|
De mosbegroeiing
in het NICC
Het is nog steeds weinig mensen bekend, maar in het NICC op het Antwerpse zuid
loopt al maandenlang een boeiende tentoonstelling die een herhaald bezoek
verdient. Ze draagt de onbegrijpelijke naam “The Moss Gathering Tumbleweed
Experience” en is een initiatief van de onvermoeibare curator-zonder-vakantie
Hans Theys.
De titel lijkt te suggereren dat het om een groeiproject gaat, en dat klopt.
Maand na maand komen kunstenaars nieuwe werken toevoegen, zodat de ruimte steeds
voller wordt. Ik telde in deze toch vrij kleine ruimte al minstens tachtig
werken. De kunst overwoekert alles. Tot hoog tegen de wanden en laag tegen de
plinten zit kunst. Ze hangt af van het plafond en is zelfs tot op het dak
gekropen. Reeds in het huidige stadium, en we zijn nog lang niet rond, wordt het
al erg moeilijk nog een plekje te vinden waar nog iets bijkan.
Weliswaar was het tot een eind in de 20ste eeuw heel gewoon om van een
kunstruimte elke vierkante meter te benutten en de schilderijen nauw aansluitend
en in lagen boven elkaar te presenteren, met nog stevig wat beeldhouwwerk vlak
ervoor, zoals op oude foto’s is te zien. (Vandaar Ad Reinhardt’s definitie van
een sculptuur: something you bump into when you back up to look at a painting).
Maar vandaag is zoiets heel uitzonderlijk. Alleen veilinghuizen doen het nog, en
daarom zijn veilinghuizen ook zulke prachtige oorden, waar gigantisch veel te
zien is en waar niet een of andere curator de helft van de kunstwerken in de
kelder heeft laten zetten omdat ze niet pasten in zijn warhoofdig concept. Een
veilinghuis beschouwt zijn bezoekers als volwassen mensen, die je niets hoeft
voor te kauwen en die zelf wel kunnen uitmaken wat zij interessant vinden en wat
niet. En daarom zijn voor mij de beste curatoren de accrocheurs van Campo, Van
Langenhove, Bernaerts, De Vuyst en zo meer.
Iets van deze de-kijker-zoekt-het-zelf-wel-uit mentaliteit is ook Hans Theys
eigen. Hij leidt je nergens heen, maar laat je rondkijken en zelf ontdekken, wat
echt een verademing is. Hij acht het bovendien niet nodig, de werken van
naamplaatjes te voorzien, en ook dit werkt relaxerend. Als doorsnee
museumbezoeker vlieg je onweerstaanbaar naar de naamplaatjes, maar terwijl je
die leest doe je iets heel anders dan naar het werk kijken. Eer je het weet ben
je het werk aan het situeren binnen een oeuvre, in geval je de kunstenaar al
kent, of sta je je af te vragen waar je die naam al eerder ontmoet hebt, als je
hem niet kent. Allerlei niet ter zake doende gedachten komen de beschouwing van
het werk doorkruisen, wat nadelig is voor het kijkgenot en de concentratie. Een
kunstwerk zonder naamplaatje charmeert al louter en alleen door zijn
anonimiteit, en heeft de zuiverheid van een menukaart zonder prijzen.
Wat verder nog opvalt in deze tentoonstelling is de afwezigheid van betogende
kunst. Uit niets valt af te leiden dat de rijkdom op aarde onrechtvaardig
verdeeld is, of dat het milieu erg van onze aanwezigheid te lijden heeft. Ik
durf zelfs stellen dat geen enkel werk in het Tumbleweedproject specifiek over
iets gaat. Het is kunst die over alles gaat of over niets, zonder bij voorbaat
een of andere oriëntatie op te leggen. Het zijn allemaal heel open werken, die
behagen scheppen in zichzelf en elke ingang toelaten. Misschien hebben ze zelfs
niet echt een kijker nodig.
Die komt er dan ook haast niet, en dat is jammer voor dit toch zeer verkwikkende
project. Het zal wel aan de ruimte zelf liggen, met haar positie ahter de
kantoorruimte van het NICC. Nergens wordt je duidelijk gemaakt dat er binnen het
NICC iets artistieks aan de gang is. De mensen in het kantoortje zitten naar een
scherm te staren en doen hun best om elke binnenkomer zoveel mogelijk te
negeren. Heel overtuigend krijg je het gevoel dat je daar niet hoort en beter
gauw weer opkrast. Nimmer op deze aardbol was een kunstruimte
drempelverhogender.
Het is binnen het NICC permanent muisstil en hangt een sfeer van tijdloosheid,
als in een serre waarin mossen en andere groeisels welig tieren. Terwijl het in
het NICC van een paar jaren terug toch heel gewoon was dat er druk gerommeld en
geëxposeerd en vergaderd en weg en weer gelopen werd. Maar na wellicht wat
teveel redeloze drukte volgde een bezinningsmoment, gepaard gaand met een
periode van artistieke inertie. Diende het NICC eigenlijk wel een artistieke
werking te hebben? Maar zolang men vragen stelt komt er geen antwoord, en met
Tumbleweed lijkt het tij gekeerd. Het besef is gedaagd dat het NICC nog iets
méér kan zijn dan een service-bureau voor kunstenaars met een probleem. Door in
zijn ruimte een project van deze omvang mogelijk te maken hervat het NICC zijn
taak als zelfstandig en richtinggevend kunstinitiatief en als platform voor wat
zich in de kunstwereld aandient.
Hierbij valt nog te noteren dat sommige deelnemende kunstenaars zelf aantreden
om op de laatste zondag van elke maand commentaar te geven bij hun werk en/of
een performance uit te voeren. Eerder al kwamen o.m. Luc Deleu, Walter Swennen,
Bernd Lohaus en Guy Rombouts aan bod, en in september is het de beurt aan de
jonge Belgisch-Turkse kunstenares Meryem Bayram. Men raadplege hiervoor de
NICC-website.
Paul Ilegems
|