|
|
Hans Theys
De droom van Bergotte
Enkele woorden over het werk van Paul Hendrikse
Dit jaar was er in België werk van Paul Hendrikse te zien in Factor 44, Lokaal
01, Nicc Freespace en het Herman Teirlinckhuis in Beersel. In een krantenartikel
over die laatste tentoonstelling heeft Luk Lambrecht het over ‘het schitterende,
seizoensgebonden werk Appelschraag van de onbekende Paul Hendrikse’. Wie is Paul
Hendrikse? Hoe komt het dat een kunstenaar die zo’n voldragen werk maakt nog
onbekend is?
De verklaring schuilt hierin dat Hendrikse afkomstig is uit Nederland. Enkele
jaren geleden verhuisde hij naar Antwerpen, van waaruit hij de hedendaagse,
Belgische kunst op de voet volgt. Ik ken weinig mensen die beter op de hoogte
zijn dan Hendrikse. Zo was hij de eerste die mij over Vaast Colson sprak, wiens
werk ik wel al had opgemerkt, maar nog niet met een naam, een gezicht of een
oeuvre had verbonden. Hendrikse is een echt diplomaat, in de nobele zin van het
woord: iemand die door zijn verplaatsingen en contacten bruggen slaat tussen
verschillende gemeenschappen. Nadat hij mij aan het werk zag tijdens een lezing
over het werk van Michel François (in het kader van de Ponderabilia-lezingen aan
de Antwerpse academie), nodigde hij mij uit om de bezigheden van Kunststichting
Artis in Den Bosch een jaar lang op te volgen.
Hendrikse maakt deel uit van de zogenaamde ‘Denktank’ van Artis: een groep
kunstenaars die op verzoek van het bestuur de dagelijkse leiding van de
Stichting op zich hebben genomen. Mijn ontmoetingen met de leden van deze
denktank lieten mij vaak verbluft achter. Het was mijn eerste kennismaking met
jonge kunstenaars die naar elkaar luisterden en hun kunstenaarsschap niet
meenden te moeten kruiden met een pseudo-romantische, suicidaire levenswandel.
Later heb ik ook in België vertegenwoordigers van deze wonderlijke, nieuwe soort
kunstenaar leren kennen.
Op voorstel van Hendrikse werd de mooie industriële ruimte van Artis (dat
gevestigd is in een voormalige sigarenfabriek) in 2002 verrijkt met twee
‘paviljoens’, waarrond een jaar lang telkens twee gelijktijdige, door twee
uitgenodigde kunstenaars opgezette tentoonstellingen werden georganiseerd. Dit
ruimtelijke voorstel van Hendrikse geeft een idee van de precisie waarmee hij
een ruimte kan laten openvouwen vanuit een afbakening.
Hendrikse kadert licht, ruimte en tijd.
In 2002 voert hij een performance uit op de binnenplaats van het Antwerpse
filmmuseum. Tegen een van de muren van die binnenplaats hangt een groot
filmscherm waarop een verlichte rechthoek wordt geprojecteerd met een 35
millimeter projector. De performance duurt veertig minuten en begint ongeveer
twintig minuten voor zonsopgang. Op de binnenplaats staan twee duivenmanden die
bij de aanvang van de performance opengemaakt worden door Hendrikse. Het licht
van de opkomende zon vult de koker van de binnenplaats met enige vertraging. De
duiven verlaten de manden en scharrelen een beetje rond, zonder zich ver van de
manden te verwijderen. Op een bepaald ogenblik is er genoeg zonlicht voor de
duiven om te weten waar ze zijn en stijgen ze allemaal tegelijk op, een
schaduwspel werpend op het filmscherm. De hele opzet kadert het secondenlange
opfladderen van enkele duiven, die dankzij het toegenomen zonlicht de ruimte
konden lezen.
Een zwarte poes met witte buik en sokjes ligt op haar zij te slapen op een
planken vloer. Ze ligt op de rand van een verlicht vierkant dat 45° gekanteld,
op één hoek staand, de helft van het super 8 filmbeeld inneemt. Het licht valt
door een dakvenster. Af en toe schuift er een half doorzichtige wolk voor de
zon, zodat het licht afneemt en het vierkant oplost in een bredere lichtvlek.
(2000)
In datzelfde jaar wordt in de toren van de beurs van Berlage in Amsterdam een
verticaal geplaatste televisie gevat in een schuin oplopende, houten namaak
dakconstructie. De toeschouwer denkt een dakvenster te zien. Het regent. De
druppels lopen naar beneden over het ‘venster’. Op de achtergrond zijn het dak
en de schouw van een tegenoverliggend gebouw te zien. Wie langs de
dakconstructie loopt en een trap bestijgt arriveert op een balkon dat uitzicht
biedt op de ‘werkelijke’ buitenwereld en van waaruit je de hele stad kon
overzien.
Een vrijstaande woning in de Zeeuwse polders wordt overdag gefilmd vanaf
zonsopgang. Vanaf zonsondergang worden de beelden over het huis geprojecteerd.
Het huis staat zwart omringd in de nacht, maar de voorgevel baadt in het
langzaam van kleur veranderende, geregistreerde zonlicht. (2002)
In het Rotterdamse miniatuurmuseum Van Nagsael projecteert Hendrikse met een
zelfgebouwde diaprojector een reeks van rechts naar links rollende dia’s waarop
je telkens dezelfde muur ziet die in de loop van één dag zestien keer werd
gefotografeerd. De muur licht blauw, groen, geel, rood en oranje op. Soms
tekenen er zich geometrische vlakken af. Het werk heet Any Day Now en werd
gemaakt in 2002. Eigenlijk is het een lichte, strakker gekadreerde versie van de
overdag gefilmde woning in de polders. Het doet ook denken aan het werk You and
I Are Quickly Flattered, dat in 2004 gebouwd werd in het Antwerpse filiaal van
Lokaal 01: een soort van betreedbaar lichttheater met openschuifbare
harmonicadeuren waarin het schuin invallende licht van twee dakvensters werd
opgevangen.
Dit werk brengt ons bij een aantal meer recente verwezenlijkingen die niet
rechtstreeks met licht te maken hebben. Soms bouwt Hendrikse immers installaties
of zet hij voorwerpen ineen die iets te maken hebben met wat ik zou willen
omschrijven als het inkaderen van vluchtige momenten, maar dan niet door middel
van een projectie, maar door het maken van ruimtelijk werk. Een echte tweedeling
is er natuurlijk niet, maar het heeft misschien wel zin die voorwerpen hier even
samen te bekijken. Een voorloper van deze werken is het filmpje Scène/muur,
waarin het statische beeld volledig wordt ingenomen door de aanblik van een
witte muur met deur. Na een tweetal minuten valt die muur achterover en kijken
we uit over een polderlandschap. Deze minimale Buster Keaton film hangt samen
met het even lang durende filmpje Scène met drie spelers, waarin we dezelfde
scène opnieuw zien, maar gefilmd vanuit een dwars standpunt, zodat we achter het
gebeuren, aan de horizon, een industriezone waarnemen, die een visuele en
politieke tegenhanger vormt voor het idyllische landschap dat schuilging achter
de valse muur. Zo blijkt ook het idyllische landschap een soort van valse muur
of scène geweest te zijn.
Wat ons hier het meest interesseert is echter het ruimtelijke, voorwerp-matige
aspect van de opstelling, die we ook al aantreffen in de namaak dakconstructie
voor het Dakraam in Amsterdam, waar projectie en constructie gelijk bijdragen
tot een trompe-l’oeil. Eerder dit jaar maakte Hendrikse voor Factor 44 de
installatie Drifting Space met een continu veranderende wand, die bestaat in een
traag zijwaarts rollend canvas dat voor de helft zwart en voor de helft wit is,
zodat de wand een voortdurend wisselende zwart-witte vlakverdeling toont en om
de drie minuten aan elke zijde helemaal zwart of wit is. In zekere zin herhaalt
dit experiment de scène met de omvallende muur, maar op een formeel uitgekiende
manier. In de huidige tentoonstelling in het Hessenhuis is als variant van deze
verglijdende wand ook een filmpje te zien waarop een van links naar rechts
voorbijtrekkende mistbank gaandeweg een hele berg aan het gezicht onttrekt.
Drifting Space is verwant met het werk Any Day Now. Drifting Space is een wand
die het licht beurtelings of gelijktijdig opslorpt en weerkaatst, Any Day Now
registreert de lichtreflectie op één muur.
Props (De Fabriek, Eindhoven, 2003): voor een raam werd een houten vloer met
wanden gebouwd. De wanden hielden de reflectie van de lichten in de ruimte
tegen, waardoor het mogelijk werd door het raam naar buiten te kijken. (De
tentoonstelling duurde 1 dag, de opening was ‘s avonds, buiten was het donker.)
Ook het werk Warpzone uit 2001 is gebaseerd op lichtreflectie. De camera staat
stil en toont ons een geblokkeerd stadsbeeld (verre gebouwen, auto’s, containers
en een hek dat doorgaans gebruikt wordt om bouwterreinen af te sluiten). Een
rechtopstaand, rechthoekig paneel van multiplex sluit de doorgang tussen twee
hekken af. Deze abstracte deur weerkaatst fluo-roze licht dat achter de
cameraman opflakkert. (Je kan het niet zien, maar eigenlijk staat hij met de rug
naar een peepshow.) Het tafereel biedt een soort uitweg. Het licht voert ons weg
uit de geblokkeerde, claustrofobische omgeving. Tegelijk voert het een gesprek
met een oranjekleurig opgloeiende lichtvlek die rechtsboven in beeld door de
ondergaande zon op de wand van een witte container geworpen wordt. Dit vlekje
doet denken aan het geel oplichtende muurvlak dat de auteur en Vermeer-kenner
Bergotte enkele seconden voor zijn dood voor de eerste keer waarneemt in het
schilderij Zicht op Delft, waarbij hij betreurt dat zijn eigen werk zo weinig
soortgelijke, bijna autonoom geworden schoonheidsmomenten bevat. In het werk van
Hendrikse duiken deze vlakjes op als rustpunten of uitwegen.
Toen Hendrikse pas in België woonde, werd hij getroffen door de braakliggende
terreinen die je hier vaak tussen twee rijhuizen aantreft. Twee jaar lang maakte
hij dia’s van de evoluerende plantengroei en het zich opstapelende afval op
enkele van deze vreemde, vaak door schuttingen afgebakende restruimtes. (Dit
werk werd onder de naam Nieuwe biotopen in 2002 getoond in Artis.) Op een
soortgelijke manier bestaat de film Horizon (2003) uit een reeks zelf
aaneengelaste filmscènes die elk afzonderlijk uitmonden in een zicht op zee. De
geblokkeerde blik zoekt naar een zich uitbreidende of verdiepende ruimte of naar
een verlossende, onpeilbaar verre horizonlijn.
Aan de ingang van het Hessenhuis had Hendrikse naast een van de steunberen een
transparante blokkentoren gebouwd. Oorspronkelijk had hij voorgesteld een
gedeelte van de houten wanden die de eigenlijke architectuur verbergen (een
bakstenen muur met prachtige ramen) los te zagen en alleenstaand in de ruimte te
plaatsen. Zonder nog letterlijk naar dit afgewezen voorstel te verwijzen, roept
de gestapelde toren beelden op van een transparante, leefbare architectuur, maar
misschien ook van voorwerpen die zich schuchter terugtrekken en bijna oplossen
in het licht.
Voor de tentoonstelling One By One in het Herman Teirlinckhuis in Beersel stelde
Hendrikse voor een paviljoentje te bouwen waarin hij tachtig dia’s van blauwe
hemels wilde projecteren. Tachtig verschillende monochromen. Via een trap had de
toeschouwer toegang tot het dak van het paviljoentje waarop zich een achterover
hellende zitbank zou bevinden, zodat de plaatsnemende toeschouwer automatisch
naar de hemel zou kijken.
Uiteindelijk werd hij echter getroffen door de benauwende afrastering van een
nabijgelegen wandelpad en stelde hij voor dit pad plotseling te laten afsplitsen
en over de afsluiting heen te laten afzwenken tussen de kruinen van twee
appelaars. Steeds hoger wordende, kruiselings opgestelde poten van blank hout
vormen sierlijke schragen voor een twaalf meter lange, zwervende loopplank. Het
is een prachtige, elegante constructie. Twee wijd uitstaande armleuningen
beletten je te vallen. De wandelaar die de loopplank betreedt ontsnapt uit een
benarde omgeving, terwijl hij tegelijk toegang krijgt tot het concrete van de
appeldragende bomen en het onstoffelijke, voorwerploze uitzicht op een
onbelemmerde hemel.
Weinig kunstenaars slagen erin te sculpteren met tijd. Wie tijd in een ruimte
brengt, laat een ruimte openvouwen. De eerste zonnestralen in de donkere koker
van een binnenplaats plooien een landkaart open in het brein van enkele
rondscharrelende vogels. Het alleenstaande huis in het nachtelijke duister wordt
niet zomaar verlicht, over de geheimzinnig oplichtende voorgevel vlieten de
ontastbare strelingen van het langzaam van nuance tot nuance verglijdende
daglicht. De beelden van Hendrikse laten zich meestal niet in één oogopslag
vatten. Je moet er gedurende langere tijd naar kijken. Zo maken ze de
verstrijkende tijd zichtbaar en voelbaar. De tijd krijgt een kleur. De tijd
wordt dikker. Ze wordt dikker, maar ook vluchtiger. Elk geregistreerd moment
wordt voelbaar in zijn stroperigheid, maar is ook niet meer dan een gedenkteken
voor een gepasseerd moment, een vergane, unieke nuance. Dood en leven ontmoeten
elkaar in korte, verpakte droompjes, in netjes uitgesneden lichtbeelden, die ons
deelachtig maken aan de wondere aandacht van een man met voelende ogen.
Montagne de Miel, 14 november 2004.
Deze tekst werd voor het eerst gepubliceerd in een uitgave van Nicc Freespace. |