Vaast Colson

<< BACK TO VAAST COLSON

 

 

 

Hans Theys


Over het jaar 2004 in Lokaal 01


Voorliggend boekje is voortgevloeid uit een opdracht van het kunstencentrum Lokaal 01, dat mij bij monde van Frederik Vergaert en Freek Lomme heeft gevraagd of ik hun bezigheden een jaar lang wilde opvolgen en er als ‘jaarkunstenaar’ op reageren. Het jaar zou opgesplitst worden in vijf opeenvolgende tentoonstellingsperiodes die vormgegeven zouden worden door uitgenodigde kunstenaars.

De eerste periode werd in handen gegeven van Frigo, een kunstenaarscollectief met wisselende bezetting. Dat trof, want een van de kunstenaars van Frigo, Vaast Colson, had ik zelf pas uitgenodigd voor een groepstentoonstelling in het Herman Teirlinckhuis in Beersel (die pas in het najaar zou plaatsvinden) en ik keek nieuwsgierig uit naar een eerste ontmoeting met deze kunstenaar. Ik had wel al kennisgemaakt met het werk, maar nog niet met de man. Het werd geen teleurstelling. Zelden heb ik zo’n indrukwekkend werk gezien als de installaties en acties van Frigo voor Lokaal 01. De precisie en het beeldende vermogen van deze mensen was verbluffend. Ik maakte een film over hun bezigheden en besloot Vaast Colson een heel jaar lang te volgen. Dat laatste is helaas niet helemaal gelukt, want de man werkt en reist onophoudelijk, maar ik heb toch enkele wondere beelden kunnen maken die ik ooit hoop te kunnen monteren. Verder heeft deze kennismaking ook geleid tot een tekst over het werk van Vaast Colson.

De tweede periode werd toegewezen aan het kunstenaarsduo Gil en Moti, die op hun beurt enkele andere kunstenaars uitnodigden. Gil en Moti bouwden in Breda een mooie installatie die gewijd was aan hun zoektocht naar een Arabische geliefde en die bestond uit een werkplaats die werd omzoomd met een soort van kamerschermen die waren opgebouwd uit aaneengeklonken, ingelijst grafisch werk (brieven en portretten van Arabische jongens). De tekeningen droegen geperforeerde e-mail adressen, die ik gebruikte om David Hamilton-achtige videobeelden te maken van het werkende tweetal. Op de eerste verdieping bevond zich een door Ward Shelley gebouwde, transparante, cocon-achtige woonruimte die bestond uit een met folie omwikkelde metalen constructie.
In de ruimte in Antwerpen bouwden Gil en Moti een klassieke tentoonstelling met grote schilderijen en verzamelden ze tweedehandse meubels waarmee ze op de dag van de opening een bed samenstelden dat ze wilden delen met hun Arabische liefdesjongen. Ze nodigden Maurice Bogaert uit die een prachtige installatie heeft gemaakt op basis van een tot ‘schildersroman’ omgevormde damesroman. Drie muurschilderingen toonden uitvergrote illustraties van deze roman, die zelf in affichevorm was aangeplakt. In de ruimte stonden een klein podium, een stoel, een microfoon en een glas water klaar voor de auteur, die tijdens de opening voorlas uit het boek. (De auteur werd vertolkt door de acteur Rob Koelewijn.) De actrice Sigal Weissbien en de schrijfster Maaike Bleeker droegen of lazen iets voor.
De videobeelden die ik maakte bleken naderhand onbruikbaar te zijn. Ik schreef daar een brief over naar Gil en Moti, waarin ik ook berichtte over een lezing van Abbas Kiarostami, die een goed einde bakte voor zijn film Close Up door voor te wenden dat een microfoon stuk ging. Ten slotte schreef ik een tekst die vertrok van het fenomeen van de kunstenaarsduo’s en die ik ‘De tweelingbroer van Picasso’ heb genoemd.
De derde periode werd vormgegeven door André Kok en Simon Kentgens, die net zoals Gil en Moti enkele andere kunstenaars uitnodigden. Ik was bijzonder gecharmeerd door Kok en Kentgens, met wie ik heel aangename gesprekken heb gevoerd die zich telkens weer leken af te spelen op de rand van de mogelijkheid van een gesprek. De tentoonstellingen waren prachtig.
De tentoonstellingsreeks ving aan met een bijdrage van Harald Thys en Jos De Gruyter, die op de begane grond en op de eerste verdieping een opstelling maakten met enkele stoelen en een geluidsinstallatie waarop verschillende afleveringen van een ontzettend grappig luisterspel over het leven van Rubens beluisterd konden worden. (Van Dijk: Ik hou mijn mond voor niemand. Voor niemand! Zeker niet voor Rubens. Zeker niet voor Rubens! Maar het probleem is dat men niet luistert naar Van Dijk. Men luistert niet. Dat gebeurt niet! Er gebeurt niks! En dan hopen de dingen zich op!)
Voor het tweede gedeelte van de tentoonstelling in Breda bouwde Simon Kentgens op de eerste verdieping een replica van een kantoor: een soort van aquarium-kijkdoos waarin de obligate meubelen, planten en andere accessoires te kijk stonden. André Kok ontmantelde een stuk overloop, legde daarbij een gedeelte van de sanitaire vertrekken bloot en maakte een werk met verschillende soorten van ventilatoren die zuchtend aan en uit gingen. Op een andere plek, net boven de grond, op een openstaande, maar met een spie geïmmobiliseerde deur, wierp een diaprojector close up beelden van een grasperk. Helemaal boven toonde Kok een mooi filmpje over een gouden draaikolkje in een glas thee.
Op de begane grond werd ik getroffen door de vrijwel onzichtbare ingreep van Jan Scheerhoorn, die in de grote ruimte op de begane grond een aantal onnutte schakelaars, elektrische leidingen, buizen van de centrale verwarming en andere loodgieterij had toegevoegd, zodat de toevoegingen ons wezen op de compositorische kwaliteiten van de leidingen die al aanwezig waren en ons bovendien de hele ruimte anders lieten evaren.
In Antwerpen werd een tentoonstelling opgezet die tijdens de opening maar door twee of drie personen tegelijk mocht worden bezocht. De tentoonstelling kon wel worden bekeken door twee grote ramen. Het enige voorwerp dat zo onzichtbaar bleef, was een door Simon Kentgens bescheiden eengezinswagen die werd verloot onder de toeschouwers.
Paul Hendrikse bouwde het werk You and I Are Quickly Flattered: een soort van betreedbaar lichttheater met openschuifbare harmonicadeuren waarin het schuin invallende licht van twee dakvensters werd opgevangen.
De samenwerking tussen André Kok en Simon Kentgens leidde tot de installatie van een voorstel voor een ronde hoek (een gebogen lat die een mogelijke wijziging van de ruimte voorstelde); een fraaie, fijn aangezette, houten constructie die de omtrekken van een stuk amfitheater uittekende; en het zwembadblauw schilderen van de betonnen kuil die Vaast Colson enkele maanden eerder had gebruikt om de trap op te bergen.
Er was ook een actie van Bas Schevers te zien, die zijn zijwaarts gebogen hoofd door een klein raampje had gestoken. In Breda deed Schevers enkele fraaie, onopvallende ingrepen die het aanschijn van het binnenplein voor Lokaal 01 lieten tintelen.
Tot slot van deze derde periode was er in Antwerpen ook een installatie te zien van Martijn Rooker en Dinanda Luttikhedde. Ik was vooral gesteld op een mooie hoop geel zand die zich zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant tegen het etalageraam aan vleide. Toevallig vlogen de dag van de opening duizenden mieren uit die aan beide zijden van het raam over en door het zand klauterden.
De vierde periode werd opgezet door Freek Lomme. Beide tentoonstellingen, in Breda en Antwerpen, waren een toonbeeld van hoe kunstenaars samen tot een mooie tentoonstelling kunnen komen. De ruimte bleef open en helder. Alles stak goed ineen, de kunstenaars toonden mooi werk en hun werken maakten plaats voor elkaar. Marijn van Kreij maakte een boeiende potloodtekening op de grote muur van de eerste verdieping in Breda, Keiko Sato maakte een landschap door gebroken servies en andere kleine voorwerpjes te verstrooien over de betonnen vloer in Antwerpen (mooi hoe ze de barsten volgde met aanvankelijk onzichtbare rijstkorrels of andere minuscule klompjes) en Felix Schramm bouwde een schijnbaar door de ruimte gestorte constructie van hout en gips. Ook Marit Shalem, Haleh Redjaian en Hatice Güleryüz maakten mooi werk, maar ik werd er niet door ontroerd of anderszins aangesproken. Hun werk was mooi en de tentoonstelling was goed gemaakt, maar er gebeurde bijna niets. De prentjes en voorwerpen bleven prentjes en voorwerpen. Ze waren niet sterk genoeg om zelf een wereld op te roepen (zoals de Rubens-installatie van Thys en De Gruyter of het lichttheater van Paul Hendrikse dat wel doen) en werden niet omringd door beelden of woorden die mij in staat stelden het werk beter aan te voelen.
Het probleem met dergelijke groepstentoonstellingen is dat ze, ook al zijn ze geslaagd als ruimtelijke ingreep of poëtisch verhaal, altijd blijven kampen met de beperkingen van het louter tonen van een of twee kunstwerken per kunstenaar, waardoor de bezigheid en het oeuvre die schuilgaan achter deze werken buiten het bereik van de toeschouwer blijven. Daarom probeer ik zelf tentoonstellingen te bouwen waarin je wèl iets proeft van de achterliggende bezigheid of passie (bijvoorbeeld door het tonen van foto’s, documenten, schetsen of maquettes) en probeer ik teksten te schrijven die de lezer een inzicht bieden in de samenhang tussen de afzonderlijke werken van een oeuvre, zodat de specifieke manier van kijken, voelen en broddelen van de kunstenaar zichtbaar wordt.

De vijfde periode wordt vormgegeven door Freek Lomme, Sanne Nuyens, Sara Colson en mezelf. Het zou mooi zijn als iemand anders er iets over zou willen schrijven.

In het algemeen zijn er dit jaar zoveel dingen gebeurd in Lokaal 01, zoveel geslaagde dingen ook, dat ik bij een poging tot volledige beschrijving van alles wat ik heb gezien altijd iemand onrecht zal doen. Aangezien er van mij als jaarkunstenaar niets precies wordt verwacht, hoef ik mij daarover geen zorgen te maken, maar als schrijver over kunst kan ik het probleem toch niet zonder meer naast mij neerleggen. Elk oordeel over een groepstentoonstelling vooronderstelt een aantal standpunten die ik niet elke keer opnieuw wil en kan uiteenzetten. Verder meen ik dat iedereen meer gebaat is bij het zo precies mogelijk beschrijven van het werk van één kunstenaar. Dat ligt niet voor de hand. In academische milieus wordt neergekeken op dit soort veldwerk en kunstenaars zijn er vaak bang voor, omdat het hun werk zo weerloos maakt. Toch ga ik ermee door en neem ik in dit boekje als voorbeeld teksten op over Vaast Colson en Paul Hendrikse. Samen met mijn films ‘FRIGO FUMPP’ en ‘HAM & EGGS’, die permanent vertoond worden tijdens de tentoonstelling, geven ze een idee van mijn indrukken en bevindingen.


Montagne de Miel, 8 november 2004

TOP