schilderkunstwerken!
En dat andere pakje, geef me dat andere pakje, dat u zo behendig uit uw
achterzak heeft gevist... Maar dat... dat zijn sculpturen! Honderden sculpturen!
In brons en in steen, kunstig gekapt, borsten en billen, een mannelijke tors, en
hier zelfs... Prachtig! Een olifant! Een cementen olifant! Een marmeren
Hasselblad! En hier zelfs enkele abstracte werken, met golvende lijnen en diepe
contrasten! Maar... het zijn allemaal... hoe zal ik het zeggen... het zijn
allemaal... sculpturen... in marmer en in brons en in plastiek... Waar is het
nieuwe? Waar is... ja, waar is het frisse, het verrassende, het onvoorspelbare,
het onbeschaamde, het... ja... het echte? Die vlek, zegt u. Er zit iets in die
vlek, in die kleur, in die veeg, die streep, dat bolletje... Akkoord. Maar een
vlek, dat kende ik al. Ik heb er zelf al verschillende gemaakt. Ik ken
natuurlijk niet alle vlekken... Nooit zal ik me alle mogelijke vlekken kunnen
indenken. Alle mogelijke vlekken! En al hun combinaties! Wat een kleuren! Wat
een vormen! Wat een composities! Dat is waar. Nooit zal ik ze me allemaal kunnen
voorstellen.
U begrijpt het, zo'n betoog zou al te gemakkelijk zijn. Bovendien vertelt het
ons niets positiefs over het specifieke karakter van Panamarenko's werk. Het
vertelt ons alleen wat het niet is, wat het niet wil zijn of waar het aan tracht
te ontsnappen. Maar gesteld dat we, voorlopig althans, Panamarenko's werk niet
positief willen definiëren, dat we het, met andere woorden, niet wensen te
reduceren tot woorden of begrippen die u al kent, omdat het specifieke u dan
zeker zal ontgaan, dan heeft het zin nogmaals een blik te werpen op de bezigheid
van onze sculpteurs en schilderkunstenaars.
Ach neen, laten we dat maar niet doen. Zie hoe schichtig ze over hun schouder
kijken, zie hoe ze beven... Zie ook hoe ze kleiner en kleiner worden, de
stakkerds... Ze worden alsmaar platter! Het lijkt wel alsof ze gaan bezwijken
onder een verschrikkelijk gewicht! Maar wij zien niets... Het lijkt alsof zij
iets meer weten dan wij! Wat weten ze dan? Voor wie zijn ze zo bang? Wat
verplettert hen? Maar... het zijn hun eigen schilderijen! Hun eigen schone
schilderijen en schone sculpturen! Zo schoon zijn ze, zo plechtstatig, zo
fatsoenlijk, zo juist, zo verheven, zo oud, dat ze hun nietige scheppers wel
moeten verpletteren! Daarom kijken die zo angstvallig achter zich! Ze zijn bang
dat iemand anders het heeft gemerkt! Hun meester, misschien, die altijd over hun
schouder meekijkt, zelfs als hij er niet is, zelfs als hij al eeuwenlang
begraven is en verrot en opgevreten door organisch gewriemel... Misschien heeft
hun meester het wel gemerkt, of de dorpspastoor, of hun echtgenoot of
echtgenote, of - verschrikkelijk! -, of... de Kunst zelf, in al haar
majesteitelijke en onweerlegbare pracht! Ja, dat is het! In de nek beloerd door
de Grote Pontifex en in het gezicht uitgelachen door de eigen schepping! Ach,
welk een bedroevend gebeuren! Maar wie heeft hen ertoe verplicht? Welke wrede
God heeft deze iele figuren veroordeeld tot zo'n verscheurend, zo'n woest, zo'n
pijnlijk bestaan? Wie? Wat? Waarom?
Hun ouders! IJdelheid! Honger! Eerzucht! Diezelfde dorpspastoor! Lafheid!
Blindheid! De gewoonte! Wat? De gewoonte? Maar wat is dat dan, die gewoonte? En
wie schildert er nu uit gewoonte? Zijn al die begaafde schilders en sculpteurs,
al die schrijvers, al die kunstenaars, zijn dat niet juist de uitzonderlijken?
Zij die zich verzetten, die in opstand komen, die heel hun miserabele leven
doorbrengen met het belangeloos doorwoelen van de stronthoop van de wereld, op
zoek naar dat Ene, dat Grootse, dat Sublieme, dat alle sleur en gewenning
overstijgt? Wacht even, want hier kan ik niet meer volgen. Ik wil even op adem
komen.
* * *
Als ge in uw neus peutert, wordt hij zó groot. Als ge aan uzelf zit, wordt ge
doof. Als ge scheel kijkt en de klok van Pieperzele slaat... Als ge zo blijft
slurpen zult ge later nooit... een echte vrouw worden, een echte man worden, een
echte schrijnwerker worden, een goede biologe worden, een goede
schilderkunstenaar worden, een man vinden, een vrouw vinden, werk vinden,
kinderen kunnen krijgen, genoeg grond kunnen kopen om een eigen huis met garage
te kunnen bouwen, etc.
Lik nooit aan het mes van een mixer als de stekker nog in het stopcontact zit,
want er was eens een jongetje... Let altijd goed op als je een roltrap neemt,
want er was eens een vrouw met lang haar... De angst voor het nieuwe, voor het
mogelijke - elektriciteit! roltrappen! drugs! genetische manipulatie! - brengt
ons ertoe onze kroost te smoren in fatsoensregels, gedragsregels en
levensregels, manieren om zich van snottebellen te ontdoen, manieren om te lopen
(zonder fluiten), te eten, te praten, te denken, zich uit te drukken. De kracht
van deze ontelbare regels berust in de 'schrik', de overbodige vreesachtigheid
die de kroost moet behoeden voor een vernietigend contact met de werkelijkheid.
Die rauwe wond in onze kop moet beschermd worden tegen het licht, en daarom
wikkelen wij een gordijn rond onze kop, zodat we niets zien, niets horen, niets
proeven, niets ruiken en niets voelen. En daarom, omdat wij toch niets zien,
leert men ons de dingen, zoals men kinderen die opgegroeid zijn in een donker
hol, leert over de buitenwereld.
Maar die stinkende windel rond onze kop behoedt ons niet alleen voor de nacht,
en voor het licht, hij behoedt ons ook voor teveel echte, lekkere, mooie,
amusante zaken, waar wij niets van mogen weten, omdat er net genoeg is voor
enkele slimmeriken, die door de spleten van hun vingers hebben gekeken... Halt!
Halt! Geen verwarring! Die met het brede zitvlak en de schone manieren, leven
die dan op een andere manier? Hebben zij werkelijke ervaringen? Zien zij? Die
zwakke priesters die alle waarden zouden hebben omgekeerd om zelf te kunnen
overleven, zien die iets meer dan wijzelf, met onze omzwachtelde koppen? Geen
verwarring! We moeten haar ontrafelen, deze listige vermenging van redenen en
belangen, we moeten haar ontrafelen! Maar hoe? We moeten haar ontrafelen door
middel van... door middel van een vingerknip! Wat zeg ik? Eigenlijk had ik
willen schrijven: door donderende hamerslagen, maar ik zoek naar een juistere,
naar een lichtere omschrijving, naar een aanduiding van dat achteloze gebaar,
die impertinente bezigheid, die schaamtevolle schaamteloosheid, die schamele
pogingen tot onbevangen bezig zijn met ik weet niet wat.
Paragraaf II
Over rookgordijnen, het specifieke en de vorm.
Panamarenko en ik hebben samen talloze gesprekken gevoerd, bij hem thuis, in de
Panaché (waar de biefstuk wegsmelt als crème-glace), op de Malediven, in de zoo
van Berlijn, in het Zoniënwoud, op de Monte Rosa, in Tokyo en op tal van andere
avontuurlijke, duistere en minder duistere plaatsen. Toch blijven de
gepubliceerde interviews interessant. Niet alleen omdat ze in elk geval de beste
teksten zijn die al over Panamarenko's werk zijn verschenen, maar ook omdat ze
aantonen hoe consequent hij is geweest in zijn strevingen en beweringen, ondanks
het feit dat tal van zijn opmerkingen nooit echt verwerkt werden in de kritische
teksten, alsof ze niet voor vol werden aangezien of omdat ze gewoonweg nooit
werkelijk begrepen zijn.
Allicht staat het elkeen vrij het werk van een kunstenaar op een eigenzinnige,
persoonlijke manier te duiden, zelfs als hij of zij de resulterende schrifturen
niet als dusdanig presenteert, maar veelal komen deze duidingen neer op
krakkemikkige reducties, alsof het onbekende, of het Nieuwe, enkel zin zou
krijgen als het in verband gebracht kan worden met wat al bekend is. Het
probleem is overigens niet zozeer dat de kunstkritiek de door haar besproken
kunstwerken doorgaans onderbrengt in geconsacreerde classificaties, dat er wordt
gezocht naar invloeden en dat er meer of minder gezochte verbanden worden gelegd
- voor het gros der kunstenaars lijkt dat de enige mogelijke aanpak, omdat hun
werk zelf op die manier is ontstaan en zijn bestaansreden veelal te danken heeft
aan deze structuren -, maar wel dat het specifieke karakter van een kunstwerk
dat deze indelingen lijkt te overstijgen, telkens weer aan het gezicht
onttrokken wordt door een rookgordijn van platitudes, algemene waarheden en
verstarde begrippen .
De kritiek is hier het slachtoffer van haar Vorm. Terwijl een groot kunstwerk
een tot dan toe verborgen gebleven aspect van de werkelijkheid (of de
mogelijkheden van de kunst, hetgeen op hetzelfde neer kan komen) tracht
zichtbaar te maken, tracht de kritiek het te duiden door het te herleiden tot
datgene wat al zichtbaar en bekend is, omdat het medium waarover zij daartoe
beschikt uitsluitend daaruit bestaat. Dit is natuurlijk een banale gedachte.
Elke vorm van communicatie bestaat per definitie in een hermeneutische cirkel:
het onbekende kan niet meegedeeld worden omdat het onbekend is en omdat de
bestaande woorden enkel verwijzen naar datgene wat al bekend is. De zin van een
kunstwerk dat een nieuwe ervaringswereld blootlegt of creëert, berust echter
juist in een baldadig of arrogant negeren van deze schijnbaar onherroepelijke
situatie.
Een vijftal jaar geleden heb ik getracht aan te tonen dat de diverse
interpretaties van het werk van Kafka, die gepubliceerd werden in tientallen
duizenden geschriften, voorbijgingen aan het feit dat de essentie van Kafka's
proza juist scheen te berusten in een verlammend besef van de onkenbaarheid van
de wereld, die het formuleren van een richtsnoer voor het handelen - of een
definitieve interpretatie van welk feit dan ook - onmogelijk maakt . Met
betrekking tot Panamarenko's werk is echter niet Kafka's scepsis van belang -
wel integendeel -, maar het feit dat Kafka's werk zich, buiten het bereik van
elke interpretatie, onvatbaar moest opstellen, niet om de zogenaamd universele
betekenis ervan te vrijwaren, maar juist het specifieke karakter ervan: die ene,
persoonlijke ervaringswereld, die hij poogde zichtbaar en tastbaar te maken op
een zo naakt mogelijke manier .
Overigens is het niet louter de bedoeling aan te tonen dat Panamarenko's werk in
de over hem verschenen geschriften voortdurend wordt gereduceerd, waardoor het
specifieke karakter ervan telkens weer verloren dreigt te gaan, maar vooral aan
te tonen dat de courante reductiedrift, als uiting van een kritiek die het
slachtoffer is van haar eigen Vorm, verwant is aan een 'artistieke' aanpak die
door Panamarenko's leven en werk wordt gelaakt. De naam Panamarenko is een
pseudoniem, constateert men. Onvermijdelijk wordt hieraan de kaduke verklaring
vastgekoppeld die ooit spelenderwijs werd geformuleerd door zijn voormalig
galeriehoudster Anny De Decker, als zou deze naam een samentrekking zijn van de
firmanaam Panamerican Airlines & Co. Dit is niet alleen een dwaas verzinsel, het
gaat ook volledig voorbij aan de enige vraag die relevant lijkt te zijn,
namelijk waarom Panamarenko een pseudoniem gebruikt.
Panamarenko zou "beter als typisch produkt van onze cultuur en als voortzetter
van haar (artistieke) tradities omschreven worden", schrijft een
kunsthistoricus, "dan als een wereldvreemd knutselaar die in de geborgenheid van
zijn zelfgekozen splendid isolation 'ludieke' toestelletjes vervaardigt die ons
ontroeren omdat ze zo 'poëtisch' zijn, zo schattig in hun dysfunctionaliteit ten
opzichte van de meedogenloze immorele technologische realiteit". Wat betekent
dit? Natuurlijk heeft het weinig zin Panamarenko's werk te interpreteren als een
louter protest tegen de "meedogenloze, immorele, technologische realiteit", maar
waarom zou het zijn 'legitimiteit' moeten putten uit de kunsthistorische
traditie? Tegelijk schuift deze heer kunsthistoricus de vraag waarom
Panamarenko's werken als poëtisch worden ervaren (waarom ze "ons ontroeren omdat
ze zo 'poëtisch' zijn"), waarin deze poëzie dan zou kunnen bestaan en wat het
belang ervan zou kunnen zijn, echter eveneens meteen terzijde, want wat heeft
hij ontdekt? Dat het werk Grote Plumbiet verdomd veel lijkt op de Broyeuse de
Chocolat van Marcel Duchamp! Brrr...
* * *
Een van de redenen waarom ik de oude interviews met Panamarenko ben gaan lezen,
was de mogelijkheid dat hij zijn 'betoog' gaandeweg heeft gewijzigd of verfijnd,
zodat menige reductionistische of scheve interpretatie van zijn werk eigenlijk
op vroegere uitspraken van hemzelf zou berusten. Bij herlezing blijkt echter dat
hij zich van meet af aan zeer nauwkeurig over zijn bezigheden en bedoelingen
heeft uitgelaten, in woorden die bovendien vrijwel identiek zijn aan de
uitspraken die hij nog steeds - en bijna tot vervelens toe - moet herhalen,
alsof er tussen hem en zijn toehoorders een scherm is opgetrokken dat hen
telkens weer alleen maar laat horen wat ze al dachten te weten.
Steeds opnieuw, zo lijkt het wel, moet elke ervaring gereduceerd worden tot
clichés, tot het reeds verworvene en verteerde, tot het ontmande, tot de
grabbelkorf van het esthetische gewriemel, de beeldjesfabriek, de gestolde
ervaring. Leonardo da Vinci! Zo klinkt het dan. De mythe van Icarus! De droom
van het vliegen!
"Maar het vliegen op zich is dus eigenlijk het punt wat je intrigeert?", vraagt
hem Jean Leering, in een interview dat in 1970 werd gepubliceerd. "Dat is
eigenlijk niet zoals het lijkt", antwoordt Panamarenko. "Als ik begin met het
ding te maken dan is het natuurlijk het vliegen op zich (...) maar als ik er dan
mee bezig ben dan wordt het belangrijkste eigenlijk het maken ervan, en als het
klaar is dan voel ik me nog wel genoodzaakt om het dan wel eens te proberen en
zo, maar dat heeft dan schijnbaar de tijd, want er zijn verschillende aspecten
aan die schroeven en aan die motoren die dan eigenlijk interessanter zijn, die
eigenlijk meer vliegen zijn dan echt vliegen." Kan het duidelijker? Welzeker. In
het stukje zin dat hierboven werd weggelaten, omdat het de vermoeide lezer
misschien zou hebben verward, zegt Panamarenko namelijk dat, als hij aan een
werk begint, het natuurlijk wel het vliegen op zich is dat hem interesseert,
omdat hij zich dan voorstelt dat hij "in een bepaalde kroeg waar ik eigenlijk
niet veel te maken heb, zoiets rond kan laten vliegen". Met de kroeg "waar hij
eigenlijk niet veel mee te maken heeft", doelt hij natuurlijk op het
kunstenaarscafé De Muze. Wat hem vooral interesseerde, naast het bedwingen van
de technische en natuurkundige problemen die rezen bij het ontwikkelen van
bijvoorbeeld het Draagbaar Luchttransport, was dus niet zozeer het vliegen, als
wel het epateren van andere kunstenaars, wiens traditioneel artistieke
bezigheden hij in de schaduw wou stellen. Twee zaken zijn zo duidelijk geworden:
dat Panamarenko het meest geïnteresseerd is in het ontwerpen en ineenprutsen van
zijn 'dingen', en dat hij dit ontwerpen en ineenprutsen als een artistieke
aangelegenheid beschouwt.
Sommige commentatoren zijn een stapje verder gegaan. Als het zo is dat
Panamarenko niet echt wil vliegen, redeneerden ze, dan moet zijn werk wel zoiets
zijn als een ironische kanttekening bij de condition humaine, waarbij het
onafgebroken echec fungeert als beeld. Ook zij schijnen te zeer verstrikt in hun
literair-historische vorming om Panamarenko's werk onbevangen tegemoet te
treden.
"Het is onmogelijk", schrijft Lucius Grisebach , "over Panamarenko te spreken
zonder bij Leonardo da Vinci te beginnen". Vervolgens wijst hij op twee
"wezenlijke verschillen" die "tegelijkertijd de belangrijkste aspecten van
Panamarenko's werk duidelijk" maken. "Het eerste duidelijke verschil is dat
Leonardo met zijn vliegtuigideeën naar iets zocht dat nog niet was uitgevonden."
Het tweede verschil is "dat Panamarenko's vliegtuigen nooit in het stadium van
de tekening, van het concept kunnen blijven steken; ze moeten gebouwd en
uitgeprobeerd worden" . Terecht betoogt hij dat Panamarenko bij de bouw van Das
Flugzeug "getracht heeft om datgene wat in de aerodynamische terminologie
misschien het probleem van gewicht en opwaartse druk heet, te beheersen en hoe
hij van daaruit ervaringen heeft opgedaan" en hij haalt een interview met
Panamarenko aan waarin die stelt dat men een vliegtuig niet alleen zou moeten
uitvinden, maar dat men het ook zou "moeten bouwen en zelf oplossingen vinden
voor alle simpele, technische problemen en dat alles als ervaring in het
vliegtuig zou moeten zitten" . Wanneer hij echter besluit door dit alles te
omschrijven als "nostalgisch primitivisme" een "terugkeer naar het begin" of een
"regressieve utopie" (naar Ingold) en zelfs de waarde van de mislukking gaat
bezingen, dan gaat hij echter voorbij aan het wezenlijke van het begrip
ervaring, dat veel meer zegt over Panamarenko's artistieke stellingname dan
Grisebach schijnt te bevroeden, en dat bovendien onlosmakelijk verbonden is met
de door zijn collega kunsthistoricus verguisde poëzie.
Misschien heeft Leonardo da Vinci wel zelf machines gebouwd om na te gaan of de
principes die aan de grondslag lagen van zijn ontwerpen ook werkelijk
functioneerden, maar zelfs in dat geval bestaat er geen wezenlijke overeenkomst
tussen zijn bezigheden en die van Panamarenko. Tegenwoordig is de aerodynamica
een wetenschap. Haar principes zijn voor iedereen min of meer toegankelijk.
Panamarenko's streven bestaat er niet in deze principes op hun juistheid te
toetsen - het huidige luchtverkeer maakt zulks overbodig en zinloos -, doch ze
zelf aan den lijve te ondervinden, werkelijk te begrijpen, of zelfs te voelen
waarom ze juist zijn en hoe ze werken. Daarom heeft het geen belang of zijn
tuigen ook echt functioneren, maar om diezelfde reden is het ook dwaas te
stellen - zoals al zo vaak is gedaan - dat Panamarenko's tuigen niet mogen
functioneren omdat ze aan dit tekort hun zogenaamde artistieke waarde zouden
ontlenen; het streven naar functionaliteit - bijvoorbeeld het streven naar
vliegwaardige toestellen - maakt juist een onmisbaar bestanddeel uit van hun
poëtische kracht.
Toen Panamarenko in juni 1990 twee duikerspakken ontwierp, was het ook werkelijk
zijn bedoeling met deze pakken te duiken. Het idee was bij hem opgekomen na een
reis naar Egypte, waar hij in de Rode Zee had gesnorkeld. Zijn eerste wens was
te duiken met een doorzichtige helm, zodat hij onbelemmerd om zich heen zou
kunnen kijken. Verder wilde hij gebruik maken van een luchtpomp die, bevestigd
aan een opgeblazen binnenband, op de golven zou dobberen . Op enkele dagen tijd
ontwierp hij echter een manuele pomp die de duiker volledig autonoom zou maken.
Het ontwerp en de constructie van deze pomp vergden een grondige studie van de
diverse moeilijkheden die gepaard gaan met het duiken. Hoeveel lucht heeft een
duiker nodig? Hoe kunnen de problemen met de drukverschillen worden opgelost?
Hoe moet de duiker de pomp bedienen? Hoeveel extra gewicht moet de duiker
meenemen? Het eerste doel, het rondwandelen op de zeebodem, werd zo verrijkt met
een tweede doel, namelijk het zoeken naar een elegante oplossing voor vragen van
natuurkundige, technische en plastische aard. Na een periode van voorbereiding,
die op zich al neerkwam op een persoonlijke beleving van tal van
probleemstellingen, volgde dan het eigenlijke duikexperiment, waarbij gezocht
werd naar oplossingen voor bijkomende technische problemen (het voorkomen van
condensatie in de helm, het waterdicht maken van de pomp, het verzwaren van de
helm ), maar die ook leidden tot een unieke ervaring van wat duiken eigenlijk
inhoudt. Hoe zou het feit dat verscheidene duikpogingen ook werkelijk zijn
geslaagd afbreuk kunnen doen aan het vreemdsoortige, impertinente en
uiteindelijk ook poëtische karakter van deze onderneming en van de kunstwerken
(tekeningen, foto's, films, objecten) die er later - als een soort van relieken
- van getuigen?
Om de 'idee' van de mislukking in het werk van Panamarenko beter te begrijpen,
zou men eigenlijk moeten weten hoe hij te werk gaat bij het bedenken en
vormgeven van zijn werken. Zo werd er bij het bouwen van de Prins Misjkin, een
zachtjes zoemende gletsjertank op rupsbanden , lang stilgestaan bij de keuze van
de motor. Het nadeel van een brandstofmotor is het lawaai. Het nadeel van een
elektrische motor is het gewicht van de batterijen . Een brandstofmotor kan
natuurlijk geïsoleerd worden (door middel van een loden bekisting), maar dan
wordt hij erg zwaar. Het gebruik van kleinere, lichtere batterijen voor een
elektrische motor, daarentegen, beperkt het bereik van het voertuig.
Uiteindelijk werd geopteerd voor een aandrijving die bestond uit twee oplaadbare
handboortjes. Voor de bevoorrading zou de bestuurder gewoon een beroep moeten
doen op her en der gestationeerde jongeheren die de lege batterijen onmiddellijk
zouden vervangen door nieuwe exemplaren die ze fietsend hadden opgeladen in hun
tentje op de gletsjer.
Bij het bouwen van de vliegende rugzak Hazerug, stelde zich het probleem dat de
resten van de koelvinnen van de Suzuki-motor (de koelvinnen werden er afgezaagd
om het gewicht te verminderen) de luchtstroom hinderden. De enige oplossing was
dat de motor ondersteboven aangebracht zou worden, al betekende dat wel dat de
motor altijd ogenblikkelijk moest starten, omdat de bougie, die zich nu onderaan
bevond, al na de eerste mislukte startpoging zou verzuipen.
Het mooiste voorbeeld is allicht de pastillemotor, die minstens 50 pk moet
produceren, maar liefst niet meer mag wegen dan 3 à 5 kilogram. Telkens weer
legt Panamarenko zichzelf beperkingen op, die voortkomen uit een streven naar de
hoogst mogelijke efficiëntie (gering gewicht en verbruik) en een zo groot
mogelijke elegantie . Het gaat hier niet om een elegantie in louter esthetische
zin, maar om een streven naar eenvoud, dat vergelijkbaar is met de criteria die
een wetenschapper ertoe laten besluiten de voorkeur te geven aan bepaalde
theorieën. "Het gaat er niet om of de stringtheorie mogelijk is of niet",
vertelde Panamarenko me in 1989 , "ze is gewoon niet begrijpelijk genoeg om echt
elegant te zijn. Terwijl mijn theorie wel een grote elegantie heeft." Om
gelijkaardige redenen heeft hij in juni 1989 gepoogd het relatief ingewikkelde
ontstekingsmechanisme van een pastillemotor te vervangen door een
verbrandingskamertje voor de bougie en hebben Das Flugzeug en de K2, The
7000-Meter-High Flying Flying Mountain and Jungle Machine een uiterst eenvoudig
besturingsmechanisme: de piloot bestuurt deze voertuigen door zijn lichaam in
een bepaalde richting te laten overhellen. Plastische motieven (het uitzicht, de
mogelijkheden van de gebruikte materialen) mengen zich zo met praktische (hoe
minder lawaai hoe beter), technische, natuurkundige, provocerende, ludieke
(ironie of pure lol, zolang het project maar vermakelijk blijft), en
onnaspeurlijke, persoonlijke motieven, die er veelal toe leiden dat het
opzettelijk onmogelijk gemaakte doel - ook al wordt het, gezien vanuit een
louter functioneel standpunt, nooit bereikt - juist ten volle wordt beleefd
tijdens het nastreven ervan.
Het eigenlijke doel, als men dat al in een formulering kan vatten, bestaat dus
in de ervaring die gepaard gaat met de verstrengeling van deze verschillende,
elkaar constant beïnvloedende motieven , en het tonen van een voorwerp dat er
het resultaat van is. Het spreekt vanzelf dat een van de grootste uitdagingen op
artistiek vlak juist het overbrengen van de eigenlijke ervaring zou zijn. Voor
zover dit onmogelijk is, kan men de ervaring, of de openheid daartoe,
suggereren. Een andere naam voor deze suggestie is poëzie.
Paragraaf III
Waarin de lezer nogmaals om de oren wordt geslagen
met apodictische onzin over de Vorm.
Een banale gedachte: Als het juist is, zoals een van Foucault's beweringen
luidt, dat de westerse fascinatie voor de sexualiteit als bron van waarheid er
niet zozeer op wijst dat de sexualiteit een ongeoorloofde, noodgedwongen
verdoken vorm van vrijheid is, maar wel een door de macht aangemoedigd
gedragsmodel dat - via de psychoanalytische en katholieke biechtcultuur - een
ingrijpende controle op het individu mogelijk maakt, dan functioneert het
bedrijf der kunst allicht op dezelfde manier: zolang het overborrelende individu
zich uit binnen de vastgestelde codes van de kunst - met de waarheid
(authenticiteit, juistheid, oprechtheid) als een van de voornaamste oogmerken -
blijft hij de gammele, walgelijke gang van zaken op een controleerbare, want
benoembare en daardoor grijpbare manier dienen.
De banaliteit van deze gedachte berust hierin dat men zich de macht altijd
voorstelt als een politiek-economisch-juridische, d.w.z. concrete,
verpersoonlijkte instantie die het wereldgebeuren vanuit een onbereikbaar fort
bestuurt. De macht, zoals ook Foucault die beschrijft in La volonté de savoir,
is echter een immanent gebeuren, het is de niet discursief te vatten wijze
waarop economische processen, kennisverhoudingen, sexuele relaties en artistieke
ontwikkelingen zich voordoen en onderling verhouden. "Waar macht is", schrijft
hij, "bestaat verzet en toch, of juist daardoor, bevindt dit verzet zich nooit
buiten de macht (...) al deze verzetsvormen kunnen per definitie alleen binnen
het strategische veld van de machtsverhoudingen bestaan." Daarom vergiste Beuys
zich wanneer hij beweerde dat "de grenzen van de traditionele kunst" doorbroken
konden worden door een "kunst in de brede zin van het woord", een op een
"vrijheidswetenschap" en "zelfbeschikking" gestoeld "creativiteitsconcept"
"waardoor men kan ontsnappen aan inwerkende krachten van buitenuit" . Een
"volledig vrije en zelf-determinerende" cultuur die niet langer "de speelbal is
van verantwoordelijken die een minderheid van onze maatschappij
vertegenwoordigen en waarachter de fascistische en economische bedoelingen van
grote commerciële groepen schuilgaan" is niet alleen onmogelijk omdat "de
cultuur nauw verbonden is met de wet", zoals Beuys zelf even toegeeft, maar ook
omdat 'de cultuur' niet denkbaar is zonder de wet, in welke betekenis van dat
woord dan ook .
"Altijd diezelfde onmacht om de lijn te overschrijden, om aan de andere kant te
geraken", schrijft Foucault , "altijd dezelfde keuze, aan de kant van de macht,
van wat de macht zegt of doet zeggen...".
Niets schijnt buiten de macht te kunnen bestaan, omdat de macht steunt op en
bestaat in de Vorm van onze handelingen. De macht, met andere woorden, bestuurt
ons niet van buitenaf, ze komt van binnenuit, ze bestuurt ons vanuit onze
'eigen' uitgeholde en versleten intenties en manieren van aanpakken. De macht is
de bedrieglijke soepelheid van onze bewegingen.
* * *
"Geërgerd door de bekwame terugtocht van Ziethen", schrijft John Holland Rose,
"stuurde de Keizer zijn kavalerie af op de bataljons van de Pruisische
achterhoede, waarvan er vier ernstig werden aangepakt voor ze de beschutting van
een woud bereikten". Eigenlijk was het Napoleon's bedoeling de Pruisen tegen de
zoom van dit woud te verpletteren, maar hij werd verschalkt door de Vorm, zijnde
de manier waarop hij zich een bos voorstelde. Alle bossen, dacht hij, zijn zoals
Het Bos, het Corsicaanse bos met zijn ondoordringbaar maquis.
Alles is ondergeschikt aan de Vorm . De Vorm waarborgt de mogelijkheid, de
zichtbaarheid, de tastbaarheid en de controleerbaarheid van elk voorwerp, elk
inzicht, elke handeling en elke gebeurtenis. Sterker: niets bestaat zonder de
Vorm. De Vorm is de voorwaarde voor alles.
De essentie van de Vorm berust in de herkenbaarheid. Daarom is ze star. Daarom
verstikt ze. Daarom verlamt ze.
De Vorm is de verlammende voorwaarde voor alles wat is.
De Vorm is dat element dat de waarneming, de schoonheidservaring, de kennis, de
handeling, de machtsuitoefening mogelijk maakt. De Vorm weert de angst, het is
de gebaande weg, het Mogelijke, het leefbare, het verdraaglijke (dat wat niet
meer verblindt, verwart of verstoort). De Vorm is echter ook datgene wat,
uiteindelijk, de waarneming, de schoonheidservaring, de kennis , onmogelijk
maakt, omdat ze niet meer beantwoordt aan de broeiende werkelijkheid, omdat ze
nieuwe ervaringen uitsluit, omdat ze leidt tot het berusten in en het celebreren
van een begrensde werkelijkheid en een begrensde ervaring van die werkelijkheid.
Daar waar Foucault stuitte op de onmogelijkheid buiten de macht te denken of te
handelen, de plaats waar Deleuze in alle ernst zijn grenslijnen begint op te
plooien (le pli!), ontwerpt Panamarenko zijn Toy Model of Space.
Paragraaf IV
Over het blootleggen van een nieuwe realiteit en
het stuntelen van de wetenschap.
"... wanneer ik in een museum kom", zei Marcel Duchamp in 1966, "ervaar ik bij
het zien van een schilderij nooit iets als sprakeloosheid, verbazing of
nieuwsgierigheid. Nooit. Bij het bekijken van de oude meesters, bedoel ik, de
oude dingen... Ik ben werkelijk een uitgetredene, in de religieuze betekenis van
het woord. Maar zonder dat zelf te willen. Ik kreeg er een afkeer van. (...)
Natuurlijk is er heel wat te zien, maar ik heb echt geen zin om aan een
artistieke vorming te beginnen, in de oude betekenis van het woord! Het laat me
koud. Ik weet niet hoe het komt, ik kan het niet uitleggen."
Ik denk dat ik wel weet hoe het komt. Er is namelijk geen bal aan, aan al die
beeldende kunst. Ook niet aan de vindseltjes van de heer Duchamp. Er bestaat
teveel van die brol. We moeten er voor op de knieën, dat wel, en we knielen
graag, zoals vroeger voor andere Molochs, maar wat hebben al die ceremonieën te
maken met die vage belofte van vrijheid die veelal aangeduid wordt met het woord
'kunst' ?
"Voor mij", zegt Gombrovicz in zijn laatste interview , "is Genêt natuurlijk een
groot scheppend kunstenaar en misschien de grootste Franse kunstenaar, omdat hij
een nieuwe realiteit heeft ontsloten". Ongetwijfeld hebben ook de ready-mades
van Duchamp een nieuwe realiteit blootgelegd, zij het dat die, net zoals bij
Genêt, in de eerste plaats esthetisch is. Met welke ideeën of dingen hield
Duchamp zich eigenlijk bezig? Hoe we het ook bekijken, de ervaringswereld die
door de werken van deze flaneur werd ontsloten is griezelig dunnetjes.
Experimenten? Wat hij zelf ook beweerd moge hebben, of het nu gaat om zijn
behendige verdraaiingen van de kubistische en futuristische codes, zijn serieuze
spelletjes met optische schijven of zijn degoutante moulages of andersoortige
afbeeldingen van opengesperde geslachtsdelen, telkens weer vertrekt Duchamp van
de Kunst .
Maar de Kunst is een oud zeer en een nog veel ouder plezier. "We moeten nieuw
plezier scheppen", heeft Foucault ooit gezegd . Geen nieuwe Kunst, voeg ik er nu
maar aan toe, maar nieuwe vormen van plezier, samenlevingsvormen, ervaringen en
intensiteiten. Een hopeloos doel, dat is duidelijk, maar tenminste een doel.
"Ho maar! Ho maar!" protesteert de nog meer vermoeide, maar nog steeds waakzame
lezer. "Experimenten, schrijft U. Experimenten! Maar wat hebben Panamarenko's
experimenten te betekenen vergeleken bij de echte experimenten van de
Wetenschap?" Ongetwijfeld moet men een onderscheid maken tussen de ware gang van
de wetenschap, het door blindheid en inzicht, geluk, toeval, durf en volharding
geregeerde ploeteren van honderduizenden anonieme onderzoekers (een
onoverzichtelijk geheel van noodzakelijke conventies en de even noodzakelijke
overtredingen ervan) en het waardige beeld van zelfverzekerdheid en efficiëntie
waarmee de wetenschap doorgaans wordt geassocieerd of voorgesteld.
"Ik heb iets te zeggen over de Orde, Namen, Beschrijvingen, Figuren, en
Toepassingen van Particularia", schreef Nehemiah Grew in 1681. "Wat de eerste
betreft, hou ik niet van de reden die Aldrovanus opgeeft voor het feit dat hij
de Geschiedenis van de Viervoeters laat beginnen met het Paard... Nog minder zou
ik opteren voor Gesner, die alfabetisch te werk gaat. De ware Schaal van de
Schepping (een grote overvloed van Zaken voor de Rede van elke man die er zich
over buigt) is een kwestie van hoge Speculatie." Eigenlijk is er sinds Nehemiah
Grew, wat de methode van de wetenschap betreft, relatief weinig veranderd. Haar
theorieën zijn bruikbaar, ze leveren prachtige resultaten, maar haar vooruitgang
is een stuntelen. De classificaties van de biologie hebben nog steeds
artificiële gronden, Eysenck en Kamin twisten nog steeds over de erfelijkheid
van de intelligentie (heeft Burt zijn enquêtes nu vervalst of niet?), de
quantummechanische zwaartekrachttheorie is nog steeds gebaseerd op het graviton,
waarvan het bestaan nog nooit werd bewezen, astronomen kunnen nog steeds niet
verklaren hoe sterrenstelsels pas driehonderdduizend jaar na de (nog steeds
hypothetische) oerknal zouden zijn ontstaan, sommige vormen van kanker worden
nog steeds genezen door veredelde slagers of gifmengers, en een groot deel van
de vooruitgang van de wetenschap is nog steeds te danken aan toevallige
ontdekkingen, baldadige hypothesen of zelfs vervalsingen.
De vooruitgang van de Wetenschap is in werkelijkheid een hopeloos stuntelen,
maar hoe zou het ook anders kunnen? Hier wordt gezocht naar het onbekende, naar
antwoorden waar we zelf de vragen voor moeten formuleren, naar het Nieuwe . Dit
zoeken, dit stuntelige tasten, deze grote, kluchtige dans die zorgvuldig
verborgen wordt gehouden achter opgestreken theorieën, nietszeggende titels en
hoge katheders (want waar moeten anders de middelen vandaan komen en van waar de
jonge, gemotiveerde vorsers?) is echter niet alleen uiterst doeltreffend, ze is
ook van een ongebruikelijke, boeiende schoonheid, die Panamarenko zelf wil
ondervinden.
Paragraaf V
Over poëtische kracht, het ding en de Naam.
De kracht van een kunstwerk berust zelden in de ondervinding die eraan ten
grondslag ligt, en meestal in het vermogen van de kunstenaar zijn ervaringen
over te brengen door ze een vorm te geven. Deze invalshoek is interessant, omdat
hij wijst op een onmiskenbare continuïteit in Panamarenko's werk.
Zijn eerste werken, de collages voor Happening News, geven een weerslag van zijn
ervaring met de eerste happenings, zijn kennismaking met de werken van Henri
Miller, zijn passie voor wetenschap en techniek, en zijn voeling met de
Amerikaanse cultuur.
Deze collages kunnen niet los gezien worden van de happenings zelf (als
programma of als verslag), die eigenlijk niets anders zijn dan pogingen tot het
creëren van collectieve ervaringen. Hun verwantschap met het latere werk van
Panamarenko berust echter niet alleen in het belang van de ervaring, vanaf de
eerste collages duiken al onderwerpen of thema's op die later hun beslag krijgen
in een ernstig spel met materialen, vormen en theorieën.
"Learn to imitate the flight of the birds", lezen we in de tekst van de collage
Zwitserse fiets. Andere collages tonen een scène in een laboratorium en de
gelede afbeelding van een vlieg (Happening), een getallenreeks (Milkyway),
wetenschappelijke formules en een vreemde organische structuur (The General
Spinaxis), twee kosmonauten (Embry Riddle) een luchtballon en het woord
'astronauts' (Without Fuel!), de hoofding van de Scientific American en de
schematische voorstelling van de observatie van een amateur astronoom
(Kaasetertje).
Geknutsel, vogels, astronauten en kosmonauten, een luchtballon, een
laboratorium, observaties, berekeningen: vrijwel alle ingrediënten van zijn
latere werk zijn hier al aanwezig, zij het in een nog rudimentaire, louter
iconografische vorm die deze onderwerpen, die nog niet tot 'het artistieke
domein' worden gerekend, eerder afplat dan recht doet.
Gaandeweg is Panamarenko echter tot de overtuiging gekomen dat zijn bezigheden
gevoelens van vrijheid, aandacht, zin, onzin, verwondering, genot en poëzie
inhielden die doorgaans met kunst geassocieerd worden, en daarom juist geenszins
gerechtvaardigd hoefden te worden door een artistieke vorm.
In dit opzicht is het van belang te wijzen op de overeenkomsten tussen de
latere, zogenaamd technische werken en de vroege, zogenaamd 'poëtische objecten'
zoals Botten met sneeuw (1966), Afwasbak (1967), Krokodillen (1967), Motten in
het riet (1967), Hofkes (1967) en Dakgoot (1967) die veelal worden gerekend tot
een soort van aanloopperiode. Niet alleen wordt meestal over het hoofd gezien
dat deze werken gelijktijdig tot stand kwamen met Das Flugzeug (1967), General
Spinaxis (1968) en de eerste ontwerpen voor de vliegboot Scotch Gambit (1966),
Prova-car (1967), The Aeromodeller (1968) en Stepstraal (1968); voor Panamarenko
- voor wie een bepaald motoronderdeel een zelfde schoonheid kan hebben als een
ondergesneeuwd landschap - bestaat er geen wezenlijk verschil tussen de
ogenschijnlijk uiteenlopende onderwerpen en de uiteindelijke vorm van deze
objecten .
Hiermee zijn we echter opnieuw beland bij het uitgangspunt van deze
kanttekeningen: Waarin bestaat het wezen van deze werken dan eigenlijk?
* * *
Botten met sneeuw , Afwasbak, Krokodillen, Motten in het riet, Hofkes en
Dakgoot, zijn stuk voor stuk reconstructies van dingen (beelden) die Panamarenko
ooit heeft gezien . In die zin gaat het om reconstructies van ervaringen. Dit
geldt echter voor het gros van de kunstproduktie in het algemeen. Het specifieke
(en het verband met de werken waarvan het tot stand brengen samenvalt met de
uitgedrukte ervaring) schijnt te berusten in de dubbelzinnige manier waarop
Panamarenko's objecten twijfelen tussen de dingen of fenomenen en de mythe die
hen omkadert.
Vaak gaat het niet om de dingen zelf, maar om reconstructies van herinneringen,
die op hun beurt voorwerp geworden zijn. Het gaat immers niet om een afwasbak,
of een paar met sneeuw bedekte laarzen, maar om de manier waarop Panamarenko
deze voorwerpen, de poëzie van deze voorwerpen, heeft ervaren , en de plastische
en technische problemen die hij moest oplossen om deze ervaring (de lichtbreking
in de afwasbak, het kolken van het water in de dakgoot, het fladderen van de
motten) op te roepen. Daarom is er geen wezenlijk verschil tussen het kunstmatig
opwekken van een eeuwigdurend draaikolkje of de reconstructie van de vleugelslag
van insekten.
* * *
In Noms de personnes en Retour à Guermantes, het veertiende en vijftiende
hoofdstuk van Contre Sainte-Beuve, beschrijft Proust hoe de naam Guermantes
tijdens zijn jeugd een indruk op hem had gemaakt als een woord "dat vol was van
prachtige beelden", en hoe zijn ontmoeting met Mme de Guermantes een
ontluistering betekende. Eerst is er de naam, met zijn betovering, en dan is er
het naakte ding. "Ze zijn geen naam meer", schrijft Proust, "ze brengen ons
noodgedwongen minder bij dan we over hen hadden gedroomd" .
Allicht is het omgekeerde ook geldig: zelfs de meest eenvoudige dingen worden
doodgesleten door hun naam , zodat ze niet langer echt bekeken of bestudeerd
worden.
Een van de elementen die het specifieke karakter van Panamarenko's werk schijnen
uit te maken is juist de gelijktijdige aanwezigheid van het ding en de naam, als
uiterste polen van de werkelijkheidsbeleving. Zijn werk getuigt van een
fascinatie voor bijna mythische figuren, verschijnselen en gebeurtenissen ,
zonder daarbij het ding echter in de steek te laten. Bijna altijd vertrekt zijn
werk vanuit een pietluttige probleemstelling, die met een indrukwekkend aura is
omgeven, of vanuit een groots beeld, dat hij zich eigen maakt door een hopeloos
knoeien met radertjes. Het resultaat is dubbel: hij benadert de dingen
onbevangen, wars van gangbare artistieke of wetenschappelijke theorieën en
vooropgestelde beelden, zodat ze op een nieuwe manier zichtbaar worden, én hij
geeft ze een nieuwe naam, zoals Umbilly, U-Kontroll, Scotch Gambit of Polistes,
die de mythe in eer herstelt. Deze nieuwe naam sluit het werk echter niet af,
als definitieve interpretatie, maar verleent het een dubbel, ironisch karakter,
waarbij mythe en ding elkaar wederzijds relativeren én versterken. Vernuftige,
ambitieuze machines worden in de schaduw gesteld door nog grootser aspiraties
(voor altijd vertrekken met een zelfgebouwd, onconventioneel ruimteschip), die
op hun beurt in twijfel getrokken worden door het onheuse voorkomen van
diezelfde objecten, zodat het grootse onophoudelijk omslaat in het piepkleine,
en omgekeerd.
Op die manier ontsluit het werk van Panamarenko een nieuwe ervaringswereld,
waarin het kleinste ding en de grootste ambitie tegelijkertijd - en allicht
daarom niet zonder enig komisch effect - zeer ernstig worden genomen.
Niet alleen is het onmogelijk een ervaring echt over te brengen, het heeft ook
geen zin. Het gaat er juist om dat iemand zelf iets ondergaat. Wat echter wel
communiceerbaar is, is de wens tot de ervaring, het plezier dat ermee gepaard
gaat en de produkten die ze heeft opgeleverd, als een soort van getuigen. Het is
juist het dubbele, ironische karakter van Panamarenko's werk, de gelijktijdige,
ondergravende aandacht voor ding en mythe, het onbeschaamde gebrek aan
rigiditeit en blijvende eenduidigheid (zodat bijvoorbeeld poëtische objecten een
technisch voorkomen kunnen krijgen, of omgekeerd), die het een blijmoedige
openheid bezorgen. Datgene zou men dan poëzie kunnen noemen, dat iets meedeelt
over een persoonlijke ervaring, zonder haar in te snoeren of te reduceren tot
het bestaande, dat haar eigenlijk niet nodig had, en waarin ze geheel
onopvallend weer zou verdwijnen.
Paragraaf VI
Genoeg is genoeg!
Stop! Stop! Stop! Genoeg! Genoeg gelul over het zogenaamde wezen van het werk
van Panamarenko! Het wezen? Welk wezen? "Zoveel is zeker", schreef ik zeer
serieus in 1989 , "het werk van Panamarenko mist elke tragische spanning". "Het
a priori van de ernst als laatste verraad van de authenticiteit", heb ik dat
toen genoemd, en ik had het over "het laatste en onzichtbare bolwerk van de
klassieke oudheid: de overtuiging dat authenticiteit noodzakelijk gepaard moet
gaan met een tragisch bewustzijn". In wat voor kronkels en bochten heb ik mij
vandaag weer gewrongen om alsnog de zwaarte van Panamarenko's dans te
definiëren! Zwaarte? Er is helemaal geen zwaarte! Er is helemaal geen zwaarte
nodig! Daarin schuilt juist het hele bedrog! De grote tovertruuk van de holle
kunstkliek! Hoeveel bewondering je ook hebt voor Gombrovicz, de grote strijder
der jeugd en onnozelheid, je blijft voelen dat zijn werk - op enkele begenadigde
pagina's van Ferdydurke na - geconstrueerd is. Het leeft niet. Het moet zichzelf
voortdurend rechtvaardigen.
Panamarenko? Pure onverantwoordelijkheid! Amusement. Simpel amusement. Niks geen
preoccupaties met de hogere zin van het begrip ervaring of de dilemma's van de
Vorm, althans niet wanneer hij werkt, wanneer hij aan het studeren of aan het
spelen is, wat hetzelfde is, alleen maar wanneer hij verplicht wordt over de
griezelwereld van de kunst na te denken, wat ik overigens niemand aanraad.
Amusement! Nieuw amusement! En of er zwaarte is, dat moet je voelen, En wie het
niet voelt, die kan naar de kloten lopen.
Montagne de Miel, November 1992 |