|
Wim Van Mulders
In de moestuin van het kasteel van Beerlegem staat een sculptuur ‘The Motley Crew’ - het lijkt wel een galg - waarbij dartele vormen hoog boven de kijker hangen. De individuele vormen worden gerealiseerd door nylonkousen met PU schuim te vullen. Dit procédé is toegepast in vele knoopsculpturen en werken waarin een ballon of een bal de vorm richting geven. Van San accentueert het belang van vorm en de ontwikkeling van vormen. De coloristische intensiteit van de vormen laat zich lezen als een ‘gestalt’ tegen een achtergrond. De kleurige partikels versmelten tot een levendige vorm – overgeleverd aan zon, regen en wind - waarin de onderdelen eventueel als lichaamsdelen functioneren. De achtergrond kan de blauw-grijze lucht zijn, de hoge bakstenen muur van de schuur of de beperkte omgeving van de moestuin met een rijkelijk van vruchten voorziene appelboom. De verzadigde en fluoriserende kleuren nemen ons mee in een baaierd van kleur en licht. Het globale patroon heeft een zelfstandig waarneembare kwaliteit. De ‘gestalt’ is een figuur die zich losmaakt van de achtergrond maar er ook weer in oplost. De picturale dimensies van vorm en kleur, textuur en materiaal, schaal en massa worden gesynthetiseerd in wat Robert Morris ‘unitary forms’noemde.(6) Vormen bieden volgens deze opvatting een maximale optische weerstand tegen een opsplitsing in delen. Het figuur/grond principe leidt vanuit een zintuiglijke waarneming naar de introspectie of ‘inwendige waarneming’.
Het tweede werk ‘Black Rumba’ hangt in een oude serre. Men erkent gelijkaardige kronkelende volumes maar de uitbundigheid van het eerste werk verdwijnt door het kluwen van grijze en zwarte vormen. Het is de eerste zwarte sculptuur van de kunstenaar. Daardoor dringt de specifieke vorm duidelijker door en geeft Van San een antwoord op de clichés dat zij ‘die artieste met de kleurtjes’ zou zijn. De donkere vormen van ‘Black Rumba’ hangen aan het hoogste punt van de serre en verzoenen zich met de aanwezige planten en pompoenen. In de grijswaarden zorgt zij voor vibratie en verstoring door opgespoten kousen met dots te integreren. Bepaalde werken herinneren aan de ‘Dots Obsession: Full Happiness with Dots’ en de grote kleurige ballonvolumes van Yayoi Kusama. Van San verwijst evenwel naar Franz West, Louise Bourgeois, Eva Hesse, Anish Kapoor, Paul McCarthy en zovele anderen omdat ze hun werken goed, mooi, gestructureerd, grappig en interessant vindt.
De beide werken bezitten een architecturale dimensie doordat ze de ruimte van de tuin en de interne ruimte van de serre thematiseren. Door hun nerveuze dimensie en de ‘visual whirlpool’eisen ze aandacht en activeren ze de waarneming. Wie dit werk onderzoekend benadert ontdekt een oneindigheidsstreven. De verstrengeling, de diversiteit en het vitalisme kenmerken het haast obsessionele realisatieproces.
De wereld van Van San is alleen op het eerste zicht probleemloos en vreugdevol. Ze spreekt over haar fascinatie voor orkanen, mist en zee, wandelen wanneer het licht mooi is, naar Afrika varen, geluiden van een varende boot beluisteren alsof het muziek is, enz. De vormen hangen als uitdagende contrasten en conflicten in de lucht. Elke associatie lijkt acceptabel - zovele buitelingen en duidingen – in deze eindeloze vormen- en kleuren-kosmos. Kleur is raadsel, delirium, openheid, bloei, intuïtie, flexibiliteit en onvoorspelbaarheid. We kunnen de aandacht richten op kleuren als vluchtig effect en als licht van de geest.(7) Zelfs al lijken kleuren doorschijnende lichamen toch zijn ze duurzaam en werkelijk inherent aan de vormen en hun materiaal. In die zin is zelfs de hangende tros in de serre niet kleurloos maar zit hij vol subjectieve projecties die niet binnen het veilige domein van de cultuur te benoemen zijn.
Noten:
6. Robert Morris, ‘Notes on Sculpture 1-3 [1966-1967]’ in: Charles Harrison en Paul Wood (red.), ‘Art in Theory 1900-1990. An Anthology of Changing Ideas’, Oxford/Cambridge, Massachusetts, Blackwell, 1992, p. 813.
7. Maurice Merleau-Ponty, ‘Oog en geest. Een filosofisch essay over de waarneming in de kunst’. Baarn: Ambo, 1996. |