|
14 oktober. Parijs, Metro
République-Montrueil.
[Uit: Essai Intime, Château d’Oiron, 2005]
Tussen kleffe t-shirts en de verkrampte handen die metalen leuningen
vastgrijpen, wordt mijn blik naar de glinstering van een amandelvormig oog
gezogen. Het gezicht zelf is niet helemaal zichtbaar. Soms zie ik donker steil
haar dat over de slapen hangt, soms een deel van een mond in bois de rose met
een smal streepje licht dat de rand van de bovenlip accentueert.
Enkel bij de mens is er zoveel wit van het oog zichtbaar, zo schijnt het. Nooit
eerder is mij dit wit zo sterk opgevallen als indicator van sensualiteit. Wat
niet betekent dat ik er niet onbewust door geleid word. Soms probeer ik iemands
persoonlijkheid te ontrafelen aan een gelaatstrek of aan de beweging van een
haarlok, of aan de houding van een hand. Maar nooit keek ik zo nadrukkelijk naar
het oogwit.
Op enkele millimeter van het rechteroog tekent zich aan de zijkant van het
gezicht een pigmentvlekje af. Alsof een portretschilder, geprikkeld door de
schoonheid van dit oog met het bruin bestemd voor de pupil even met het penseel
de huid raakte. Letterlijk een schoonheidsfoutje die de schittering van dit
juweel tot het uiterste drijft. Het oog als verleider en detector.
De omberbruine pupil glijdt langzaam heen en weer onder het brede bovenste
ooglid. Af en toe vlinderen de wimpers dicht. Een geëpileerde wenkbrauw dringt
zich aan mij op als een ligne de séduction.
Mairie de Montreuil, de metro houdt stil, de reizigers komen in beweging. In de
daaropvolgende kortstondige drukte is het pareloog uit mijn blikveld verdwenen.
Ik stap het perron op en kijk even om me heen. Alleen matte gezichten. Sommige
mensen lopen lezend in een boek de trappen op. Ik hou de handtas stevig vast
waarin mijn schilderijen opgeborgen zitten die bestemd zijn voor het Maison Pop
van Montreuil. Deze morgen vroeg in mijn atelier, kleefde ik de nog natte
schilderijtjes vast in verschillende tupperware doosjes.
Ruim een uur ben ik te vroeg voor de afspraak met Yves Brochard. Vlakbij de
metrohalte stap ik Pizza Pino binnen. En aangezien ik in mijn healthy-periode
ben laat ik mij een spaghetti met pesto aanbevelen, vergezeld van een glas
Chablis, premier cru. Als dwangmatig blader ik ondertussen in mijn quinacridone
rode agenda met krokoprint omslag en controleer mijn gsm op berichten. Een lieve
stem aan mijn tafel, het gerecht wordt geserveerd. Ik knik en kijk even op.
Meteen spant er zich een lijn tussen mijn duistere blik en het oog met de
pigmentvlek.
R. Devriendt, 2005 |